Monday, 10 June 2013

Onrust

"Onrustige cellen" zegt de gynaecoloog door de telefoon.
"Zorgwekkend" zegt de gynaecoloog. "Preventief opereren" zegt de gynaecoloog.
"Niet te erg schrikken" zegt hij tenslotte nog, en komt u morgen even tussendoor bij mij langs. Misschien is het verstandig als uw man meekomt"
Dan hangt hij op.
De dag ziet er ineens anders uit. De zon schijnt anders, de tuin oogt anders, de muziek klinkt anders
 en mijn koffie smaakt anders.
Ik voel me niet ziek. Ik zie er gezond uit. Al een beetje gebruind omdat het eindelijk zomer is geworden. Nog maar vier weken en dan gaan we op vakantie. Drie weken naar Griekenland met twee van onze kinderen.
Of.. misschien gaan we niet meer op vakantie. Ik denk eigenlijk van niet, want de gynaecoloog had het over "er op tijd bij zijn".
Ik bel mijn lief, dan bel ik mijn vader en mijn moeder en mijn beste vriendinnen.
Als mijn zoontje binnenkomt zit ik ineens te huilen en heel raar te trillen. Ik weet niet waarom. Ik weet namelijk niet precies wat ik voel of wat ik moet denken.
Drie zwangerschappen heeft mijn lijf doorstaan. Mijn kleine lijf. Alle drie keer was ik kogelrond. Zo rond dat men steeds vroeg: hoeveel kindjes zitten er eigenlijk in jouw buik?
Ik vond het vreselijk om zo uit te dijen. Ik kon niet wachten tot ik mocht gaan bevallen. Drie keer was ik de gelukkigste persoon op aarde op het moment dat ik mijn baby vasthield.
Zij heeft haar dienst bewezen, die baarmoeder van mij. Ze is niet meer nodig. Ze moet er uit want anders gaat het misschien helemaal verkeerd. Dat zeg ik maar tegen mezelf.
"Wat gaat u allemaal weghalen?" vraag ik de dokter. "In principe halen we alles weg, maar we laten een gedeelte van de eierstokken zitten, anders komt u plotseling in de overgang".
In een kort ogenblik zie ik mezelf als een verschrompeld oud vrouwtje. Uitgehold van binnen.Mijn gedachten dwalen af.
Maar dan zegt de dokter weer iets en luister ik aandachtig naar wat hij me nog meer te vertellen heeft. Ik wil wel overkomen als een oplettende patiente.
Het is een hoop informatie en het is onwerkelijk, maar mijn mentale opname apparatuur staat op scherp en ik registreer alles wat me wordt medegedeeld.
Eenmaal thuis lees ik op internet dat de verwijdering van de baarmoeder "meestal" niet leidt tot een veranderde seksualiteit.
"Sommige vrouwen kunnen het samentrekken van de baarmoeder missen tijdens het orgasme"
Ik weet niet goed wat ik met deze informatie aan moet.
Er worden nog veel meer twijfelachtige voorspellingen gedaan. Ik word er een beetje misselijk van. Ik klik de site weg en probeer mijn verstand op nul te zetten.
Nadat we het nieuws min of meer verwerkt hebben, besluiten mijn lief en ik nog even een weekend weg te gaan met z'n tweetjes. We zijn bovendien 13 jaar getrouwd. Dertien jaar.
Het is prachtig weer en gedurende de autorit kijk ik naar buiten. Ik word stil van alles wat ik voorbij zie komen. Schapen met kleine wollige lammetjes. Koeien die rare bokkesprongetjes maken met zwabberende uiers. Tientallen schakeringen groen. Sappig gras en fladderende blaadjes aan struiken en bomen. En op een bepaald moment zie ik zelfs een paar hertjes tussen de bomen.
De wereld buiten ziet er vrolijk uit. Het leven gaat gewoon door. Ik ben er bijna verbaasd over.
Mijn lief en ik. We hebben samen al veel doorstaan.
En nu dit.
Er is geen waarom. Er is geen gelegenheid tot vragen stellen. Het is zoals het is.
Dit afgelopen weekend. Ik was me zo bewust van alles dat ik er al bijna op terug keek.
Nu is het maandag, ik tel de dagen nog een keer tot de operatie.
Nog even en dan is het ergste voorbij.




Friday, 31 May 2013

Meisje

Ze lijkt zo klein en zo kwetsbaar als ik haar achterlaat.
Mijn hart wiebelt even.Ik kijk om en zie haar zitten. Ze steekt haar hand op en wuift naar me; dag mama!
Die grote blauwe ogen die me even onzeker aankijken en dan dapper de andere kant opkijken.

Ik denk aan vroeger.
Ik kam haar haren, we eten samen Brinta.
Een zonnige ochtend in Amsterdam. Haar kleine zachte mollige handje in de mijne, haar eend in de andere.
We trekken de voordeur dicht en zeggen dag tegen de katten. Dan gaan we op weg.
Zij heeft rode wangen en ze zingt.Het is een zelf bedacht liedje.
Bij de deur van het ouderwetse schoolgebouw kijkt ze me wantrouwend aan. "Mama blijft bij je?" zegt ze terwijl ze mij vragend aankijkt.
Ik slik en we lopen de trap op waar de peuterspeelzaal is.. Het ruikt hier naar potloden, die typische geur van school.
Bij het lokaal aangekomen begint ze onhandig haar jasje uit te trekken. "Mama ook" zegt ze terwijl ze aan mijn mouw trekt.
Dan lopen we het lokaal in.
Ik ga even bij haar zitten en we maken samen haar favoriete puzzel. Het is een puzzel met circusdieren; een zeehond met een bal op zijn neus, een raar aapje met een hoed op en een circuspaardje met een clown op zijn rug.
Zij vindt de aap het leukste en ze moet lachen als ze hem herkent.
Dan rinkelt er een belletje. Dat betekent dat de mama's en papa's weg moeten. Meteen schuif je de puzzel weg en klemt jezelf tussen mijn benen. Je grijpt je vast aan mijn jas en duwt je gezichtje tegen mij aan.
De peuterjuf ziet het gebeuren en probeert je bij je handje te pakken. Ik moet je van me losscheuren. Ik voel me vreselijk. Tranen lopen over je nu vuurrode wangen en je stikt bijna in je geschreeuw:" Mama, mama!!" Ik twijfel.
"Je moet nu gaan", zegt de peuterjuf streng tegen mij.
"Mama komt je zo weer halen schatje" zeg ik en dan loop ik weg. Met tegenzin.
Ik loop de trap af en ga naar buiten. Voor de deur blijf ik staan en ik kijk omhoog.
Je staat voor het raam en steekt dapper je handje in de lucht en zwaait. Ik blijf even staan en pink een traantje weg.

Het gevoel is hetzelfde gebleven. Het brok in mijn keel zit er weer, net als vijftien jaar geleden.
Ik wil het liefste blijven. Maar toch ga ik weg, net als vroeger.
Ik heb jou altijd het vertrouwen willen geven dat ik weer terug zou komen.
Tot je op een dag zelf wegging en ik niet wist waar je was of dat je ooit nog terug zou komen.
Maar niet al te lang geleden was je ineens niet meer boos op me. Ineens was je er weer.
Al die jaren die we verloren hebben, al die gaten die er zijn gevallen. Dingen die we vergeten zijn. Hele weken, maanden zijn verdwenen. Herinneringen zijn als heliumballonnen de lucht in gedwarreld.
Hier en daar is soms nog een gekleurd stipje te zien.
Maar de herinnering aan dat kleine blonde meisje is altijd zo sterk gebleven.
Dat kind wat ik mijn hart zit. Dat kind wat mijn dromen beheerste.
Ik ben bijna dood gegaan van verdriet omdat ik haar kwijt was.
Durfde geen fotoalbum in te kijken omdat het zoveel pijn deed.
Vandaag weet ik dat ze er nog steeds is. Dat ze nooit echt weg zal gaan. Ze kan mij immers net zo min missen als ik haar.
Ik heb lang gedacht dat ik haar verloren had. Dat ik een hele slechte moeder was.
Maar ze is weer bij me terug gekomen.
En ik hoop dat ze nu zal blijven.





Monday, 13 May 2013

Tante Jeanette


Omdat ik een onzekere puber was waar niets mee te beginnen was, bood mijn tante Jeanette aan om mij een poosje in huis te nemen. Om mijn ouders te ontlasten en mij wat op te vrolijken.
Tante Jeanette was een heel ander type dan mijn moeder.
Ze was heel slank. Had hele lange nagels (die mij enorm fascineerden) en droeg hele modieuze kleding. Vaak korte rokjes en laarzen die tot aan haar knie kwamen.
Ook had ze altijd make up op en ging ze vaak naar de kapper voor een nieuwe coupe. Tante Jeanette rookte mentholsigaretten en dronk 's middags sherry.
Ik keek een beetje tegen haar op. Ik vond haar geweldig.
Tante Jeanette zag er uit alsof ze zo uit een Frans modeblad was gestapt. 
Toen ze eens langs kwam op een verjaardagsfeest van een van mijn ouders kwam ze mijn kamertje binnen.
Ze vroeg waarom ik niet in de kamer kwam zitten, bij de visite.
Ze zei dat ze mijn muziek veel leuker vond dan de jazz die mijn vader op had gezet.
Natuurlijk was ik gevleid, maar tegelijkertijd voelde ik mij ook ongemakkelijk. 
Als wantrouwig meisje wist ik niet wat ik met haar aandacht aan moest.
Ze pakte mijn hand en zei op geheimzinnige toon: Het wordt tijd dat je maar eens gewoon "Jeanette" gaat zeggen in plaats van "tante".
Jeannette vond het leuk om met mijn vader te flirten. Soms ging ze gewoon bij hem op schoot zitten. Mijn vader werd dan verlegen.
Tante Jeanette woonde in een bungalow in Nieuw Vennep. De bungalow was heel luxe en hip ingericht.
Ik vond de strakke, sobere strakke lijnen in het interieur prachtig. Jeanette was getrouwd met de jongste broer van mijn vader. een goed uitziende succesvolle zakenman. Ze hadden twee zoontjes die het plaatje helemaal perfect maakten.
Ik denk dat ik vijftien was toen ik een paar weken bij Jeanette mocht logeren. Het was prachtig weer en de glazen schuifpui stond open zodat we zo op het gras konden gaan liggen. Jeanette had er ligbedden staan. Ze droeg een zwart badpak met een omslagdoek en had een grote donkere zonnebril op.
Het leek wel een Hollywood film.
Jeanette zei dat je er sexy uit ging zien als je huid bruin was. "Wist je dat je zelfs anders ruikt als je zongebruind bent?"
'S middags gingen we samen winkelen in het overdekte winkelcentrum van Niew Vennep. Alles leek hier perfect, op maat gemaakt en aangeharkt.
Heel anders dan de overvolle straat in Amsterdam waar ik woonde, waar hondepoep op straat lag en open gescheurde vuilniszakken.
Tegen vijf uur schonk Jeannette een sherry voor zichzelf in en vroeg aan mij of ik ook iets "sterks" wilde drinken. Toen liep ze naar de boekenkast en plukte er een pocketboekje uit. "Dat is wel iets voor jou", gniffelde ze.
Het boekje ging over de pornografische avonturen van een alleenstaande vrouw die een reis door Europa maakt. Het was een schokkend verhaal waar mijn oren heel warm en vuurrood van werden, en mijn mond droog.
'S avonds keken we samen naar een film en babbelden.
Toen ik s' avonds in het logeerbed lag kwam ze even naar me toe.
Ze ging naast me zitten en pakte mijn kin vast. "Weet je, zei ze, je bent zo'n mooi meisje. Je hoeft helemaal niet onzeker te zijn. Binnenkort staan de jongens voor je in de rij. Let maar eens op".
Ze kwam zo dicht bij mijn gezicht dat ik de geur van sherry en mentholsigaretten kon ruiken. Ik vond het vervelend als ze zo dichtbij kwam, want ik was bang dat ze zou ontdekken dat ik eigenlijk helemaal niet mooi was. Dat ik door de mand zou vallen en dat ze me dan niet meer leuk zou vinden.
Jeannette zat vaak alleen in de grote bungalow. Mijn oom was regelmatig wekenlang op zakenreis. Dan zat ze in de mooie, moderne woonkamer. Tot ze voor de televisie in slaap viel.
Een jaar of drie nadat ik bij haar had gelogeerd, gingen mijn oom en zij uit elkaar. ze verhuisde samen met de kinderen naar een andere woning in Hoofdorp.
Ze raakte volledig ontredderd en ging meer drinken. Op een gegeven moment sloot ze zichzelf op in haar slaapkamer. Af en toe riep ze de jongens en stuurde een van hen de deur uit voor een fles drank en een fles azijn. Een fles om dronken te worden, en een fles om weer nuchter te worden. de jongens werden bang voor haar en durfden niet meer in de buurt te komen van de kamer.
Na een tijdje greep mijn oom in en de jongens kwamen weer bij hem wonen.
Ik was 21 toen mijn oom  me vroeg of ik op de jongens wilde passen omdat hij naar Amerika moest voor zijn werk.
Het was raar om weer in de bungalow te zijn, zonder Jeanette.
Het was lastig voor mij om op mijn twee neven te passen die inmiddels ruim een kop groter waren dan ik. Ze scheelden maar een paar jaar met mij en veel overwicht had ik niet.
Intussen werd de situatie steeds slechter. Jeannette redde het nog een paar jaar en werd toen gevonden in haar huisje, een kleine huurwoning in Amsterdam. Er lagen meer dan 25 lege drankflessen.
Mijn moeder had de politie gebeld omdat ze het niet vertrouwde.
De begrafenis was sober, er was geen koffie en geen cake. Een handjevol mensen slenterde door de regen achter de kist. Op gepaste afstand omdat het lichaam te lang in huis had gelegen.
De twee jongens liepen voorop met gebogen hoofd. Twee stille bleke figuren met Nike air sneakers en verschoten jeans.
Mijn jongste neef kwam daarna een tijdje bij mij in huis wonen. Ik probeerde voor hem te zorgen. Maakte zijn brood en kookte voor hem. Ik ging met hem mee naar de kaakchirurg en hield zijn hand vast. Zijn trillende klamme hand.
Met mijn oudste neef had ik steeds minder contact.
Weer een paar jaar gingen voorbij toen ik wakker werd gebeld door mijn vader.
"Je neef is dood" zei een stem. "Hij is in Amsterdam van een flatgebouw gesprongen".
Het voelde alsof iemand me naar beneden sleurde, een laag modder en vuiligheid in. Alsof ik ondergedompeld werd in smurrie en er bijna in stikte.

Het heeft mij iets geleerd over de betrekkelijkheid van dingen, over gras dat groener lijkt. Over hoe schijn bedriegt. Over het leven en al zijn hardheid, zijn geveinsde schoonheid en zijn bitterheid.
Maar binnen dat leven heeft Jeanette mij een stukje houvast weten te bieden.
Ze nam me serieus toen ik het hard nodig had.
Ze leerde me iets over stijl, smaak en lef.
Ze pakte mijn kin vast en dwong me in mijzelf te geloven.
En dat neemt niemand me ooit af.


Tuesday, 23 April 2013

Mijn eiland

Ik woon op een eiland.
Een eiland in de Zaan. Waar ik woon is de rivier op z'n breedst.  Het waait hier altijd. Op de railingen van de twee bruggen die de verbinding naar de stad vormen zitten altijd meeuwen. Kleine venijnige exemplaren met zwarte prikoogjes en rode snaveltjes, en hele grote arrogante types met lichte ogen en vervaarlijke kromme haken aan hun grote gelige snavel.
De eendjes die ik zo schattig vind zijn ondergeschikt.Ze hebben moeite een stukje brood te bemachtigen ook al doe ik mijn best vooral op hun te mikken.
Zo gauw ik een stukje brood gooi duikt er een schreeuwende meeuw in duikvlucht op af.
Meeuwen maken de indruk alsof ze neerkijken op de eendjes die er uitzien als vriendelijke dobberende bootjes met veren. Ze pikken het brood onder hun neus vandaan of achtervolgen ze met luid geschreeuw.
Waterhoentjes worden nog slechter behandelt. Eerlijk gezegd dwingen deze zwarte onnozelaars ook weinig respect af met hun dommige gedrag. Talloze malen worden ze pardoes platgereden omdat waterhoentjes gewoon nergens notie van nemen. Ook niet van grote vrachtwagens. Zelfs niet als ze heel hard toeteren.
Als ik verder loop kom ik de man met de hondjes tegen. De man ziet er uit alsof hij overgetrokken is uit een van de Fiep Westendorp tekeningetjes uit het grote Jip en Janneke boek.
Het is een grote man met een vierkant lijf. Zijn neus is rood en in de winter hangt er steevast een druppel aan.
De man kijkt niet erg vrolijk.
Hij loopt met een houterige tred. De hondjes zitten aan de lijn.
Soms zijn het twee hondjes, en soms drie. Ik vermoed dat de man af en toe ook het hondje van de buurvrouw meeneemt.
De hondjes lopen braaf met de man mee. Het zijn hondjes op leeftijd. Een oude Huskey en een klein vosachtig hondje met een krullende pluimstaart. Het gelegenheidshondje is een oude zwart witte Cocker Spaniel met dikke voeten.
In de jachthaven liggen plezierjachtjes en ook een paar oude schuiten. Twee van de schuiten worden stiekem  het hele jaar bewoond. Op de ene schuit staat "Lente" geschreven.  Ik vind dat een mooie naam voor een boot. Ik weet niet precies waarom.
Verder wandelend passeert mij de "wandelman" Hij lijkt op Freek de Jonge. Hij is al wat ouder maar nog steeds erg alternatief. Hij draagt eenzelfde montuur als de cabaretier en kleren die ofwel bij de Kringloopwinkel vandaan komen ofwel van een hele dure winkel in de Utrechtse straat in Amsterdam. De wandelman kijkt mij altijd in de ogen. Ik weet niet of ik hem moet groeten. Het is een rare situatie want ik kom hem steeds tegen (net als de man met de hondjes) maar we zeggen niets tegen elkaar.
Het is niet dat ik niets tegen de man wil zeggen, maar het lijkt me vreemd om ineens uit het niets "hallo" te zeggen. Daarom kijk ik meestal maar naar mijn schoenen als de man passeert.
De wandelman heeft lang grijs haar wat in slierten om zijn gezicht hangt. Meestal wandelt hij, maar soms doet hij een poging tot joggen.
Dan is er nog de mevrouw met de Nordic walking stokken. Een kordaat, sportief type met een Noorse trui en een knot.
Vaak zie ik haar al 's ochtends vroeg stevig doorstappen wanneer ik mijn zoon naar school breng.  Diep binnenin geneer ik me dan omdat ik soms overweeg nog even terug te gaan naar bed.
Als het zomer is wordt er in de Zaan gezwommen. Dan wapperen er 's avonds altijd vergeten handdoeken op de brug. Soms liggen er ook sokken, of een enkele keer een broek.
Als je in de Zaan wil zwemmen moet je wel een beetje dapper zijn, want ondanks dat het water gezond genoeg is om in te zwemmen,  varen er wel grote schepen doorheen. Olie spiegelt op de kleine golfjes waar ook lege blikjes, lekke voetballen en plastic afval op drijft.
Ik ben altijd een beetje bang voor het donkere wateroppervlak waar zich van alles onder kan begeven. Fietsenwrakken, wezens met grote tanden, of ontbindende lijken in koffers. Of eenvoudigweg griezelig grote glibberige karpers met dikke lippen die belletjes blazend langs je tenen zwemmen.
Vroeger kon men van de Havenstraat naar het eiland varen met een klein pontje. Op het eiland bevond zich ooit een zwembad waar de Zaankanters graag een baantje trokken. Het pontje heette"Het pontje van Schaap" en was met kettingen aan de walkanten bevestigd.
Toen ik net op het eiland woonde, hoorde ik van een oude bewoner van de Havenbuurt dat het pontje eens zo scheef kwam te handen dat het kapseisde. Er was een dame met een fiets aan boord en het kindje wat voorop zat viel en verdween onder water.
Er onstond enorme paniek. De kapitein van het pontje deed nog een reddingspoging maar het was te laat; het kind was in de schroef van het veerpontje terecht gekomen.
Wanneer ik kinderen in de Zaan zie zwemmen moet ik daar altijd aan denken.
Aan dat kleine kind op de bodem van de rivier.
Het begint lente te worden en de bomen bloesemen fanatiek. Rose bloesem die onwerkelijk afsteekt tegen de lucht die op sommige plaatsen blauw is en in de verte zwart van de regen.
Bijna tien jaar woon ik hier nu. Mijn lijf deed pijn van de heimwee toen ik hier kwam te wonen. Ik moest wennen aan de stilte. Deed de radio uit om er naar te luisteren in het begin.
Nu ben ik gewend aan de stilte, en ook aan de wind, het water en aan de meeuwen. Zelfs aan de typische geur van cacao. Ik ken alle figuren die bij de buurt horen.
En als ik op mijn dakterras ga staan en ik kijk heel goed, dan zie ik in de verte Amsterdam.







Friday, 12 April 2013

Snuitje

 Vier jaar moet ik geweest zijn. De kleuterschool was bij ons om de hoek en ik mocht alleen naar huis lopen.
Soms durfde ik niet alleen over te steken, mama had me gezegd dat ik dan aan een aardige oude mevrouw moest vragen of zij me wilde helpen.
Ik opende de voordeur met het touwtje. Mama stond in de keuken. Daar stond ze meestal. Ik weet niet wat ze daar allemaal deed, maar ze deed het meestal luidkeels zingend.
Toen ze me binnen hoorde komen stopte ze even met zingen en riep vrolijk dat ik maar gauw in de voorkamer moest gaan kijken.
 In de Helmersstraat in Amsterdam hadden wij een voor- en een achterkamer.
De voorkamer was de zit- en eetkamer.Die grensde aan de straatkant. De achterkamer grensde aan de tuin. Mijn vaders bureau stond er; een groot zwaar ding wat volgens mijn ouders "geld waard was". De grote bureaustoel had een kapotte leren zitting en de rug had houten spijltjes waar ik als kind altijd doorheen gluurde alsof het een venstertje was. De meubels in huis hadden ieder een eigen indentiteit.Ze waren bijna allemaal oud en een beetje stuk, er zaten hele verhalen aan vast waardoor ze stuk voor stuk persoonlijkheid hadden ontwikkeld.
De deur van de woonkamer stond open en toen ik naar binnen keek zag ik hem voor de kachel staan; een hele grote rieten mand.
Even bleef ik stilstaan, terwijl mijn hart dat ook deed.
En toen zag ik iets bewegen in de mand. 
Een klein bruin lijfje lag daar, tussen wat zachte lappen te ademen.
Ik zette een paar stappen naar de mand toe en toen werd het lijfje wakker, een snuitje werd over de rand gestoken. Een bruin snuitje met slappe oren en glanzende ogen met lange wimpers. Een lachend snuitje.
Toen het snuitje mij zag  kwam het wiebelig overeind en stapte over de hoge rand van de mand heen.
Onhandig, slaapdronken, met een lijfje wat van kop tot staart kwispelde.
Ik ging op de grond zitten en opende mijn armen. Een innige omhelzing volgde. Een omhelzing die zo intens was dat we ons samen achterover op de vloer lieten vallen .
Onze grote hond Flippie, stond er naast en keek kwispelend toe.
Mijn moeder was nu ook de kamer binnen gekomen, een glas en de theedoek nog in haar handen.
Dit is de kleine Pancho, zei ze glimlachend. 

Pancho rook naar benzine en zijn vachtje zat onder de smeer en olie vlekken. Hij had zijn eerste levensdagen door gebracht in de oude loods aan de Kostverlorenkade. "Het Loodsje" zoals mijn ouders die mysterieuze plek noemden.
Toen ik heel klein was dacht ik dat mijn vader daar werkte. Later ontdekte ik pas dat hij daar voor de lol aan auto's sleutelde en dat hij eigenlijk leraar van beroep was.

Pancho werd mijn grote vriend. Mijn grote trouwe bruine vriend die altijd vrolijk was en in voor een knuffel.
Pancho was geen gewone hond. Hij kon met ons communiceren door een soort wolf achtig gehuil voort te brengen. Dat deed hij als hij blij was, of als je hem prees. Dan gingen zijn ogen nog meer glanzen en lagen zijn slappe oren plat op zijn kop.
Pancho was een mensen hond. Hij was vooral gek op kleine kinderen en oude mensen. Vriendelijk schuurde hij zijn lijf tegen je aan en als je voor hem ging zitten likte hij je wangen.
Flippie was zijn vriend, en toen deze bij een ongeval omkwam wilde hij niets met andere honden te maken hebben.
Hij gromde naar andere honden en liet zijn tanden zien.
Hij hield gewoon meer van mensen dan van andere honden.
Hij mocht van mijn ouders op de bank zitten en deed een poging net als een mens op zijn achterwerk te zitten. In de auto zorgde dat voor een hilarische aanblik. Zittend op zijn achterwerk bewoog hij als een coureur mee wanneer er een scherpe bocht werd gemaakt.
Toen ik een kind was kon ik alles tegen Pancho zeggen en ik voelde dat hij me begreep. Als ik verdrietig was mocht ik tegen zijn bruine rug aanhuilen. Als ik voor hem ging zitten sloeg hij zijn poten om mijn nek.
Omdat Pancho zo agressief tegen andere honden was besloten mijn ouders hem te laten castreren. Mijn vader vond het vreselijk en durfde de hond na de operatie nauwelijks onder ogen te komen. 
Maar het enige wat de operatie opleverde was dat Pancho aanleg ontwikkelde om dik te worden.
Hij was een enorme snoepkont en een liefhebber van kaas, worst en andere lekkernijen, zo gebeurde het regelmatig dat er iets van de ontbijttafel verdween als je even niet oplette.
Zijn rug werd steeds breder, en hij werd ook steeds luier. Omdat hij er zelf niet goed bij kon liet hij zich graag op dat ene plekje op zijn rug stofzuigen en je mocht er ook met je vlakke hand op slaan. Dan ging de jeuk over.
Een winter werd het ontzettend koud.
Zin om te wandelen had Pancho steeds minder en bij de ingang van het Vondelpark bleef hij zitten, tot hij weer terug mocht naar huis.
Het duurde even tot we ontdekten dat hij pijn aan zijn poten had.
Wandelen ging steeds moeizamer en werd op den duur een kwelling.
Bij de dierenarts werd het duidelijk; Pancho had kanker aan zijn botten en kon niet meer beter worden.
De dierenarts waar hij zo bang voor was. Zo bang dat we over moesten steken omdat hij er niet langs durfde te wandelen.
Ik was zestien toen mijn vader hem vanaf ons huis naar de dierenarts droeg.
Het trieste silhouet van die huilende man met die zware hond in zijn armen.
In gedachten heb ik dat keer op keer gezien.
Pancho was mijn vriend. Hij was onze vriend, ons gezinslid.
Af en toe komt hij nog voorbij in mijn dromen.
Dan zie ik zijn lachende snuit, hoor zijn wolfachtige huil. Zijn prachtige pluimstaart kwispelt.
Hij komt af en toe even voorbij, want ergens is hij nog steeds in de buurt.
Ergens tussen inslapen en ontwaken.




Thursday, 14 March 2013

Een liefde en een eend

De rode eend was helemaal volgepakt. Op de achterbank lag een stapel jassen die niet meer in de achterbak had gepast. Er bovenop lagen boeken en knuffelbeesten.
Er was nog net plaats voor mijn bijna vierjarige dochter, een klein mollig poppetje met lichtblond krullend haar.
Ze had haar knuffeleend op haar knie en met gebogen hoofd zat ze tegen hem te praten. Die eend en zij waren onafscheidelijk.
Ik rende nog eenmaal naar binnen, keek om me heen, groette de katten en het konijn, en deed toen de deur achter mij op slot.
Mijn zus stapte achter het stuur en ik stapte naast haar in.
De deux chevaux wiegelde zoals het een echte eend betaamt even naar rechts en daarna naar links en hervond toen zijn balans.
Toen gingen we op weg naar Frankrijk, naar het huis van mijn vader.
De weg duurde erg lang. Omdat we geen tol wilde betalen reden we alleen maar over binnenwegen en af en toe kwamen we vast te zitten achter een tractor of een groep wielrenners.
Halverwege brachten we de nacht door in een chambre d' hotes.
Ik miste je. We waren nog niet zo lang samen en ik voelde de afstand tussen ons knagen aan mijn hart.
Ik weet niet precies hoe lang het zou duren voor je ook zou komen, een paar dagen vermoed ik, maar jouw afwezigheid deed me naar adem happen.
Toen we ongeveer nog een uur van het huis van mijn vader verwijderd waren miste mijn zus een afslag en reden we verkeerd.
Plotseling bevonden we ons ongewild op weg naar Le Puy, de hoogste berg van de Auvergne. De weg was steil en onze zwaar beladen eend verloor steeds meer snelheid. We werden achter elkaar ingehaald door andere weggebruikers. Gefrustreerde Fransen die vloekend naar hun voorhoofd wezen terwijl ze ons toeterend passeerden.
De schemer zette in en de bergketens doemden vervaarlijk op.
Uiteindelijk kwamen we weer op de goede weg. De grote wegen maakten nu plaats voor kleine slingerweggetjes, en we bleven opnieuw klimmen. Na een tijdje verdwenen de dorpen en de meeste huizen en was er niets over dan landschap; struikgewas en bergen. Al spoedig reden we de oprijlaan van het huis van mijn vader op. Een grote oude watermolen die mijn vader opnieuw aan het opbouwen was; Le moulin a Malaure.
Hier leek je verder bij me vandaan dan ooit, en de nachten leken ondanks de zomerse hitte koud en eenzaam.
Op een nacht duwde ik het raam open en hoorde beneden de beek zachtjes ruisen, de uil spookachtig roepen en de blaadjes ritselen. Ik wist dat je onderweg was en alle geluiden klonken verwachtingsvol.
Ik keek naar het bed naast mij waar mijn kleine blonde meisje lag te slapen. De eend lag naast haar en keek me brutaal aan.
In de ochtend bracht mijn vader me naar Brassac, waar jouw trein aankwam.
Om geld uit te sparen had je eerst 's nachts de bus vanuit Amsterdam en daarna vanuit Clermont Ferrand de trein genomen.
Ik was zo blij je te zien.
Na een paar dagen vertrok mijn zus met de trein en liet de deux chevaux voor ons achter. Ook mijn vader en zijn vrouw vertrokken een paar dagen. Toen hadden we het huis voor ons drieen.
Het huis zag er anders uit toen we alleen waren. Het huis leek te glimlachen om ons.
Stiekem sliepen we in de slaapkamer van mijn vader. 'S avonds zaten we uren in bad.
In de ochtend nam de zon een aanloop en scheen precies in onze koffiekoppen en op onze ontbijtbordjes.
Vanaf het terras waar we zaten, mijn kleine meisje, de eend, jij en ik, keken we uit op de berghelling voor ons.
De boer had het stro opgerold tot grote bundels die op enorme broodjes leken. De bundels lagen verspreid over de berghelling.
Op de meest dichtstbijzijnde bundel streek een grote roofvogel neer. Hij was enorm. We konden hem goed bewonderen terwijl we zaten te ontbijten.
'S nachts als het heel stil was en heel donker kropen we tegen elkaar aan. Alles was sereen, stil en hartstochtelijk.
Wat was je jong, en mooi. Wat was je huid zacht, je schouders breed. Wat waren we verliefd.

Op de terugweg was het zo heet dat we het dak van de eend naar beneden rolden. Door de herrie van de motor konden we nauwelijks met elkaar praten.
Mijn kleine meisje zat met rode wangen op de achterbank. Toen ik nog eens keek zag ik dat de eend weg was We waren hem vergeten op een parkeerplaats. Ik wilde hem gaan zoeken , maar jij wilde niet meer terugrijden.
Toen kregen we ruzie. Ik wilde onderweg uitstappen maar jij hield me tegen. De rest van de reis huilde ik onbedaarlijk.
Ik zei dat ik nooit meer met je op vakantie wilde. Nooit meer!
Dat was zeventien jaar geleden.
Toen ik een paar dagen na thuiskomst van Malaure een zwangerschapstest deed begeep ik dat ik het mis had. Er lagen nog veel vakanties in het verschiet. Met een heel gezin.
Af en toe denk ik nog met weemoed terug aan de eend.
Die arme eenzame eend van dat kleine blonde meisje ergens op een parkeerplaats in Frankrijk.












Friday, 1 March 2013

Een mooie zomer

We zaten samen op de achterbank, mijn grote zus en ik.
De tocht duurde eindeloos. We kenden de huizen, de boerderijen, de dorpen.  De reis was een film die elk weekend aan ons vertoond werd. Een film die we zwijgend door het raam van de auto bekeken. Wij tweeen op de achterbank, de hond tussen ons in.
De andere hond hield niet van autorijden en zat voorin. Tussen de voeten van mijn moeder in.
Als kind las ik in gedachten de namen van de boerderijen: "Land voor zand", "Johanna", "Aurora" en "De Dageraad". Eenzame, enigszins triest uitziende gebouwen met immense stallen en piepkleine zolderraampjes, omringd door akkers en vee wat in groepjes bij elkaar stond.
Vaak stopten we onderweg bij de rand van een bos. Dan pakte mijn moeder de tas met de thermoskan en de gekookte eitjes. Het zout los erbij in een immer vochtig, plastic zakje.
Even plassen, en dan werd de tocht vervolgd.
Mijn vader reed. Onderweg zongen we soms liedjes met tientallen coupletten; Ik ben met Catootje naar de botermarkt gegaan, of we zongen in canon Vader Jacob. Er zat geen radio in de auto van mijn vader.
Alle weekenden en vakanties maakten we de tocht naar Groningen. Mijn ouders waren nog jong en ze hadden een hoop dromen. Met de koop van een eigen boerderij in Groningen was tenminste een droom uitgekomen.
Ik kan me een eindeloze zomer herinneren. Een zomer die we vooral buiten doorbrachten. De zon wekte ons elke ochtend trouw. De schitterende zon.
Er waren voortdurend gasten die kwamen barbecueen en die bleven logeren.'S avonds zaten we buiten tot we elkaar niet meer konden zien.
Als ik moest gaan slapen was ik vaak bang. Buiten was het zo immens donker en zo immens stil. Als stadskind kon ik daar moeilijk aan wennen.
Bovendien werden er in de oude bedstede die aan de woonkamer grensde vaak vreemde geluiden gehoord, gehoest, gestamel en gekreun.
Overdag liep ik het liefste op mijn blote voeten.  De wegen om de boerderij waren onverhard en het was fijn om er te wandelen. In de schemering gingen we vaak met z'n allen een stukje lopen. Mijn geit die Thierry heette, ging dan met ons mee, net als de twee honden: Pancho en Flippie.
Overdag leerde ik paardrijden op de grote stoere knol van de buurman die kortweg "Be" werd genoemd. Fanny heettte dat paard. Ze was heel groot en heel breed. Mijn zusje en ik mochten om beurt op haar rug rijden. Zonder zadel en zonder hoofdstel. Het was een van de leukste dingen die ik ooit had gedaan met mijn acht jaar.
Op een dag werden we wakker met bewolking.
We besloten naar het kanaal te wandelen met de buurman. Het paard, de honden en de geit gingen ook mee.
De aardappelmeelfabriek loosde afvalstoffen op het kanaal en mijn vader en moeder wilde foto's maken.
Toen we naderbij kwamen werd de stank onverdraaglijk.
Op het water dreef een muur van sneeuwachtig, wit schuim. Ondoordringbaar schuim.
De honden renden er pardoes in.
Pancho, onze dikke hond kwam snel weer boven. Maar Flippie kwam maar niet boven. Ineens sloeg de paniek toe.
Het weer sloeg ook om en het werd kouder. Ik hoorde mijn moeder gillen, ze riep de kleine zwarte hond.
Mijn vader pakte een hele grote tak en waadde door het stinkende schuim. Zover dat alleen zijn schouders nog zichtbaar waren. Be probeerde hem tegen te houden, zodat de stinkende massa hem niet zou verzwelgen. Na een tijdje gaf mijn vader het op. Ik zie hem nog zitten. Doorweekt. Mijn moeder huilend tegen hem aan. Pancho zat aan de rand van het  schuimende water. Zijn oren gespitst, zijn kop gebogen,  wachtend op zijn vriend.
Ik ben toen weggerend. Zo ver als ik maar kon. Heel hard. Toen ik me realiseerde dat ik niet wist wat ik moest doen ben ik maar ergens om gevallen. Ergens aan de kant van de weg.
Mijn moeder heeft me toen gevonden en meegenomen. We moesten terug naar de boerderij ook al wilde ik dat niet.
Een paar dagen later reden we naar huis. Mijn ouders voorin. Mijn zus en ik op de achterbank. De hond lag op de hoedenplank en keek naar buiten. De boerderij werd vager, kleiner en verdween tenslotte uit zicht.
De film werd weer afgespeeld, maar nu in omgekeerde volgorde. De boerderijen met hun namen, de bomen, de dorpen.

Vanaf die dag leek het afgelopen met het mooie weer. De zomer leek voorbij. Ik heb daarna nooit meer een echt mooie zomer meegemaakt in Groningen.