Wednesday, 8 April 2026

Straaljager

De lucht is zo blauw dat het bijna hard aanvoelt, helder en koud als ijs. Ik sta op het schoolplein en kijk omhoog. Een dunne zilveren punt snijdt door het blauw en laat een lange witte streep achter. Een straaljager. Het is voorjaar en de meester heeft ons naar buiten gestuurd omdat het zo'n prachtig weer is. Ik ben tien jaar. Ik houd niet van buitenspelen. Weet je waarom? Omdat ik zo vaak in mijn eentje sta.

Want het liefste zou ik ravotten, lachen, gillen, struikelen. En ik zou mijn knieƫn schaven. Ik zou schor worden. Mijn ogen zouden tranen en ik zou buiten adem zijn. Ik zou overal aan meedoen: tikkertje, verstoppertje, zelfs met touwtje springen.

Wat moet ik hier eigenlijk? Zonder jas krijg ik het koud, en ik heb niemand om mee te spelen.

Dus kijk ik omhoog. Ik vraag me af hoe eenzaam het moet zijn om daarboven te zitten, helemaal alleen in die kleine cockpit, los van de aarde, hangend in de open lucht. De koepel om je heen laat de horizon in een enorme boog zien, wolkenmassa’s boven, onder en dwars door elkaar. Op grote hoogte zie je zelfs de kromming van de aarde.

En ergens diep onder dat alles klinkt de motor: een dreunende bas, een rauwe schreeuw, een hoge snerpende fluit — alsof het toestel door meerdere lagen van de wereld tegelijk breekt. En jij bepaalt de richting. Je reageert razendsnel en duikt omhoog en omlaag. Je hebt het toestel volledig onder controle. 

Af en toe rent er een groepje kinderen voorbij. Ik lijk onzichtbaar voor ze. Ik voel me stom door hier te staan. Ik voel me stom omdat ik ben wie ik ben. Waar laat ik mijn handen? Hoe moet ik kijken? Het liefst zou ik verdwijnen. Ik schaam me dat ik niet mee mag doen. Ik schaam me ervoor dat ik hier maar sta te staan. Dat ik niet weet wat ik met mezelf aanmoet. Dat ik mezelf overbodig voel. Dat ik blij mag zijn als iemand wel een keertje met me komt praten of me ergens bij betrekt. Laat me nou maar gewoon. Laat me maar onzichtbaar zijn.

Hoe stil zou de eenzaamheid, de gewichtsloosheid, de leegte om je heen voelen, denk ik, als ik omhoog kijk naar de strepen in de lucht.

Het is prachtig weer, heeft de meester gezegd. Dus we mochten zonder jas. Ik heb kippenvel en een natte neus. Ik hoop dat het bijna tijd is. 

Hoog in de lucht zie ik het stipje kleiner worden. De strepen vallen uit elkaar. De straaljager is verdwenen.

Ik hoor de bel. We moeten weer naar binnen. Iedereen begint te rennen. Bij de deur duwen kinderen mij opzij. We gaan de klas weer in.

Binnen is het lekker warm. Ik loop terug naar mijn tafeltje. 

Het speelkwartier is weer over.