Thursday, 5 February 2026

Een mysterieuze man.

Het is acht jaar geleden dat mijn moeder stierf, en ik ben pas onlangs begonnen met het doornemen van de vele fotos die ze heeft achtergelaten. Foto's van mijn moeder samen met ons,en met mijn kinderen, en foto's van de vele reizen die ze maakte.
En veel foto's van haar met haar zusjes, gemaakt in Limburg, waar ze allen geboren zijn.
Mijn moeder, de rebelse van het stel -het waren er 12- vertrok naar Amsterdam.
Ze zijn er allemaal niet meer, op een stokoude tante na, die nog altijd in het dorp in Limburg woont.

Er zitten ook een paar hele zeldzame foto's bij, zwart wit foto's die vergeeld zijn van ouderdom. Foto's van familieleden waarvan ik de namen niet weet. En er zijn er ook die ik wel herken. Omdat mijn moeder me heeft verteld wie die jonge mensen zijn; zij en haar zusjes, met grote strikken in het haar, samen met hun hond Zwiep, voor de kapperszaak en sigarenwinkel waar mijn moeder opgroeide.
De twee zaken bevonden zich in een groot pand, waar ook het woonhuis deel van uitmaakte. Een belangrijk pand, in het midden van het dorp, aan het dorpsplein.
Tussen de vele foto's vind ik er een paar die ik wat langer vasthoud; een foto van een winters graf,  waar mijn moeder op de achterkant heeft geschreven: Hier ligt mam, bedekt met een dekentje van sneeuw.
Dan een paar foto's van mijn opa en oma op hun trouwdag. Niemand kijkt blij. De sfeer is ernstig en de mode is niet erg elegant. Mijn oma draagt een deftige hoed, die nogal pompeus oogt.
Mijn opa echter, oogt als een dandy. Hij lijkt niet in het gezelschap thuis te horen. Als een Hollywood acteur die op de verkeerde set terecht is gekomen.
En dan deze foto: Het is mijn opa die in bed ligt, de handen ineengevouwen, bedolven onder bloemen. Zijn haar is netjes achterover gekamd,  zijn blik is sereen.
Het is er een van een serie waar hij opgebaard ligt in bed.
Als kind vond ik deze foto's altijd griezelig, maar nu kijk ik er met andere ogen naar.
De foto vertedert me. Ik kijk naar de knappe gelaatstrekken van mijn overleden opa. Zijn blik, die haast ingenomen lijkt.
Mijn moeder heeft het me vaak verteld:
Ik lag in bed en was pas veertien jaar. Ik werd wakker van het geschreeuw van mijn moeder. Toen we gingen kijken bleek mijn vader al overleden te zijn. Hij had een acuut hartinfarct gehad.
Toen mijn moeder zelf al bejaard was kon ze er nog altijd niet zonder smart over spreken.
Ik mis mijn vader nog elke dag.

Mijn opa was mijn moeders held.
Hij had haar altijd opgezocht wanneer ze in het ziekenhuis lag. En mijn moeder was heel vaak ziek.En heel vaak kwam er wekenlang niemand.
Hij haalde me op met de motor. Vertelt ze.
Omdat ze onderweg pech krijgen moet mijn opa het laatste stuk lopen. De loodzware motor vooruit duwend. Mijn moeder achterop.
Dat hij later die avond aan een hartaanval zou overlijden was volgens mijn oma dan ook mijn moeders schuld.

Ik lijk het meeste op mijn vader. Zei mijn moeder vaak.
Hij was, naast herenkapper ook een soort arts. Hij had grote dikke mappen met geneeskrachtige recepten. De mensen in het dorp kwamen vaak eerder naar hem dan naar de dorpsdokter.

Mijn opa kon ook pijn wegnemen met zijn handen.
Dat kon mijn moeder later ook.
En ik heb het weer van haar overgenomen.

Het is jammer dat je mijn vader nooit gekend hebt. Zegt mijn moeder.
En dat we nooit geweten hebben wie hij werkelijk was.

Mijn opa is altijd door mysteries omhuld gebleven. Zijn vader was onbekend, en mijn oma, die het wist, heeft dat geheim nooit willen onthullen. Ook de kerk weigerde bepaalde documenten te delen.

Wat mij rest, zijn de foto's. De oude foto's met die sombere, serieuze mensen. En daartussen mijn opa, die geheimzinnig glimlacht.


Monday, 29 December 2025

Een kerstverhaaltje

De takken van de boom hangen neerslachtig naar beneden. De kerstdagen zijn voorbij. Er was zelfgemaakte paté, gekonfijte eend en er waren cadeautjes. En er waren herinneringen.

Kerst is de tijd van het jaar waarin de geesten dichterbij komen; ze glippen onze verwarmde huizen binnen. Elk jaar zijn het er meer: geliefden die ook dit jaar weer ontbreken. Dat stille gevoel van heimwee hoort bij kerst en sluipt langzaam naar binnen zodra de kerstboom staat. Want in die doos met kerstspullen bevinden zich niet alleen decoraties, maar ook stukjes verleden die ik elk jaar opnieuw voorzichtig aanraak. Kleine relikwieën.

Een zelfgemaakte kerstkaart van mijn moeder, -de laatste die ze geschreven heeft-, en een gehaakt poppetje dat zij ooit heeft geknutseld, om in de kerstboom te hangen. En het porseleinen engeltje dat afkomstig is uit de kerststal die vroeger bij ons thuis stond. De dieren en het kindje Jezus inclusief de kribbe, zijn allemaal verdwenen. Enkel het engeltje is overgebleven; zij vouwt haar handje devoot in haar schoot, en houdt haar ogen gesloten.

Die kersstal fascineerde mij enorm toen ik klein was; de koe en het schaapje, de figuurtjes om de kribbe heen. Maar mijn moeder wilde liever niet dat ik er mee speelde; het was om naar te kijken, en het hoorde onder de boom.

De kleine kersstal met mos op het dak, was een overblijfsel van mijn moeders katholieke opvoeding. Het was het enige wat in stand was gebleven, want het geloof had ze allang afgezworen.

De heilige betekenis van kerst ontging mij dus ook volledig als kind. Maar ik was wel onder de indruk van de lichtjes, de plastic kerstman, de kerstversieringen, en de liedjes die we zongen in de klas. De liedjes die je netjes uit je hoofd leerde, maar waarvan je weinig begreep: "Hij komt van al zo hoge, van al zo veer". En deze, die vond ik het mooiste: "Hoe leit dit kindeke hier in de kou, Ziet eens hoe alle zijn ledekens beven"

Ik vond het een zielig liedje.

Dicht tegen kerst, sloot de juffrouw de gordijnen en deed ze alle kaarsjes aan, en dan gingen we zingen. Die typische geur van kaarsvet in combinatie met die van dennennaalden brengt mij altijd weer terug naar dat klaslokaal.

Heel soms gingen we rond de kerst naar Limburg, naar het dorp waar mijn moeder geboren is. Daar kon je een levende kersstal bezichtigen; met echte dieren; een koe, een schaap en een ezel. Maar we gingen niet mee naar de nachtmis. Dat vond mijn moeder te ver gaan, en mijn vader wilde er al helemaal niets van weten.

Maar onderweg naar huis, vertelde mijn moeder wel altijd met heimwee in haar stem over de kerstvieringen van vroeger, toen haar vader nog leefde. Haar ogen begonnen te glanzen wanneer ze sprak over  De mooiste tijd van het jaar. "Als we terugkwamen van de mis had mijn moeder een lange tafel gedekt, en sneed mijn vader het kerstbrood aan". 

Ik mis mijn vader en mijn moeder. Ik mis mijn jeugdvriendin, die op tweede kerstdag jarig was. Ik mis ze zo dat ik me soms niet meer herinner hoe ingewikkeld kerst ook kon zijn: gescheiden ouders, ruziënde schoonmoeders, een dochter die wegbleef. Dat gevoel dat het net niet goed genoeg was, zelfs als ik dagen in de keuken stond, en hopeloos de stemming probeerde te verbeteren.

De kerst is over, het is bijna Oud en Nieuw. Ik kan de staat van de kerstboom haast niet meer aanzien.

Binnenkort haal ik de kerstdoos weer tevoorschijn.

En dan stop ik alles weer weg.




Monday, 3 November 2025

In de war.

Toen ik ze ontmoette waren mijn (toekomstige) schoonouders nog hip en jeugdig, op een beschaafde, politiek correcte manier. PVDA stemmers, naturisten, Parool lezers, VARA kijkers.

Bob, mijn schoonvader, kwam over als een rustige, enigszins aarzelende man. Echter op andere momenten leek hij juist zelfverzekerd, op het onbuigzame af. Het was een merkwaardige discrepantie. Het zelfverzekerde leek wat defensief, alsof het eigenlijk geen zelfverzekerdheid was.

Bob, die al meer dan twintig jaar voor de gemeente Amsterdam werkt met betrekking tot stadsbestuur, stedelijk management en planologie, heeft van zijn werk zijn hobby gemaakt. De werkkamer is zijn favoriete plek in huis. Hier, in zijn domein heeft hij alles dat hem dierbaar is, om zich heen verzameld: De foto's die hij als hobby fotograaf zelf heeft ontwikkeld, de gedichten die hij als vrijgezelle jongeman schreef en bundelde, en natuurlijk zijn vakliteratuur. De op alfabetische volgorde gerangschikte Jazz cd's, zijn echter in de huiskamer terug te vinden. Net als alle romans die in de grote imposante boekenkast staan. Vaak zit hij tot laat in de avond te werken terwijl mijn schoonmoeder in bed tv kijkt. 

Ik vond het altijd lastig om aansluiting met ze te krijgen. Er was altijd sprake van een bepaalde grens aan het contact en zelfs tot op heden, heb ik, wanneer ik er ben, het gevoel dat ik op visite ben en me hoor te gedragen en, binnen een bepaalde tijd weer rechtsomkeert dien te maken. Er is weinig plek voor spontaniteit en stommiteit.

Het is een ingewikkelde balans, waar je je aan dient te houden. In de zin van: niet te laat komen, maar ook niet te vroeg, niet te lang blijven zitten, maar ook niet te kort, niet zwijgen, maar ook niet teveel praten, en discreet zijn in de keuze van onderwerpen: sport, vakantie, of de nieuwe roman van Arnon Grunberg.

 Jarenlang vond ik het moeilijk om bij hen op bezoek te gaan. Ik had altijd het gevoel dat mijn aanwezigheid getolereerd werd vanwege het fatsoen.  Er bleef altijd een rare terughoudendheid, waardoor ik me nooit echt op mijn gemak voelde. Uiteraard werd mijn gevoel van onzekerheid hierdoor getriggerd. 

Bij mijn schoonouders verliep alles volgens een vast stramien – op vaste dagen, vaste tijden, binnen een zorgvuldig bewaakt ritme. En ik had immer het gevoel dat ik uit de maat liep.

Die nauwgezette geordendheid en regelmaat , kwam echter vorig jaar abrupt tot een halt.

Want, Bob leek zich anders te gedragen. Het begon steeds meer op te vallen: Bob is in de war.

Er ontstond een rare situatie, waarbinnen iedereen zijn best deed om niet te laten merken dat er iets niet klopte.  Als er een tegeltje met een spreuk in dit huis had gehangen, dan was het : "In dit huis wonen nette mensen. In dit huis praten we niet over gevoelens.”

En zo kwam er dus onverwachts een scheur in het geordende leven van mijn schoonouders en in de regelmaat van het bestaan. Dit was niet gepland, dit hoorde niet te gebeuren. Maar het gebeurde wel. En wat doen we nu?

Bob is oud geworden. Hij oogt fragiel vergeleken bij zijn grote zoon. Glimlachend kijkt Bob naar hem op en zijn zoon kijkt glimlachend terug. 

Heb je nog voetbal gekeken? vraagt hij aan zijn vader.

Het is vier uur 's middags. Dat betekent eerst een kopje thee. Een kopje maar, want daarna is het borreltijd. Het vertrouwde plateautje komt op tafel, met de nootjes, de olijven en de stukjes kaas.

Hoe gaat het met jullie?  Vraag ik.

Het antwoord is "goed".




Thursday, 9 October 2025

Onderzoek



Wat me bijgebleven is, is dat het continu regende.
Het regenwater vormde een rivier waarvan het water omhoog golfde als je erdoorheen reed. Die dag begon het al te schemeren en ik reed, door de straten die in rivieren waren veranderd, Amsterdam binnen. Het was al bijna avond toen ik door de Weesperstraat reed, richting het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis — notabene het ziekenhuis waar ik zelf geboren ben.

Ik had mijn uiterste best gedaan om ervoor te zorgen dat mijn vader opgenomen zou worden. Maar toen ik eenmaal arriveerde, lag hij daar — vel over been — op een ziekenhuisbed op de eerste hulp. Ik wist niet dat ik hem, na uren wachten, alsnog naar huis zou moeten brengen. En ik wist niet dat hij tien dagen later dood zou zijn.

Het was een trieste middag. Mijn vader voelde zich ziek en had het koud. Zijn vrouw zat met haar tas op schoot te trillen van de stress en vertrok uiteindelijk naar huis.

Toen zaten mijn vader en ik daar dus met z’n tweeën. We wachtten op de MRI-scan, en ik hoopte van harte dat hij daarna snel in een warm ziekenhuisbed terecht zou komen op een rustige afdeling, met een lieve verpleegkundige.

Maar intussen was het wachten.

Mijn vader praatte erop los. Hij leek, vreemd genoeg, onbezorgd. Toen zijn gegevens werden opgenomen, vertelde hij dat hij nooit verwacht had negentig jaar te worden, maar dat hij er nu wel van overtuigd was dat hij het zou halen — het was immers nog maar twintig dagen.

De zuster was niet erg geïnteresseerd in deze informatie.

Na uren die zich eindeloos voortsleepten, werd mijn vader eindelijk meegenomen naar boven, waar de scan zou plaatsvinden. Ik liep mee door de verlaten hal, waar een tl-lamp flikkerde.

Het bed werd in een soort parkeervak geparkeerd. De vloer glom, en nadat de voetstappen van de persoon die het bed had geduwd waren verstomd, werd het akelig stil.

Mijn vader was nerveus voor het onderzoek en begon weer te praten om de stilte te doorbreken.

Plotseling begon hij over de tijd dat ik klein was. Er volgden een paar anekdotes — verhalen die ik natuurlijk al vaker had gehoord, maar het was jaren geleden dat hij ze verteld had.

“Dat zal ik nooit vergeten,” zei hij. “Dat jij, terwijl we tv aan het kijken waren — zo klein als je was — plotseling heel boos je bed uitkwam, de woonkamer inliep, recht op de tv afstapte en het geluid zachter zette.”

Het was een lieve, ontroerende herinnering. Mijn vader en ik, in dat stille ziekenhuis, wachtend op dat rotonderzoek, allebei pratend en glimlachend om de realiteit te verzachten.
“Het was een hele leuke tijd,” zei mijn vader, “toen jullie klein waren.”

Toen zwaaide ineens een deur open.
“Meneer Dekker?”

Mijn vader was eindelijk aan de beurt.











Tuesday, 9 September 2025

De wisseling van de seizoenen.

Vandaag merk je het ineens duidelijk. De wisseling der seizoenen. Het is nog een beetje een machtsstrijd, maar de zon kan net zo goed haar verlies vast toegeven. Wist ze gisteren nog te scoren met een zomerse dag,vandaag delft ze het onderspit. Het is stil en grauw.

Het zijn dagen als deze, dat ik me bewust ben van de tijd die zomaar verstrijkt. Zonder waarschuwing, zonder voorteken. 

Dat de dag dat ik hier voor het eerst naar binnenstapte, nog een baby in mijn armen hield en twee verlegen meisjes naast mij had staan, die verwonderd om zich heen keken. Sindsdien is er drukte, geluid en leven in dit huis geweest. Een schril contrast met de grauwe stilte van nu. Zelfs de zon is klakkeloos vertrokken.

Het afscheid van de zomer valt me zwaar, net als het vertrek van mijn kinderen. Het is geen strijd, eerder een stille gelatenheid die soms wat eenzaam maakt.

Toen ik mijn zoon vorige week weer naar Amsterdam bracht – hij had hier gegeten, maar moest op tijd terug – keek ik verbaasd naar de knappe, energieke jonge man naast me. Hij laat me altijd muziek luisteren die hij mooi vindt. Er gaat een zachte intimiteit van uit: dat hij zijn muziek met mij deelt. Het verbindt ons. En dan stapt hij uit, vol plannen en dingen die nog gedaan moeten worden.

Mijn jongste dochter is succesvol en druk bezig haar leven vorm te geven. Soms lijkt er daardoor weinig ruimte over te blijven, en voel ik me meer een plekje in haar agenda dan een vanzelfsprekend onderdeel van haar dagelijks leven. Op vrijdag schuift ze vaak met haar vriend bij ons aan tafel. Handig natuurlijk: eten moet je toch. En stiekem ben ik blij met die momenten samen.

Toch betrap ik mezelf erop dat ik me druk maak of ik wel goed genoeg kook. Dat ik bang ben daarin tekort te schieten, en haar daardoor misschien nog minder te zien.

Met mijn oudste dochter heb ik dagelijks contact via WhatsApp. Vaak stuurt ze korte, luchtige filmpjes van Instagram. Voor mij is dat een geruststellend teken: in het verleden hoorde ik als een van de eersten wanneer er ernstige problemen waren, maar gelukkig is dat tegenwoordig minder frequent. Toch blijft de angst bestaan dat het opnieuw misgaat en dat er opnieuw hulp nodig is om haar leven op de rails te krijgen.

Die dagelijkse berichten hebben daarom een belangrijke betekenis. Hun schijnbare zorgeloosheid biedt een zekere ademruimte, ook al blijft de onderliggende spanning en onrust altijd aanwezig.

Het is begonnen te regenen. Ik heb het raam in de keuken inmiddels ook gesloten. Er komt kou binnen. De wisseling van de seizoenen is in volle gang. 


 


Wednesday, 30 July 2025

Kwijt

Wij nemen het leven niet serieus.
Eén ding staat vast: wij zullen ons nooit conformeren. De stad is ons jachtterrein, onze natuurlijke habitat. We zijn nachtdieren, stads guerilla’s, rebellen.

De dag betekent niets voor ons. Het zonlicht verwarmt ons niet, het brandt ons op. Wij kiezen voor de kilte van de nacht – daar waar we kunnen verdwijnen, ontwaken, bestaan. Als we honger hebben, stillen we die met slaap, met leegte.

We teren op wat ons verteert: woede, machteloosheid, verdriet.
We haten de ordelijkheid, de voorspelbaarheid, de gemakzucht waarmee anderen hun dagen verslijten.

Wij zijn de onaangepasten. De afgedankten. De verlorenen.
Wij zijn anders.
En we kunnen niet anders.


Wij zijn de kinderen van de toekomst. 

We worden verwacht, geprezen en geliefd.  Wat zijn onze lichamen perfect, is onze energie onuitputtelijk en onze schaterlach aanstekelijk. 

Wat worden we verwend en gekoesterd, wat wordt er veel van ons verwacht. We worden gekleed en gewassen, gewiegd en geprezen. 

We moeten onze ouders blij maken, onze buren jaloers en onze leraren trots.

We rennen, we spelen, we vallen en staan op en lachen door onze tranen. De dagen zijn vol en de nachten zijn veilig.

Kapotte knieën, snotterige neuzen, wapperende haren en onze stemmen op straat, in de zomer, wanneer de schemering net begint en we joelen, en lachen en schreeuwen.

Laat de dag niet stoppen. Laten we opblijven tot het echt niet meer kan.


Luister.
Hoor je het? Die kinderstemmen, dat gejoel, dat gelach, dat gefluister.
Je hoort ze – de voeten die de trap op en af rennen.

De wereld lacht.

Maar niet vandaag.
Ze sluit haar ogen. Schudt haar hoofd.
De kinderstemmen verstommen.

Vandaag nemen we afscheid.

En het is al zo vaak gebeurd.
Dat we afscheid namen. Niet één keer, niet twee keer –
Drie, vier, vijf, zes keer.

We zeggen: ja, dit zat eraan te komen.
We wisten het eigenlijk al lang.


Kijk! De zon gaat onder.


Voor Lars, Damien, Koen en alle anderen die we kwijt zijn.


I caught you knockin' at my cellar door

I love you, baby, can I have some more?

Ooh, ooh, the damage done

I hit the city and I lost my band

I watched the needle take another man

Gone, gone, the damage done

I sing the song because I love the man

I know that some of you don't understand

Milk blood to keep from running out

I've seen the needle and the damage done

A little part of it in everyone

But every junkie's like a settin' sun

Neil Young.


Thursday, 26 June 2025

Geschiedenisles

 We rijden langs de rivier die ons  naar het middeleeuwse dorp Auzon leidt. De weg leidt door het dorp, waar ik de afgelopen 35 jaar de etalages heb zien vervagen en waar de een na de andere uitbaterij zijn deuren sloot. Wat over is zijn vage letters op gevels en vergeten uithangborden. Vliegengordijnen  wapperen in de deur van het pand waar ooit de bakker van het dorp zat. De gordijnen zijn gesloten. Er is nog een café op een hoek, waar tegen de gevel een paar racefietsen staan, en waar binnen een formica bar zichtbaar is. De mannen aan  de bar kijken nieuwsgierig op wanneer wij langsrijden met onze rode Tesla. Ik steek mijn duim omhoog, een opgeheven hand wuift terug.

Dan begint de weg te kronkelen, we rijden omhoog, langs de rotswand waar, aan de rand van het dorp het kerkhof ligt. Enkele ijzeren kruizen weten nog net boven de stenen muur te reiken, maar al snel is er niets meer te zien.

Ik was hier ooit, in dit dorp, met mijn vader. Ik, een jaar of twintig, en mijn vader een fitte vijftiger. Gebruind en energiek, gekleed in een spijkerbroek en een t shirt. Mijn vader wist over elke streek, stad of dorp waar hij regelmatig kwam, een geschiedenisles te geven. Zo ook over Auzon. Het dorp met zijn vele architecturale stijlen, waar autorijden, dankzij de vele hoge en uiterst smalle straatjes bijna onmogelijk is. We zijn dan ook te voet, en mijn vader praat honderduit. Straks vervolgen we onze weg, verder door de bergen waar hij mij voor de allereerste keer het huis zal laten zien. 

Wanneer de Tesla de hoek omslaat beginnen we aan het bekende parcours, dat we hier al vele malen afgelegd hebben. De kronkelende bergwegen, die uiteindelijk zullen leiden naar het gehucht Malaure.

Ooit heeft mijn vader de bochten stuk voor stuk geteld. Het precieze aantal is me ontschoten, maar het waren er ruim honderd.  Hoger en hoger klimmen we. We passeren de bekende gehuchten: "Bonjour", "Saint Hilaire", en "Espeluches". In een wei liggen een paar crème kleurige koeien.

En dan, in een bocht, houden we in. Hier gaan we van de weg af. We rijden naar beneden, langs de oude boerderij, die toch werkelijk bewoond is, maar waar we zelden mensen zien, naar de kom, waar het huis verscholen ligt.

Hoe lang ligt dit huis, deze gebouwen, waarvan een watermolen de hoofdrol speelt, en die een kleine commune met elkaar vormen, al berustend te wachten? Hoeveel bewoners heeft ze al zien komen en gaan? De immense Lindenboom die over het huis lijkt te waken, ritselt een zacht welkom als we de auto uitstappen.

En dan banen we ons een weg over het erf. We maaien het hoge gras weg met onze handen, we verschuiven het mos, dat op de traptreden groeit, en we openen de deur. We openen de luiken. Spinrag veegt over onze gezichten en dode insecten vallen uit de raamsponningen wanneer ik alle ramen stuk voor stuk opendoe. 

Het huis lijkt lankmoedig toe te kijken. Het is zo oud en moe, dat het een oog gesloten houdt. 

Wachtte mijn vader ons hier kort geleden nog breed glimlachend op, nu is het huis leeg, en lijkt het zich te hullen in stilte, eenzaamheid en, wellicht een tikje heimwee. 

Ik loop naar beneden, naar de beek. Dat was ook altijd het eerste dat mijn vader deed. En misschien deed de molenaar dit honderd jaar geleden ook, om te zien hoe hoog de waterstand is.  Hier, in de beek hebben we de as van mijn vader uitgestrooid. Het water is glashelder, met flonkerende stenen onder het wateroppervlak. Dit was de plek waar mijn vader kon ademen, waar hij gelukkig was.

We luchten de bedden, en vegen de vloer. Het hout kraakt, en in de tuin hoor je de lakens wapperen in de wind. We maken alles in gereedheid voor ons verblijf hier. 

En langzaam komt het huis weer tot leven.