Friday, 17 January 2014

Een dag in Frankrijk

Het was zomer.
Een zorgeloze zomer. Een zomer waar geen einde aan leek te komen.
Ik was vijf jaar en we waren in Frankrijk. Een klein dorp in een zonnig Frankrijk. Op de top van de berg stond een groot kasteel. Om het kasteel stond een hele hoge muur. Het straatje wat langs de kasteelmuur liep was hobbelig en slingerde omhoog. Mijn zus en ik speelden er met twee Nederlandse jongens die ook op vakantie waren.
Soms ging de bal waar we mee speelden per ongeluk over de muur en kwam in de tuin van het kasteel terecht.
Dan renden we lachend en gillend naar onze ouders, want de kasteelheer had een hekel aan kinderen en kon heel hard tegen ons schreeuwen. Hij zag er ook heel griezelig uit. Wij verstonden hem niet maar we waren wel bang.
Maar het was een leuk soort bang. Een nieuwsgierig soort bang. Een soort bang waar je hele lekkere kriebels van in je buik kreeg.
Ergens voelde ik me veilig, want mijn grote zus was er bij. Mijn zus zou me toch wel beschermen.
Het dorp had geen winkels. Er waren alleen maar huisjes, schuren, vuile katten en magere honden en kronkelende weggetjes, en er was ook een rivier.
In het dorp woonde een hele oude man. Wij noemden hem Opa Bernard.
Opa Bernard woonde in een oude schuur. De schuur had een lemen vloer en er stond alleen een hele oude antieke kast en een grote staande pendule. Zo'n klok van de wolf en de zeven geitjes. Over Opa Bernard werd in het dorp verteld dat hij heel erg rijk was. Ik begreep niet waarom hij dan in een schuur woonde.
De Nederlandse jongens kwamen ons vaak ophalen en riepen dan: kom we gaan snoep halen bij Opa Bernard!
Ik wilde liever niet maar ging toch maar mee. Dat moest nu eenmaal omdat ik de kleinste was. Dan klopten wij op de deur en liepen naar binnen. Binnen verschuilde ik me meestal achter mijn grote zus. Na alle verhalen die mijn ouders en de kleuterjuf over heksen en tovenaars verteld hadden was ik toch een beetje op mijn hoede. Snoep kregen we overigens nooit. Maar we kregen wel walnoten. Handen vol walnoten, die Opa Bernard met zijn eigen grote, vuile handen uit een jute zak schepte en ze vervolgens  in onze geopende kinderhandjes liet rollen. Binnen rook het er naar petroleum en verbrand hout.
Hoog op de berghelling, achter het kasteel had Opa Bernard al jaren geleden een graf laten aanleggen. Zijn eigen toekomstige graf. Hij was bijzonder trots op de imposante marmeren tombe. Een paar traptredes leidden naar een donkere ruimte beneden die kon worden afgesloten met een massieve deur. Het graf lag daar eenzaam te pronken op het hoogste punt van de berg. De massieve deur op een kier. In stille, geduldige afwachting van zijn toekomstige gast.
Opa had tegen ons gezegd dat we er wel mochten schuilen als we een keer door onweer of regen overvallen zouden worden tijdens onze vaste avondwandeling.  Er zou ruimte genoeg zijn voor ons alle vier.
Overdag gingen we naar de markt.
Ik weet nog dat ik een zomerjurkje droeg. een zomerjurkje met nopjes waar ik heel dol op was. De stof was heel dun en het rokje cirkelde als ik rondjes draaide. Ik droeg ook sandaaltjes.
Mijn zus liep naast me en de grond was heel droog en stoffig. Het stof zat tussen mijn teentjes. Overal werd voedsel verkocht: kaasjes met schimmel, groente en fruit en worst en pate. Ik probeerde zo boos mogelijk naar de vrouwen te kijken die argeloos levende kippen droegen. Ondersteboven aan de poten, hun koppen bungelend naar beneden.
Mijn vader en moeder liepen voor ons uit. Ze wandelden heel langzaam en ze lachten naar elkaar. Mijn vader hield mijn moeders hand vast. Mijn moeder was heel mooi.Heel mooi en heel gelukkig.
s' Middags zwommen wij in de rivier. Het water was lichtblauw en doorschijnend, er was ook een kleine waterval. Ik was bang voor de vissen die gewoon langs onze voeten zwommen en soms lichtjes je huid aanraakten.
Ik vond de vissen eng.
s'Avonds was ik ontzettend moe. Het was ook steeds zo vreselijk warm. En toen begon het onweer.
We stonden te kijken hoe enorme regendruppels de straten binnen enkele ogenblikken vol lieten lopen. Grote spetterende druppels die de kronkelende straten eventjes in kleine bergstroompjes veranderden; woest stromend en euforisch.
En na een klein uur was alles weer stil en gewoon. De straten droogden op en de vogels konden nog net een liedje zingen voor de duisternis inzette.
Toen ik al sliep tilde mijn vader mij uit bed.
Beneden zaten mijn zusje en mijn moeder op mij te wachten. Met z'n vieren liepen we de grote tuin in.
Het was een hele donkere nacht, warm en donker. Mijn moeder drukte haar vinger op haar lippen en we luisterden.
We hoorden hoe twee uilen met elkaar communiceerden, het was een spookachtig geluid.
Ik rilde van de slaap.
Mijn vader pakte me bij mijn hand en wees met zijn vinger in het donker.
En daar, zomaar uit het niets dansten allemaal kleine lichtjes. Vliegende, fladderende lichtjes. ik dacht dat het feetjes waren. Tinkerbell met haar vriendjes.
De volgende dag, toen ik niet meer wist of het een droom was geweest of werkelijkheid, vertelde mijn vader dat het vuurvliegjes waren geweest. En dat dat het heel bijzonder was.
Ik was nog klein maar ik weet het nog allemaal goed.
Het was een mooie dag.
Een dag om nooit te vergeten.


Tuesday, 24 December 2013

Bevroren grond

Aan de kant van de weg staan vreemde voertuigen. Mannen in groene overalls zijn op het veldje aan het werk.
Ze hebben grote gaten gegraven om er nieuwe bomen te planten.
Mijn elfjarige zoon Luca en ik rijden voorzichtig om de graafmachines heen.
Het gras is beschadigd en er liggen bergen aarde. Grote, vette zwarte aarde. Het lijken wel enorme molshopen zeg ik tegen Luca.
Hij grinnikt.
Dat moeten wel enorme mollen zijn geweest.
Heb je wel eens een mol van dichtbij gezien? Een mol is een van de aandoenlijkste dieren die er bestaat. Mollen hebben hele kleine graafhandjes met vingertjes waar venijnige nageltjes aan groeien. Hun rose snuitje is heel beweeglijk en uitermate gevoelig en ze hebben een prachtige zwarte pels met een blauwachtige gloed. Eenmaal boven de aarde zijn mollen weerloze diertjes. Blind en weerloos.
Mensen hebben een hekel aan mollen. Ze woelen de aarde in hun tuin om en dat vinden mensen vervelend.
Maar mensen mogen dat kennelijk dus wel. Grond omwoelen. Met grote graafwerktuigen.
Het is een wonder dat er rond deze tijd van het jaar nog in de grond gewerkt kan worden. Het loopt tegen de kerst en normaal gesproken is de aarde bevroren.
Maar dit jaar lijkt alles anders dan gewoon. Ik zeg Luca gedag en fiets terug naar huis.Het is zijn laatste jaar op de lagere school.
Volgend jaar hoef ik niet meer met hem mee te fietsen. Eet hij zijn broodjes op school. Ik zal onze conversaties missen. Onze gezamenlijke lunches.
Vannacht heeft het weer enorm gestormd. 'S nachts werd ik wakker van het geweld buiten. Het gebonk van de woedende wind tegen de gevel. Het gezwiep van takken tegen het vensterglas, sirenes op straat.Nu zie ik overal gebroken takken en weggewaaide brokstukken.
Het is een boos uiteinde van het jaar.
Een jaar zonder medelijden en met weinig gevoel voor humor.
Het is alsof de storm de laatste stuiptrekkingen van dit meedogenloze jaar met alle kracht weg probeert te blazen. De laatste demonen van 2013 worden hoog in de lucht opgetild en lossen krijsend en gillend op, ergens hoog in de lucht.
Er moet plaats gemaakt worden voor een nieuw jaar, een onnozel jong jaar wat straks verlegen ontwaakt als het laatste vuurwerk is afgestoken.
Als ik de balans opmaak mag ik dankbaar zijn met wat ik over heb gehouden; niet treuren over wat ik verloren heb. Maar me verheugen met mijn winst.
Mijn moeder die nog in mijn leven is. Mijn dochter die niet meer over straat zwerft. De band met mijn zus die hersteld is. De vriendschappen die in tact zijn gebleven. Tegen alle verwachtingen in.
En ik ben beter geworden.
Ik ben verfomfaaid, buiten adem en geschrokken. Een beetje beverig zelfs nog, maar present.
Ik ben voor het eerst echt bang geweest om dood te gaan.
Ik ben ouder geworden, anders dan de voorgaande jaren.
Ik fiets om de brokstukken van de storm heen. Zie hoe het water van de Zaan kleine woeste schuimkoppen vormt. Ik trap heel hard want anders kom ik niet vooruit.
De graafvoertuigen staan nog langs de weg.
Nooit eerder was de aarde zo omgewoeld.
In gedachten plant ik bomen, struiken en bloemen. Volgend jaar zal een jaar van groei zijn.


Tuesday, 19 November 2013

Kinderspel

Ik was het bijna vergeten, maar net voor de winkels sluiten weet ik nog twee grote zakken snoep te bemachtigen.
Het is al donker als ik weer naar huis rijd.
De straten zijn op een vreemde manier stil, er hangt een verwachtingsvolle sfeer. Bij veel huisdeuren staan lantaarns te flakkeren.
Als we net willen gaan eten hoor ik wat rumoer op de stoep. Bij de voordeur staan drie hele kleine kindjes. Ze kijken verwachtingsvol naar mij omhoog. Stuk voor stuk zijn ze dik ingepakt. Tot boven aan toe dichtgeknoopte winterjassen met een dikke das en kleine voetjes met warme berenlaarsjes. Het lijken net kabouters. Als ik naar ze glimlach kijken ze snel de andere kant uit, alsof ze niet afgeleid willen worden van een belangrijke missie. Dan barst het gezang los. Althans, een van de drie begint als een bezetene een liedje op te dreunen. De andere twee kijken met grote wijd opengesperde ogen om zich heen. Lampionnen worden driftig vooruit gestoken.
Dan is het stil. Ik reik naar het dienblad wat ik achter de deur verborgen hield.
Kleine wantjes graaien naar snoepjes. De ouders kijken op afstand toe. De allerkleinste van de drie bergt het snoep niet op zoals zijn vriendjes, maar probeert zo snel mogelijk alles in zijn mond te stoppen tot een van zijn ouders ingrijpt.
De volgende groep staat al te wachten, lampionnen in de aanslag. Het is een heel gedoe als het ene groepje het andere moet laten passeren.
Voor ik iets kan zeggen begint het volgende gezang. Een broer en zus. Ze zijn heel klein en staan hand in hand. Het jongetje zingt een liedje waar geen touw aan vast te knopen is. Hij heeft een snotneus en hij draagt een grote wollen muts waardoor hij bijna niets kan zien. Ze stoppen de snoepjes in een tas en zwaaien me dan met beide handjes gedag.
Om acht uur is alle snoep op en ook mijn eigen koektrommel helemaal leeg. Voor de allerlaatste zangtalentjes heb ik nog een noodvoorraad wijngums.
Maar dan wordt het ook snel stil. Ze moeten naar bed.
De buren die niet van kinderen houden komen weer tevoorschijn uit hun schuilplaatsen en het is komisch om plotseling overal lampen aan te zien gaan.
Het is het laatste jaar dat mijn eigen zoon meegelopen heeft. Hij wordt te groot. Hij leegt hij zijn Albert Heijn tas en de vloer is bezaait met snoep en een enkele verdwaalde mandarijn.
Hij is een beetje verkleumd en staat met hoogrode wangen nog na te stuiteren van de overdosis suiker en opwinding.
Zijn zus is al bijna een jonge vrouw. Ze heeft mij geassisteerd met het openen van de voordeur en de distributie van het snoep. Ze is oprecht vertederd door de peutertjes die nu uitgeput huiswaarts keren, de lampionnen achter zich aan slepend over de straat.
Voor mij lijkt het nog maar zo kort geleden dat ze zelf zo klein was.
De volgende ochtend wapperen er hier en daar nog wat roze snoeppapiertjes in de struiken en kleven er uitgespuugde schuimpjes en zuurtjes aan de stoeptegels.
Op de deurmat liggen de jaarlijkse speelgoedfolders. Dikke brochures gevuld met kleurrijke foto's van speelgoed, games en films in alle leeftijdscategorieen en prijsklassen.
Als ik de gids opensla maakt zich een vreemd soort opwinding van mij meester; een gevoel wat ik niet meer kan plaatsen maar wat me jaren geleden, toen ik zelf kind was ook de adem benam. Ik snuffel even aan de bladzijden; de geur van verse drukinkt, het geritsel van het dunne papier. Mijn aandacht wordt meteen naar de prachtig gefotografeerde poppen getrokken; poppen met de mooiste jurkjes en liefste gezichtjes. 'Babypop Eliza met echte slaapogen en goudblond kambaar haar wil dolgraag jouw vriendinnetje worden' staat er.
Het is merkwaardig, maar het bezorgt me nog steeds een opgewonden gevoel. Een gevoel dat ik die pop wil hebben. Het papier wil uitpakken. Aan die pop wil snuffelen en haar aan wil kleden en haar in bad wil stoppen.
Als kind wilde ik alleen maar poppen hebben. Verder niets. Babypoppen om naar te kijken en Barbiepoppen om mee te spelen.
Mijn Barbie's beleefden dezelfde avonturen waar ik over las in weekblad Tina en in de pockets van De Dolle Tweeling en De Vijf. Ik knipte hun haren en maakte zelf kleertjes van Tempo zakdoekjes. Ik liet ze zoenen met Ken.
Hoe kort geleden lijkt het dat ik zelf kind was, en hoe beangstigend is het dat nu mijn eigen kinderen al te groot worden voor Sint Maarten en Sinterklaas.
De veilige tijd van het speelgoed is ineens voorbij. De toekomst lijkt groot en gevaarlijk.
Op Luca's kamer liggen de laatste voorleesboeken die nu veld moeten ruimen voor computergames met op de omslag kinky uitziende politieagentes en gewapende kerels met enorme spieren.
Het duurt niet lang meer, dan zijn ze te groot voor mijn geknuffel en te zelfstandig voor mijn bemoeienis.
Als ik in de spiegel kijk zie ik wat ik ben; vrouw, echtgenote, moeder, dochter, zuster en ergens ook nog steeds een fractie van het kleine meisje.
Boven op zolder heb ik nog een pop van vroeger. Ik ga straks even aan haar snuffelen, haar haren kammen en haar jurkje recht trekken. En dan ga ik weer verder met de dingen die ik moet doen.













Monday, 4 November 2013

Groeien

Ik kijk naar buiten. Ik ben alleen thuis. Kinderen naar school, man naar zijn werk.
Ik vul de melkopschuimer en doe een Nespressocupje in het apparaat. Ik moet nog douchen en ben gekleed in mijn slaapshirt en roze pluchen ochtendjasje. Dan kijk ik uit het raam.
Aan de overkant woont een tekkel. Het is een uitgekookt beestje. Zodra een van de leden van het gezin de voordeur open doen ziet de tekkel gemiddeld een keer per week kans te ontsnappen. Met opgeheven snoet rent hij tot het einde van de straat waar hij verwachtingsvol omkijkt of hij gevolgd wordt.
Het tafereel wat hierop volgt is in grote lijnen elke week hetzelfde; er ontstaat paniek. Een voor een rennen de kinderen en de moeder de straat op, gillend, schreeuwend achter de tekkel aan. De moeder heeft een riem bij zich die ze rennend voor zich uit gestoken houdt.
De tekkel kijkt nu werkelijk geamuseerd en neemt nog een aanloop. Op zijn korte pootjes weet hij zich met verbazend hoge snelheid over de straat voort te bewegen. Zijn lange oren waaien naar achteren.
De tekkel spreekt alleen Engels (althans dat denken de moeder , vader en de kinderen. Het gezin heeft drie jaar in de Verenigde Staten gewoond waar de tekkel aangeschaft is. Hoewel het gezin thuis gewoon Nederlands bleef spreken heeft men tegen de tekkel altijd alleen Engels gesproken. Zelfs nu ze alweer bijna een half jaar in Nederland wonen spreken ze alleen Engels tegen de tekkel. Waarschijnlijk denken ze dat de tekkel anders niet goed luistert. Maar dat doet hij sowieso niet, daar is het nu eenmaal een tekkel voor. "Stay" roepen de kinderen. De moeder voegt er aan toe: "Do you want a treat?" Maar de tekkel rent stug door.
Na een paar spannende ogenblikken waarin de achtervolging verder ingezet wordt met behulp van andere buren of toevallige passanten, wordt de tekkel klem gezet.
Dan wordt hem de riem om gegespt en hij wordt naar huis gedragen. Het is een erg vermakelijk gezicht om te zien hoe de tekkel als een baby naar huis wordt gedragen, met zijn pootjes in de lucht. De blik op zijn snuit is geld waard.
Dan gaat de voordeur dicht. De tekkel wordt naar binnen geworpen en de kinderen stappen op hun fiets naar school. De straat is weer uitgestorven.
Herfstblaadjes waaien door de lucht, katten maken een praatje met elkaar of jagen hoog miauwend een nieuwkomer de straat uit.
Sinds ik niet meer de deur uit hoef om te werken is mijn leven veranderd. Zie ik andere dingen.
De vanzelfsprekende drukte en hectiek is veranderd in gedwongen rust en stilte.

Voor het eerst sinds jaren word ik pontificaal met m'n neus op de feiten gedrukt. Keihard met mezelf geconfronteerd. Geen afleiding, geen andere mogelijkheden.
Een zomerse zondagavond, een rare valpartij. Ziektewet. Een contract wat niet meer verlengd wordt.
En toen?
Stilte.
De uitzinnige wilde bos bloemen die mijn leven symboliseerde werd  van het een op het andere moment gekortwiekt. Ook de stelen werden uiteindelijk verwijderd. Wat er overbleef was een licht beschadigde bol die onder de grond verstopt zat.
Ik voelde me nutteloos.Onzichtbaar.
Maar op een dag, na maanden, besloot ik met mijn blote handen te gaan graven. Zomaar.
Ik groef tot ik de bloembol had gevonden. Ik hield haar in mijn handen. Voelde de resterende aarde om haar heen. Hield haar tegen het licht. Rook aan haar, wreef haar voorzichtig schoon.
En daarna zocht ik een bijzondere plek in mijn tuintje en dekte haar weer zorgvuldig toe met vette, zachte gitzwarte grond.
Het duurde eindeloos. Elke ochtend ging ik even bij haar kijken maar op het eerste gezicht gebeurde er niets.
Elke ochtend gaf ik de aarde waaronder de bol lag wat water. Ik legde wat gekleurde steentjes naast de plek waar ik haar onder de grond had gestopt.
Mijn hart klopte vol verwachting.
Voor het eerst sinds jaren begon ik me geleidelijk aan rustiger te voelen. Het werd rustig in mijn lijf en in mijn hoofd. Ook toen de aarde bevroor en er een dekentje van sneeuw overheen viel.
De verwachting werd er niet minder om.
Een pril voorjaar was in aantocht. Sneeuw smolt. Wie schetste mijn verbazing toen bleek dat de plek waar mijn bloembol begraven lag, precies op het punt lag waar de eerste zonnestralen op mikten?
Op een dag zag ik dat er sneeuwklokjes en blauwe druifjes tussen kleine ijskristalletjes groeiden.
En op de plek waar ik mijn bloembol had begraven zag ik een paar hele kleine groene sprietjes omhoog komen uit de aarde.
Ik was uitzinnig van vreugde.
De stilstand was voorbij. Of liever gezegd; er was nooit sprake geweest van stilstand. Er was sprake van verandering geweest.
Ik had me blind gestaard op de wilde bos bloemen maar het belangrijkste was de stille, geduldige bloembol.
Voorzichtig begon ik weer met hardlopen en met yoga. Ik leek buigzamer dan ooit tevoren.
En bovendien kwam er een woordenstroom los die op een waterval leek. Woorden die via mijn handen uit mijn hart leken te stromen. Zittend achter het toetsenbord.
En ik leerde weer dansen.














Tuesday, 15 October 2013

Borderline

Vanaf mijn prille jeugd heb ik begrepen dat er 1 ding erg belangrijk is en dat is : jezelf zijn.
Overal werd mij dit advies geboden: op school, thuis, door betweterige familieleden, in de boeken die ik las en in bladen als de VIVA en de Cosmopolitan. En nog later in therapie.
In genoemde bladen stonden vaak tests die eenvoudig uitwezen of jij wel echt jezelf was. Door simpelweg een stuk of 12 vragen te beantwoorden dmv A, B of C aan te kruisen kreeg je een analyse van hoe goed jij jezelf was. Of dat je eigenlijk alsof deed. En hoe je overkwam op anderen.
Als klein meisje heb ik altijd moeite gehad met dat te begrijpen. Het kwam op mij over als een volkomen overbodige raad. Hoe kan je anders dan niet jezelf zijn?
Als klein meisje wilde ik stiekem dolgraag een ander zijn, of een ander worden, maar voor mij was het zo klaar als een klontje dat er niets te willen of te wensen viel: Ik was nu eenmaal opgezadeld met mezelf en niemand anders.
Met afgunst keek ik naar de andere meisjes in de klas. Allen mooie ongecompliceerde vanzelfsprekende figuren die, zo op het eerste gezicht prima in hun eigen vel zaten, zonder twijfel.
Als buitenbeentje beschouwde ik mezelf als een raar meisje, een vreemde eend. Een vogel die niet mee kon snateren met de rest van de groep. Ik vond het niet leuk om mezelf te zijn.
Toen ik eenmaal van de lagere school afging was ik doodsbang voor de rest van de wereld.
Gelukkig was de middelbare school een verademing. Er was hier meer diversiteit  dan op de lagere school en het viel mij op dat sommige personen er prat op gingen anders te zijn en zichzelf durfden te zijn, ook al waren ze duidelijk raar, anders dan de groep. Een stukje herkenning betekende dat voor mij.
In de pauze stond ik temidden van punkers, alternatieve skaters, een klein restant hippies, disco's en kakkers.
Ineens zag ik dat de wereld om mij heen bestond uit individuen. Allemaal personen die druk bezig waren hun eigen identiteit te ontdekken. Die net als ik met zichzelf geconfronteerd werden.
Geleidelijk begon ik te begrijpen wat mijn ouders bedoelt hadden met die dooddoener: WEES JEZELF.
Ze bedoelden kennelijk dat je genoegen moet nemen met wie je bent, jezelf moet accepteren en vertrouwen moet hebben in de persoon die je bent. Niemand anders leeft je leven voor je. Leven is niet zo makkelijk, teleurstellingen liggen op de loer. Liefdesverdriet, frustraties en een hele hoop andere onbegrijpelijke dingen zullen de revue passeren. Daarom kun je maar beter op een lijn liggen met degene die je bent.
Ontsnapping is niet mogelijk:
Niet in een burgerlijk huwelijk met een koophuis en een glanzende auto voor de deur. Niet in drugs en drank. Niet in een baan die al je energie opslokt. Niet in religie of in een sekte, Niet in health food of detoxing, Niet in meditatie, niet in geld, niet in verre reizen, niet in seks.
Degene die je uiteindelijk aanstaart ben je zelf, naakt en kwetsbaar.
Deal with it!
Ik ben op de helft van mijn leven. Ik heb mijn grootste angsten overwonnen. Ik ben tevreden en soms zelfs gelukkig. Ik heb mijn leven in kunnen richten.
Ik ben nu zelf moeder van drie kinderen. Twee kinderen die tamelijk soepel in het leven staan en 1 kind wat moeite met leven heeft. Van het prille begin af aan. Van een boze baby die altijd huilde, groeide ze op tot een onaangepaste boze jonge vrouw.
Ik heb de formule van het opvoeden nooit helemaal begrepen, net zo min als mijn ouders waarschijnlijk. Maar ik heb oprecht mijn best gedaan.
Ik heb altijd geprobeerd te accepteren dat mijn kinderen individuen zijn en niet alleen maar producten van hun opvoeding.
Mijn middelste dochter is een zorgeloze prinses. Met lange gouden lokken en een haarscherp verstand. Soms word ik een beetje bang als ik naar haar kijk; bang dat de het leven haar zal besmeuren, ze haar onschuld en haar schoonheid ooit moet prijsgeven, of dat het van haar gestolen zal worden.
Mijn zoontje is een gepassioneerde hartebreker. Nu al, met z'n elf jaar is hij charmant, origineel en heeft hij een geraffineerd gevoel voor humor. En hij kan goed dansen.
Ik heb ze nog thuis. Dicht bij me in de buurt en dat is heerlijk. Het contrast met hun oudere zus is enorm groot. Met haar samenleven was de laatste jaren een vreselijke strijd.
Ze is al een paar jaar bij ons weg. Ze kon niet meer bij ons blijven.
Ik heb haar, net als de twee jongere kinderen zekerheid, liefde en houvast gegeven. Ik heb het geprobeerd. Overal, op alle mogelijke manieren.
Zij is degene die altijd alle aandacht opeiste. Ruzie maakte, drama, theater. Het ging vaak ten koste van de andere twee.
De ruzies werden te erg, het dreigde echt fout te gaan. Het kon niet meer.
Stilletjes heb ik wel gehoopt dat ze terug zou komen. Dat het "goed" zou komen.
Maar dat wilde ze zelf niet.
Het verdriet is allesomvattend. Het knaagt, ook op de momenten dat ik blij ben.
Het vreet aan me.
Ik heb keer op keer geprobeerd hulp voor haar te zoeken.
Niet omdat ze zichzelf niet mag zijn, maar omdat ze zo'n moeite heeft met haar leven. Omdat ze zo verdrietig is en boos.
Omdat ze zichzelf vergiftigd met drugs en medicijnen.
Omdat ze met mensen omgaat die van haar profiteren en haar gebruiken.
Omdat ze zoveel talenten heeft die ze nooit heeft uitgebuit.
Maar misschien moet ik haar loslaten en haar zelf haar weg laten zoeken.
Niet meer krampachtig blijven proberen mijn invloed uit te oefenen.
Misschien moet ik haar laten zoals ze is. Omdat zij dat recht heeft. Te zijn wie ze zelf wil zijn.

Gisteren zag ik haar. In de supermarkt. Ik herkende haar gestalte, haar manier van lopen.
Haar schichtige blik met de grote blauwe ogen.
In een impuls verstopte ik me een beetje achter een groot schap met enorme flessen wasmiddel.
Ik was bang dat ze mij zou zien. dat ze weer kwetsende dingen tegen me zou zeggen. Dat ze me weg zou duwen of uit zou lachen. Ik durfde niet naar haar toe te gaan.
Niet naar mijn eigen kind.
Ik ben huilend naar huis gelopen. Door de druilerige regen.
Dacht weer even terug aan de tijd dat ze nog klein was en troost zocht in mijn armen.
Hoe we met z'n tweetjes samen woonden in ons kleine huisje in Amsterdam.
Hoe ze 's avonds stiekem tegen mij me aan in bed kroop en in mijn oor fluisterde:
Slaap maar lekker schat.












Tuesday, 1 October 2013

Ochtendlicht

Het is acht uur 's ochtends en nog steeds bitterkoud , toch is het al bijna Mei. Luca, mijn elfjarige zoon trekt een moeilijk gezicht. We stappen op de fiets.
Op school aangekomen staan de meeste kinderen al te wachten. Ze hebben oranje verkeersvestjes aan. Als de meester een teken geeft vertrekken we in een lange colonne naar de schooltuintjes.
Het is een flink stuk fietsen en ondanks mijn leren handschoenen kan ik mijn vingers bijna niet meer voelen.
De dag heeft moeite met het verjagen van de nacht. Het sikkeltje van de maan hangt nog boven de huizen. Een waterig zonnetje klimt moedig omhoog.
Chagrijnige automobilisten wachten geirriteerd tot de fietsende kinderen gepasseerd zijn. Een man toetert en gebaart met zijn handen. Dan trekt hij met grote snelheid op.
Het maakt geen indruk op de uitgelaten kinderen die enthousiast naar hem zwaaien.
Dan zijn we er. Een kleine groene oase midden in de stad. Boven op het hek zit een indrukwekkende meeuw die naar ons knipoogt.
De grond is weliswaar nog kaal en er ligt zelfs nog een flinterdun laagje ijs op de sloot rond de kinderboerderij. Toch hangt er iets veelbelovends in de lucht. Een vaag voorteken dat de lente op komst is.Het licht lijkt anders. Een lichte schittering die door de bomen en struiken valt.
Op een stukje weidegrond staat een enorme kudde schapen driftig te grazen.
In de sloten zijn eenden bezig met hun ochtendtoilet; ze badderen en snateren. Eentje lacht me luidkeels uit als ik langsloop.
Binnen een omheining zitten drie Vlaamse reuzen. Ze steken hun gevoelige neusjes omhoog als ik mijn hand naar hen uitsteek, maar als ik ze probeer te aaien hobbelen ze weg.  Midden op het terrein is een grote bak gevuld met water en oud brood. Er omheen is het een drukte van belang.
Er loopt, trippelt en waggelt van alles voor mijn voeten.
Ganzen, rare loopeenden, zwanen, grote imposante kippen met harembroeken van veren, een enkele kalkoen en hier en daar een loslopend konijn eten gezamelijk uit de grote bak en maken een gezellige kliederboel.
Als ik plaats neem op een bankje voel ik een zacht doch dwingend duwtje tegen mijn arm. Ik kijk op en zie een grote rood met witte kater met een oog. Spinnend kijkt hij me aan, hij lijkt te glimlachen.
Dan komt voor mij een pauw staan. In een kort ritselend gebaar schudt hij uitdagend zijn imposante verentooi  omhoog, als een dame in avondtoilet die haar waaier opent. Ik voel me vereerd met deze prachtige revueshow. Voor mij alleen opgevoerd.
Verderop strooien de kinderen een handvol zaden in de droge grond.

Elke dinsdag fiets ik glimlachend mee.De temperatuur wordt langzaam iets beter maar nog altijd is het niet echt warm. Ik wordt verliefd op het kleine harmonieuze wereldje. Raak elke keer opnieuw betoverd door het gemoedelijke ritueel waarmee de dag hier begint. Met rustig badderen, uitgebreid ontbijten en heel wat gekakel, gekraai en gesnater. Maar ik geniet ook van de kinderen die serieus aan hun tuintje werken en opgetogen raken van de eerste plukjes tuinkers. Het opgetogen koppie van mijn zoontje wanneer ik naast hem kom fietsen. De verhalen die hij verteld over wat hij heeft geleerd vandaag.

Maar dan gebeurt er iets waardoor mijn leven plotseling stil komt te staan. Ik ga nog een keertje mee en dan bereid ik me voor op een twijfelachtige periode. Het is nu voorjaar en de zon staat al flink hoog.

Mijn ziekenhuisbed staat voor het raam. De zon is tijdelijk afwezig. Het waait heel hard. Grote,oude bomen wuiven in de wind.
Ik lig alleen op zaal en het is heel stil.
Als ik naar huis mag wordt het eindelijk zomer en ontzettend heet. De kinderen hebben nu vakantie.
Overdag zwemmen ze in de Zaan.
Ondanks het warme weer heb ik het koud. Ik krijg een extra deken en een kruik. Ik leg de kruik op de koude en lege plek.
Het duurt lang, maar gek genoeg heb ik nauwelijks besef van tijd. Het voelt rustig. Niets hoeft. Ik slaap of lig gewoon in bed, met de katten. En soms met een van de kinderen tegen mij aan. Het voelt heel vredig. Ik realiseer me dat ik me volkomen kalm voel.Kalm en verdrietig.
Geleidelijk begint het leven langzaam weer. Ik sta steeds vaker op. Ik ga weer naar buiten. De wond heelt.

Als de zomer op zijn einde loopt begint de school weer.
De kalmte is weer over. Ik wil weer van alles.
Op dinsdagmiddag komt Luca thuis met een bos Dahlia's. Het lijken enorme gekleurde spinnen. Ik zet ze in een vaas en ruik de buitenlucht.
Dan besluit ik weet voor de eerste keer mee te gaan naar de schooltuinen.
Vreemd genoeg ben ik een beetje gespannen. Samen fietsen we de bekende weg. In het centrum staat de kermis. Zoals elk jaar in September. Vroeg in de ochtend fietsen we langs de stilstaande attracties. Het ziet er eenzaam en verlaten uit. Griezelig zelfs.

Dan komen we aan bij de kinderboerderij. De schapen zijn verhuisd.
Maar alle andere dieren zijn er nog. Het is fantastisch om ze allemaal weer terug te zien. Families zijn uitgebreid, kleintjes zijn groot geworden.
Luca wijst enthousiast naar de tuintjes. Ik ben totaal overdonderd. Een grote zee van huizenhoge planten, bloemen, reusachtige pompoenen, courgettes en maiskolven met blonde pluimen. Sommige planten zijn gekapseisd in de wind. Het is net of ik een versnelde opname van een film heb bekeken.
Ik heb het groeiproces grotendeels gemist, maar mag nu wel het eindresultaat aanschouwen.
Ik ben verrukt.
Het is het einde van het seizoen. Het zal niet lang duren of de tuintjes zullen weer gerooid worden. Dan is er straks weer niets meer over dan droge grond.
Het is een einde en tegelijk een nieuw begin.

















Thursday, 19 September 2013

Zoete koekjes

Mijn oma rook naar eau de cologne. Naar eau de cologne en naar poeder. Mijn oma was slechts een meter zesenvijftig en ze was bijzonder ijdel. Ze had altijd een tas bij zich met daarin een handspiegeltje, een poederdoos en zakdoekjes die besprenkelt waren met Boldoot.
Als ik was gevallen en snikkend bij haar op schoot zat kreeg ik soms zo'n zakdoekje aangeboden.
Mijn oma had schoenmaat 36. Toen ze heel oud was waren haar voeten zo verzakt door het dragen van hoog gehakte pumps, dat ze een grotere maat nodig had. Ze vond dat zelf verschrikkelijk en ontkende dat altijd. Zodoende liep het bijna op een meningsverschil uit met de keurige meneer van de schoenwinkel, die haar alleen maar op de juiste wijze wilde adviseren. Mijn vader wist op slimme wijze de boel te sussen door  de meneer van de schoenwinkel te vragen haar nieuwe pumps maat 37, in een schoenendoos te stoppen waar maat 36 op stond. Zonder dat oma er erg in had.
Oma kon zodoende gerustgesteld de schoenwinkel verlaten, met kleine parmantige pasjes. Haar tas met de zakdoekjes onder haar arm geklemd.
Mijn oma is er al heel lang niet meer.Mijn kleine parmantige oma. Ze droeg mooie jurken die ze japonnen noemde, en haar jassen heetten mantels.  Op haar truitjes zat vaak een broche gespeld.
In de Jan Evertsenstraat, waar ze dichtbij woonde, bestelde ze haar hoeden bij een hoedenmaakster. De enige hoedenwinkel die er nu na al die jaren nog zit.
Als ik langs die winkel kom zeg ik altijd in gedachten: dag oma! Precies zoals we deden als we op zondagmiddag wegreden en zij met opa zwaaiend op het balkon stond.
Soms ruik ik onverwachts weer die geur. De geur van eau de cologne en poeder. Dan zie ik mijn oma weer voorbij trippelen. Dan ga ik even terug.
Geuren kunnen op magische wijze een flasback bij mij veroorzaken. Ze kunnen mij onverwacht overvallen en me in een klap weer terug brengen bij een moment, een gevoel of een persoon. Herinneringen tot leven brengen.
De geur van mijn kinderen toen ze nog baby's waren; een heel subtiel warme, veilige geur is dat. Ik ruik hem zelden maar hij is overweldigend en kan me tot tranen roeren.
Ik voel de warme zachtheid van hun huid, voel de dunne donzige plukjes haar op hun bolletje en voel weer hoe hun lijfjes in mijn armen liggen.
Het gelukzalige gevoel van een warme slapende baby in je armen. Dan is niets meer van belang.
Niets is zoeter en liever dan dat.
Zoveel uiteenlopende emoties die wakker geschud kunnen worden in een enkel onverhoeds moment.
De geur van avontuur en romantiek. Jaren geleden. Een vakantie in Spanje. Ik was weer vrijgezel. Dit was de tijd van avontuur. Van met volle teugen adem halen en zo hoog mogelijk op de puntjes van mijn tenen proberen te staan om de toekomst tegemoet te zien. leven! Verliefd worden!
En verliefd werd ik. Het leven was nog nooit zo licht geweest. Eten en slapen was volstrekt onnodig.
Ik ontmoette een Franse jongen. Als hij me in mijn ogen keek veranderde mijn bloed in hete lava, mijn gedachten losten op in de Middelandse zeebries en mijn hart veranderde in suikergoed.
Zijn naam kan ik me niet meer herinneren, maar zodra ik later weer zijn geur rook hoefde ik alleen maar mijn ogen te sluiten om me de aanraking van zijn huid te herinneren. De zwoelheid van zijn stem te horen die onverstaanbaar Franse woordjes in mijn oor fluisterde.
De geur van zijn parfum roept in een klap een flasback op van hoe het toen was, hoe het voelde, en doet me nog steeds naar adem happen. Een kort moment. Het doet me even stilstaan midden op een regenachtige dag in een winkelstraat. En dan, in een flits is alles weer bij het oude.
Geuren zijn voor mij meer dan herinneringen, het zijn herbelevingen. Weer even terug zijn in dat ene moment.

De winter komt er weer aan. Als ik met de fiets de straat uit rijd probeer ik over de dwarrelende herfstblaadjes heen te rijden die onder mijn wiel zachtjes kraken. Het ritselende geluid van opwaaiende blaadjes hoort bij het einde van de zomer. De winter die met langzame zware stappen onderweg is als een grote reus. De aanblik van de kaler wordende bomen en de sterker wordende wind duidt hierop.Maar nog vele malen sterker dan deze aanblik is de geur. De typische geur die me elk jaar rond deze tijd overvalt.
Een gevoel van melancholie omsluit mijn hart en grijpt me even bij de keel. Afscheid nemen van de zomer doet mij altijd een klein beetje pijn.
Als ik langs de Verkadefabriek fiets vult mijn neus zich met de zoete geur van Sultana koekjes.
In gedachten zie ik hoe in de fabriek de koekjes uit de oven komen. Op grote lopende banden. Meisjes met witte handschoentjes pakken de koekjes zorgvuldig in.
Maar dan vallen er grote regendruppels uit de hemel naar beneden en onderbreken mijn gemijmer.
Mijn vingers worden koud en mijn haren worden nat.
Ik ben weer terug in het heden.