Monday, 22 June 2026

Twee geliefden

De merel zingt. Het is al half elf, maar het is nog steeds licht, alsof de dag zich niet gewonnen wil geven. Het is warm. De merel zingt. Het complex van tuinen is zijn arena. Het punt bovenop het dak is zijn podium. De aria’s die hij zingt lijken ons niet alleen te behagen, maar ook zachtjes te herinneren aan de zomer die altijd te snel voorbijgaat.

En wat voor zomer. Zo driftig warm en zo groen heb ik het in jaren niet meegemaakt. De begroeiing in mijn tuin is weelderig. Ik ontdek bloemen, planten en insecten die ik niet eerder heb gezien. En dan de vogels: de glanzende mysterieuze kraai, de plompe dikke duif, de kittige eksters en de frivole groene papegaaien. Ze vieren de zomer en vormen een bewegend tableau vivant — een schouwspel dat zich dagelijks in mijn tuin afspeelt.

En dat, hier in het zompige, saaie, aangeharkte Nederland. Het nuchtere, naar spekjes en boerenkool geurende land dat neigt naar ordelijkheid, reglementen, buurtpreventie en correct in het vak geparkeerde, schoongewassen auto’s. Een land dat soms zo netjes is dat het bijna verstilt.

Goddank dat ik dicht in de buurt woon van mijn geliefde Amsterdam, waar de burgerlijke ongehoorzaamheid hoogtij viert, de mensen raar zijn en de etalages gevuld zijn met nutteloze voorwerpen. Waar in de vervuilde grachten zwanen zwemmen en waar de waterhoentjes hun nesten bouwen van lege chipsverpakkingen en ander zwerfvuil. Waar de straten te druk zijn en de gebouwen zo dicht op elkaar staan dat de hemel nauwelijks zichtbaar is.

En terwijl ik hier ben, ben ik in gedachten ook in Frankrijk. In het oude huis dat mijn vader ons heeft nagelaten. Mijn hart doet pijn, want ik heb mijn hart verloren aan twee geliefden. Twee geliefden die zo verschillend zijn dat er niet te kiezen valt.

De stilte en soms norse, veeleisende natuur in Frankrijk geven niks om mij, net zo min als de arrogante, chaotische stad. Dat ik van beiden houd, is mijn eigen probleem. Zij hebben mijn liefde niet nodig. Ze lachen om mijn heimwee, mijn verscheurde hart en mijn verwoede pogingen om ze beiden voldoende aandacht te geven en ze de hemel in te prijzen.

Ze kijken geringschattend op mij neer.

Ik vraag me werkelijk af of er enige wederkerigheid in deze liefde is — of dat ik slechts toekijk en voel, terwijl zij onverstoorbaar blijven.

Ik heb de deuren naar de tuin open en klamp me vast aan dat kleine stukje natuur waarin ik mag dromen. Dromen van Frankrijk, waar het domein staat waar ik me nietig en klein voel. Waar de nachten gevuld zijn met geluiden die ik niet kan thuisbrengen, waar de wezens uit het bos soms tevoorschijn komen, om mij even te laten voelen dat ik alleen maar een passant ben.

Stoer kijkt de hertenbok vanuit het gebladerte op mij neer.Stil ruisen de duizenden blaadjes van de eeuwenoude lindenboom. Keihard knettert het onweer. Ik voel me als geliefde zo nietig, zo onwaardig.

Wat kan ik betekenen voor dit prachtige gebied, en wat kan ik betekenen voor mijn oude, cynische Amsterdam.

Ik vraag me werkelijk af of er ooit enige wederkerigheid in deze liefde bestaat, of dat ik blijf verlangen naar iets dat mij nooit zal beantwoorden.