De takken van de boom hangen neerslachtig naar beneden. De kerstdagen zijn voorbij. Er was zelfgemaakte paté, gekonfijte eend en er waren cadeautjes. En er waren herinneringen.
Kerst is de tijd van het jaar waarin de geesten dichterbij komen; ze glippen onze verwarmde huizen binnen. Elk jaar zijn het er meer: geliefden die ook dit jaar weer ontbreken. Dat stille gevoel van heimwee hoort bij kerst en sluipt langzaam naar binnen zodra de kerstboom staat. Want in die doos met kerstspullen bevinden zich niet alleen decoraties, maar ook stukjes verleden die ik elk jaar opnieuw voorzichtig aanraak. Kleine relikwieën.
Een zelfgemaakte kerstkaart van mijn moeder, -de laatste die ze geschreven heeft-, en een gehaakt poppetje dat zij ooit heeft geknutseld, om in de kerstboom te hangen. En het porseleinen engeltje dat afkomstig is uit de kerststal die vroeger bij ons thuis stond. De dieren en het kindje Jezus inclusief de kribbe, zijn allemaal verdwenen. Enkel het engeltje is overgebleven; zij vouwt haar handje devoot in haar schoot, en houdt haar ogen gesloten.
Die kersstal fascineerde mij enorm toen ik klein was; de koe en het schaapje, de figuurtjes om de kribbe heen. Maar mijn moeder wilde liever niet dat ik er mee speelde; het was om naar te kijken, en het hoorde onder de boom.
De kleine kersstal met mos op het dak, was een overblijfsel van mijn moeders katholieke opvoeding. Het was het enige wat in stand was gebleven, want het geloof had ze allang afgezworen.
De heilige betekenis van kerst ontging mij dus ook volledig als kind. Maar ik was wel onder de indruk van de lichtjes, de plastic kerstman, de kerstversieringen, en de liedjes die we zongen in de klas. De liedjes die je netjes uit je hoofd leerde, maar waarvan je weinig begreep: "Hij komt van al zo hoge, van al zo veer". En deze, die vond ik het mooiste: "Hoe leit dit kindeke hier in de kou, Ziet eens hoe alle zijn ledekens beven"
Ik vond het een zielig liedje.
Dicht tegen kerst, sloot de juffrouw de gordijnen en deed ze alle kaarsjes aan, en dan gingen we zingen. Die typische geur van kaarsvet in combinatie met die van dennennaalden brengt mij altijd weer terug naar dat klaslokaal.
Heel soms gingen we rond de kerst naar Limburg, naar het dorp waar mijn moeder geboren is. Daar kon je een levende kersstal bezichtigen; met echte dieren; een koe, een schaap en een ezel. Maar we gingen niet mee naar de nachtmis. Dat vond mijn moeder te ver gaan, en mijn vader wilde er al helemaal niets van weten.
Maar onderweg naar huis, vertelde mijn moeder wel altijd met heimwee in haar stem over de kerstvieringen van vroeger, toen haar vader nog leefde. Haar ogen begonnen te glanzen wanneer ze sprak over De mooiste tijd van het jaar. "Als we terugkwamen van de mis had mijn moeder een lange tafel gedekt, en sneed mijn vader het kerstbrood aan".
Ik mis mijn vader en mijn moeder. Ik mis mijn jeugdvriendin, die op tweede kerstdag jarig was. Ik mis ze zo dat ik me soms niet meer herinner hoe ingewikkeld kerst ook kon zijn: gescheiden ouders, ruziënde schoonmoeders, een dochter die wegbleef. Dat gevoel dat het net niet goed genoeg was, zelfs als ik dagen in de keuken stond, en hopeloos de stemming probeerde te verbeteren.
De kerst is over, het is bijna Oud en Nieuw. Ik kan de staat van de kerstboom haast niet meer aanzien.
Binnenkort haal ik de kerstdoos weer tevoorschijn.
En dan stop ik alles weer weg.