Thursday, 20 February 2014

Mooie jongens.

Vroeger had ik een vriendin die Sabina heette. Volgens mijn moeder was Sabina jongensgek. Ze had het inderdaad erg vaak over jongens.
We waren vijftien en beste vriendinnen. We verveelden ons vaak, zoals het echte pubers betaamd.  We waren er van overtuigd dat we van onze ouders niet veel mochten. Eigenlijk mocht Sabina NIKS van haar ouders, daarom was ze ook vaak bij mij. Maar als ik eerlijk ben waren mijn ouders erg redelijk.
Ik werd door mijn vrienden en vriendinnen bij mijn achternaam genoemd: Dekker. In het begin vond dat ik dat helemaal niet leuk, maar op een gegeven moment was ik er aan gewend.
Mijn vrienden zeiden vaak:" Jouw ouders zijn wel oke Dekker".
Dat vond ik niet. Ik vond mijn ouders erg onredelijk en bovendien ouderwets. Dat was nu eenmaal zo met ouders.

Als Sabina bij ons op de boerderij logeerde verveelden wij ons het aller- allerergst. De zomervakanties duurden eindeloos en er viel niets te beleven op het saaie platteland. Gelukkig mochten we in het weekend naar discotheek "Night Fever" in Winschoten, waar we als Amsterdamse meisjes behoorlijk opvielen, vooral bij de jongens. Maar door de week hingen we rond op het erf van de boerderij waar we ons te pletter verveelden. Regelmatig fietsten we naar het zwembad in het dorp waar zich volgens Sabina hopelijk de "mooie jongens" bevonden.
Meestal was dat helaas niet het geval.
Sabina was een expert in subtiel oogcontact met jongens maken. Ze kon haar haren nonchalant doch sexy uit haar gezicht  laten wapperen, verleidelijk met haar ogen knipperen en heel sexy dansen.
Hoewel ik lang niet zo geraffineerd was bleken er toch jongens geinteresseerd in mij.
Toen ik twaalf was en een tamelijk onzekere puber, was ik er van overtuigd dat ik hoogstwaarschijnlijk als verstokte oude vrijster mijn graf in zou gaan, maar vanaf mijn dertiende ging het onverwacht de goede kant op.
Jongens vonden mij leuk en al spoedig passeerden er een aantal de revue. Allerlei jongens.

Zo was er de jongen die Sander heette. Hij had een bruin en een blauw oog. Hij was verliefd op mij en hij was punker.Een hele lieve, schattige punker.
Toen ik op vakantie was stuurde hij me een kaart met de tekst: Een twee drie, raad eens van wie?
Dat was heel wat, als een jongen je een kaartje stuurde. Een Twee Drie was trouwens de punkband waarin hij speelde dus dat was een originele hint.
Met vriendje Vincent heb ik zeker een half jaar verkering gehad. Hij kwam uit Utrecht en werkte in een modezaak. Hij was fan van David Bowie. We ontmoetten elkaar op Texel waar ik met mijn vriendinnen Antoinette en Tanja kampeerde.
Het was een heftige vakantie die gekenmerkt werd door drama's van allerlei aard  zoals ruzie, dronkenschap, fietsendiefstal, lekke luchtbedden, vermeende zwangerschap en liefdesperikelen. Het ontmoeten van Vincent was voor mij het absolute hoogtepunt van de vakantie.
Na een half jaar was ik niet meer verliefd op Vincent. De jongen die ik na hem ontmoette schreef gedichten voor mij. Daarna leerde ik een Franse jongen kennen die me brieven schreef die ik vervolgens liet vertalen door mijn leraar Frans. Weer later was er een jongen die voor me zong en ergens tussenin was er een Spaanse jongen die paella voor me maakte en me achtervolgde naar Nederland.
Er was een jongen die the Doors voor me draaide en alle teksten analyseerde, en eentje die mijn nagels lakte (alle tien) en mijn haar waste.
Een jongen gebruikte geestverruimende middelen en projecteerde daarna dia's op mijn naakte lichaam.Er was er een die me aankleedde als een pop en me mee nam naar dure restaurants.
Op een frisse avond ergens begin april nam een jongen mij mee mee naar het Amsterdamse bos. Het was erg donker en we wandelden langs het water en telden de sterren. Na een lange wandeling eindigden we zoenend op het gras, aan het water. We lagen een poosje in elkaars armen en besloten toen weer terug te keren naar de auto. We stapten in en reden terug naar Amsterdam. Al na enkele minuten vulde de auto zich echter met een weerzinwekkende geur. Het romantische tafereel aan het water verloor op slag zijn magie toen bleek dat mijn vriendje zich tijdens dat moment  ongemerkt door de hondenpoep had gewenteld.
De terugweg was zwaar en ik was genoodzaakt continu mijn neus uit het geopende raam steken om niet te kokhalzen.
Misschien onnodig te zeggen dat het na die avond tussen ons nooit meer echt wat geworden is.
Er waren slimme jongens en rare jongens en jongens die ik waarschijnlijk vergeten ben.
Vroeger schreef ik hun namen op. Op een dag heb ik het schriftje met alle namen weg gegooid. Ik weet niet meer waarom.
Het is jammer, want ik had nu graag al die herinneringen nog eens doorgenomen.
Soms bedenk ik me wat voor vreugde het schriftje op had kunnen leveren als ik ooit oud, versleten en wellicht verward ben en vermoedelijk in een bejaardenhuis woon. Of op een klein flatje met alleen een oud raar hondje om me gezelschap te houden. Of op een hele oude boerderij met een heleboel verwaarloosde katten en loslopende kippetjes.
Mijn vriendjes van ooit zijn nu oudere heren.Sommigen zijn overleden. Zou er nog iets overgebleven zijn van die romantiek en die passie bij die jongens van toen?
De jongens, andere jongens, ze zijn er opnieuw; ze spelen nu een rol in het leven van mijn twee dochters.
Ik vind het prachtig en ontroerend om te zien.
Ik zie soms overeenkomsten met hoe ik ooit was. Ergens is er niet veel veranderd.
Ik kijk toe en ik ben blij me de herinnering. Maar ik ben ook blij met het heden.








Monday, 10 February 2014

Vondelpark

De stad. Ik ben er opgegroeid. In een benedenhuis in een smalle straat. Een straat waar aan beide kanten de auto's dicht op elkaar geparkeerd stonden. Dat was ons speelterrein. De stoep voor de deur. Mijn moeder liet de voordeur op een kiertje.
Ik mocht niet "van de stoep" want dat was gevaarlijk. De huizen in onze straat waren hoog, sommigen stonden een beetje scheef. Ik was klein en kon de lucht niet goed zien. Maar ik zag de straat, de fietsen  en de raamkozijnen en de voordeuren van de buren die geopend en gesloten werden, ik zag de mensen die er woonden. Ik zag de kleine plukjes groen tussen de tegels.
Ik voelde me veilig in de stad. Veilig ingeklemd tussen al die huizen en al die mensen. Het leven wat zich achter elke gevel afspeelde. Het gegons van de levende, ademende, zwoegende stad.
Ik hield van het magische licht. De lantaarns die op een regenachtige avond een veilige knusheid uit leken te stralen. Het zonlicht aan het einde van de middag dat nog net een kans zag om de woonkamer binnen te glippen. De dansende kerstlampjes hoog in de winkelstraat in de winter, de verlichting van de fietsers op een mistige ochtend.
In ons zomerhuis, op het platteland, was ik bang voor het absolute donker. Het meedogenloze zwart van de nacht.
In de stad ging het licht nooit uit.
Op het platteland was ik bang voor de absolute stilte. Het vage geritsel van het niets.Het onbekende.
In de stad werd het nooit echt stil.
Heel dichtbij bij ons huis was het park. Een grote groene stadsoase. Toen ik klein was nam mijn moeder mij bij de hand en hielp me de drukke Overtoom oversteken. Oppassen voor de tram die van twee kanten kwam, en dan van beide kanten auto's.
Via de kattenlaan waar verschoten aanplakbiljetten op de oude panden geplakt zaten gingen we naar de ingang van het park, waar een groot hek stond en een eenzaam huis, waar ik ooit een uil zag.
In het park heb ik fietsen geleerd. En een klein beetje schaatsen.
In de zandbak bij het pierenbad mochten wij als kinderen soms op blote voeten spelen. Maar je moest wel heel goed oppassen dat je niet in eens stuk glas of een hondendrol trapte.
Eigenlijk moest je altijd goed om je heen kijken. Als stadskind leerde je dat van jongs af aan: oplettenheid.
Die oplettenheid kwam zeker van pas toen we eenmaal groot genoeg waren dat we alleen naar het park mochten. Het was immers wel een stadspark en in een stadspark kon van alles gebeuren.
En zo was het. De buurjongens en ik gingen met de fiets het park in wanneer we ons verveelden.
Ooit kwam ons een meneer tegemoet die een lange jas en een keurige hoed droeg, maar merkwaardig genoeg geen sokken en schoenen. Toen hij heel dichtbij was groette hij ons beleefd en zette zijn hoed af. Zodra hij verzekerd was van oogcontact sloeg hij met een wijds gebaar enthousiast zijn jas open waardoor we een goed zicht hadden op zijn geheel naakte lichaam en stijve geslacht. Toen we schrokken begon hij bulderend te lachen.
Ik heb vage herinneringen aan een hele warme zomer toen het park vol zat met hippies.
Vrije geesten met lange haren gekleed in gebatikte sarongs en gebleekte India katoen. Ze sliepen in het gras en speelden gitaar en tamboerijn.
Het water in het park was zwart en rook naar verrotting. Op sommige plekken dreven karkassen en kadavers van dode eenden want er heerste botulisme. Maar zij wasten er nietsvermoedend hun baby en zwommen er naakt bij het licht van de maan.
Onze hond Pancho vond het vreselijk gezellig met al die mensen. Kwispelstaartend wandelde hij  over het gras waar een jongen met een hele lange baard in kleermakerszit zat te mediteren.
De jongen hield zijn ogen gesloten en reageerde niet toen Pancho nieuwsgierig rondjes om hem heen draaide.
Van een afstandje kon mijn moeder zien hoe Pancho zijn poot optilde en een plas deed tegen zijn rug. De lichte katoen van zijn blouse kleurde geleidelijk aan donker.De jongen reageerde nog altijd niet.
Gegeneerd en gehaast liep mijn moeder door terwijl zij deed alsof dat niet haar hond was. Hopend dat niemand iets gezien had.
De enge mannen. Ze zaten veel en graag in het park.
Gluurders, graaiers en gekken. Als je geritsel in de bosjes hoorde wist je meestal al hoe laat het was.
Bij het witte bruggetje mocht ik van mijn ouders niet fietsen; aangezien dat een schimmig trefpunt van homoseksuele mannnen was. Het was er een drukke bedoening, vooral tegen de tijd dat de schemering inzette. Opvallend was dat juist daar veel keurige huisvaders hun hondje uitlieten.
Nu ik ouder was zei mijn moeder regelmatig dat ik met de hond moest wandelen.Wat ik uiteraard met tegenzin deed . Het viel mij eens op dat de man die 's middags aan de waterkant lag te slapen, er de volgende middag nog steeds lag. Ondanks de stromende regen.
Later op de dag werd hij door de politie in een plastic zak gehesen en afgevoerd.
Toch was ik nooit bang.
Als ik uit school kwam zat ik altijd in het park. In de zomer werden er tribunes opgebouwd en waren er allerlei optredens.
Ik zag er Herman Brood, en Jango Edwards.
We rookten er stiekem wiet en flirtten met de jongens die het beste konden skaten.
Het was onze plek.
De hippies,de skaters,de homo's, de vervuilde zwervers,verdwaasde drugsverslaafden, pedofielen, exhibitionisten, de gestoorde gekken, dealers, dieven en misdadigers. Ze hoorden net zo goed bij het park als de ouders met kinderen, de mensen met de honden, de joggers, de roller skaters, de ouderen die de eendjes kwamen voeren.
En het hoorde ook ooit bij mij.













Thursday, 30 January 2014

Broer en Zus

Door de aanwezigheid van de tweeling werd mijn leven verwarmd.
De tweeling: twee Siameze katten, Broer, groot, stoer en stevig en Zusje, klein tenger en koket.
Broer en Zus dus. De liefste, mooiste schatten van katten. Broer had de meest helder blauwe ogen die ik ooit bij een levend wezen zag, ogen als meertjes. Een prachtige grote kater, een beetje onnozel en wat minder slim dan de kleine zus.Maar dapper en een echte gentleman voor zijn zus, die hem in alles volgde.
Zij was pienter en heel parmantig, een kleine dame. Doordat zij ooit haar pootje had gebroken zat zij vaak wuft met het ene pootje omhoog.
Ze waren een voor een via de tuin aan komen lopen en gewoon door het kattenluikje naar binnen gegaan. Op zoek naar gezelschap, naar de zorg en warmte van een baasje of vrouwtje.
Broer verscheen eerst.
Hij sloop voorzichtig de huiskamer binnen en kroop bij mij op schoot. Met zijn blauwe ogen keek hij me verliefd en smekend aan. Met tegenzin droeg ik het grote beest naar de tuin in de veronderstelling dat hij naar zijn eigen huis zou terugkeren.
Maar op het moment dat ik de kamer weer binnen liep zat hij op wonderbaarlijke wijze alweer op een van de huiskamer stoelen en keek me indringend aan.
Na verloop van tijd waren ze ineens met z'n tweeen. Alsof  Broer tegen Zus gezegd had: Kom maar mee, die sukkels gooien ons er toch niet uit. Misschien kunnen we hier wel blijven.
Het was een wonderlijk gezicht; twee prachtige Siamezen die rustig op de bank lagen te slapen.
Hun baasje en vrouwtje, die weinig thuis waren besloten uiteindelijk dat het beter voor ze zou zijn als ze bij mij zouden blijven. Dat was natuurlijk precies wat de katten gewild hadden, ze hadden mij immers zelf uitgekozen.
Mijn eerste katten dus. Nooit heb ik twee katten gezien die zo'n sterke band met elkaar hadden.
Vaak lagen ze ineengestrengeld in elkaar pootjes te slapen. Alsof ze samen een grote poes waren.
Ze zaten samen ook het liefste op schoot. Daar hadden ze een trucje voor; wanneer je even niet oplette wisten ze ongemerkt gezamenlijk je schoot te bezetten. Opstaan was dan natuurlijk niet meer mogelijk.
Ik woonde nog thuis, maar was vaak alleen. Mijn moeder en grote zus verhuisden tijdelijk en mijn vader was voortdurend onderweg, van het ene huis naar het andere.
Gelukkig hielden Broer en Zus mij gezelschap, zij waren mijn baken in de eenzaamheid.
Het duurde niet lang of ik ging op mezelf wonen. In de Hugo de Grootstraat op drie hoog. Het huis deelde ik met mijn vader, die af en toe even zijn gezicht liet zien, maar die meestal bij zijn nieuwe vriendin was.
Er stonden hele oude lelijke meubels en er was geen televisie of telefoon. 's Nachts was ik er altijd bang.
Ik kan wel huilen als ik aan die tijd denk. Het was eenzaam en stil in mijn nieuwe huis en ik vermoed dat het er spookte. Midden in de nacht werd ik vaak wakker van het geluid van een rijdende trein. Ik heb dat geluid nooit begrepen en het bezorgde me telkens koude rillingen.
Precies aan de overkant op drie hoog woonde een ernstig gestoorde man. Hele nachten stond hij voor het raam; half ontkleed, brullend en schreeuwend, met een Charles Manson achtige grijns op zijn gezicht. Het huis was een smerige puinhoop en er hing een peertje aan het plafond. Ik was als de dood voor die man.

De katten hadden het ook moeilijk in het huis. Er was geen tuin en het balkon was zo hoog en smal dat ik ze er niet goed alleen durfde te laten. Ik was ook vaak weg, te vaak. Soms kwam ik alleen even thuis om een blikje voer voor ze open te trekken en ging dan weer weg. Broer probeerde dan zijn pootje tussen de deur te steken. Smekend, om mij tegen te houden. Nog altijd voel ik me daar schuldig over.
Als straf poepten en plasten ze mijn dekbed onder. Het was mijn verdiende loon.
Godzijdank duurde het niet lang voor ik weer ging verhuizen. Ik ging samenwonen met mijn vriendje en de katten verhuisden natuurlijk mee.
Het huis in de Eerste Helmersstraat was een prachtig zonnig huis met een ruim balkon en een groot terras wat ik vol zette met bloembakken.
In gedachten zie ik Broer weer op dat terras zitten. Dat prachtige beest. Hoe hij daar tussen de klimop zat, zijn vacht glanzend in de zon. Glurend naar de vogeltjes.
Ik kon mijn geluk niet op in het begin. Zo'n mooi huis, zoveel luxe. En een vriendje die van me leek te houden.
Maar ik voelde me al snel weer alleen. Ik had zo gehoopt dat ik me gelukkig zou voelen.
De grote regenboogachtige, haast psychedelische bel van het samenwonen  spatte snel in duizenden spetters uiteen en de ogenschijnlijk kleurige spetters vormden duizenden kleurloze tranen.
De eerste echte stap naar zelfstandigheid heb ik samen met Broer en Zus genomen. Op een zondagochtend. Toen mijn vriendje weer eens weg was.
Alles wat ik had laadde ik in een Volkswagenbusje; eerst de katten, toen een koffer vol met kleren, de bank, een paar planten en een paar kartonnen dozen. De rest liet ik achter. Samen met mijn onnozelheid en minachting.
Mijn eerste eigen huis. Een benedenhuis. Een grote tuin met een boom. Een deur met een kattenluikje. Wat was het er heerlijk!
Ik heb er maanden geleefd zonder kasten; mijn kleren ergens op een stapel. Slapend op een matras op de vloer, twee katten aan mijn voeteneind. Maar wat voelde ik me rijk.
Broer en Zus. Ze hebben met me meegeleefd en met me meegeleden.
Ze hebben me bijgestaan in de strijd om volwassen te worden.
Broer, met zijn blauwe ogen als meertjes, Zus met haar kleine kokette kopje.
Ze hadden het fijn in ons huis. Ze jaagden op muizen en vogeltjes en wasten zich in het gras.

Toen Broer om het leven kwam bij een ongeluk, is Zusje hem na een paar maanden gevolgd. Zoals ze gewend was.Zoals ze altijd had gedaan. Achter haar grote broer aan. Het was vanzelfsprekend.
Het is toen een tijdje heel stil geweest.Vaak dacht ik dat ik ze hoorde, soms dacht ik dat ik ze zag. Het was meer dan missen.
In de loop der jaren zijn er veel andere katten geweest. Lieve katten, mooie katten, grappige katten, rotkatten. Katten die mijn leven kleur gaven en de aandacht op zich wisten te vestigen.
Maar Broer en Zus houden voor altijd een speciaal plekje in mijn hart.













Friday, 17 January 2014

Een dag in Frankrijk

Het was zomer.
Een zorgeloze zomer. Een zomer waar geen einde aan leek te komen.
Ik was vijf jaar en we waren in Frankrijk. Een klein dorp in een zonnig Frankrijk. Op de top van de berg stond een groot kasteel. Om het kasteel stond een hele hoge muur. Het straatje wat langs de kasteelmuur liep was hobbelig en slingerde omhoog. Mijn zus en ik speelden er met twee Nederlandse jongens die ook op vakantie waren.
Soms ging de bal waar we mee speelden per ongeluk over de muur en kwam in de tuin van het kasteel terecht.
Dan renden we lachend en gillend naar onze ouders, want de kasteelheer had een hekel aan kinderen en kon heel hard tegen ons schreeuwen. Hij zag er ook heel griezelig uit. Wij verstonden hem niet maar we waren wel bang.
Maar het was een leuk soort bang. Een nieuwsgierig soort bang. Een soort bang waar je hele lekkere kriebels van in je buik kreeg.
Ergens voelde ik me veilig, want mijn grote zus was er bij. Mijn zus zou me toch wel beschermen.
Het dorp had geen winkels. Er waren alleen maar huisjes, schuren, vuile katten en magere honden en kronkelende weggetjes, en er was ook een rivier.
In het dorp woonde een hele oude man. Wij noemden hem Opa Bernard.
Opa Bernard woonde in een oude schuur. De schuur had een lemen vloer en er stond alleen een hele oude antieke kast en een grote staande pendule. Zo'n klok van de wolf en de zeven geitjes. Over Opa Bernard werd in het dorp verteld dat hij heel erg rijk was. Ik begreep niet waarom hij dan in een schuur woonde.
De Nederlandse jongens kwamen ons vaak ophalen en riepen dan: kom we gaan snoep halen bij Opa Bernard!
Ik wilde liever niet maar ging toch maar mee. Dat moest nu eenmaal omdat ik de kleinste was. Dan klopten wij op de deur en liepen naar binnen. Binnen verschuilde ik me meestal achter mijn grote zus. Na alle verhalen die mijn ouders en de kleuterjuf over heksen en tovenaars verteld hadden was ik toch een beetje op mijn hoede. Snoep kregen we overigens nooit. Maar we kregen wel walnoten. Handen vol walnoten, die Opa Bernard met zijn eigen grote, vuile handen uit een jute zak schepte en ze vervolgens  in onze geopende kinderhandjes liet rollen. Binnen rook het er naar petroleum en verbrand hout.
Hoog op de berghelling, achter het kasteel had Opa Bernard al jaren geleden een graf laten aanleggen. Zijn eigen toekomstige graf. Hij was bijzonder trots op de imposante marmeren tombe. Een paar traptredes leidden naar een donkere ruimte beneden die kon worden afgesloten met een massieve deur. Het graf lag daar eenzaam te pronken op het hoogste punt van de berg. De massieve deur op een kier. In stille, geduldige afwachting van zijn toekomstige gast.
Opa had tegen ons gezegd dat we er wel mochten schuilen als we een keer door onweer of regen overvallen zouden worden tijdens onze vaste avondwandeling.  Er zou ruimte genoeg zijn voor ons alle vier.
Overdag gingen we naar de markt.
Ik weet nog dat ik een zomerjurkje droeg. een zomerjurkje met nopjes waar ik heel dol op was. De stof was heel dun en het rokje cirkelde als ik rondjes draaide. Ik droeg ook sandaaltjes.
Mijn zus liep naast me en de grond was heel droog en stoffig. Het stof zat tussen mijn teentjes. Overal werd voedsel verkocht: kaasjes met schimmel, groente en fruit en worst en pate. Ik probeerde zo boos mogelijk naar de vrouwen te kijken die argeloos levende kippen droegen. Ondersteboven aan de poten, hun koppen bungelend naar beneden.
Mijn vader en moeder liepen voor ons uit. Ze wandelden heel langzaam en ze lachten naar elkaar. Mijn vader hield mijn moeders hand vast. Mijn moeder was heel mooi.Heel mooi en heel gelukkig.
s' Middags zwommen wij in de rivier. Het water was lichtblauw en doorschijnend, er was ook een kleine waterval. Ik was bang voor de vissen die gewoon langs onze voeten zwommen en soms lichtjes je huid aanraakten.
Ik vond de vissen eng.
s'Avonds was ik ontzettend moe. Het was ook steeds zo vreselijk warm. En toen begon het onweer.
We stonden te kijken hoe enorme regendruppels de straten binnen enkele ogenblikken vol lieten lopen. Grote spetterende druppels die de kronkelende straten eventjes in kleine bergstroompjes veranderden; woest stromend en euforisch.
En na een klein uur was alles weer stil en gewoon. De straten droogden op en de vogels konden nog net een liedje zingen voor de duisternis inzette.
Toen ik al sliep tilde mijn vader mij uit bed.
Beneden zaten mijn zusje en mijn moeder op mij te wachten. Met z'n vieren liepen we de grote tuin in.
Het was een hele donkere nacht, warm en donker. Mijn moeder drukte haar vinger op haar lippen en we luisterden.
We hoorden hoe twee uilen met elkaar communiceerden, het was een spookachtig geluid.
Ik rilde van de slaap.
Mijn vader pakte me bij mijn hand en wees met zijn vinger in het donker.
En daar, zomaar uit het niets dansten allemaal kleine lichtjes. Vliegende, fladderende lichtjes. ik dacht dat het feetjes waren. Tinkerbell met haar vriendjes.
De volgende dag, toen ik niet meer wist of het een droom was geweest of werkelijkheid, vertelde mijn vader dat het vuurvliegjes waren geweest. En dat dat het heel bijzonder was.
Ik was nog klein maar ik weet het nog allemaal goed.
Het was een mooie dag.
Een dag om nooit te vergeten.


Tuesday, 24 December 2013

Bevroren grond

Aan de kant van de weg staan vreemde voertuigen. Mannen in groene overalls zijn op het veldje aan het werk.
Ze hebben grote gaten gegraven om er nieuwe bomen te planten.
Mijn elfjarige zoon Luca en ik rijden voorzichtig om de graafmachines heen.
Het gras is beschadigd en er liggen bergen aarde. Grote, vette zwarte aarde. Het lijken wel enorme molshopen zeg ik tegen Luca.
Hij grinnikt.
Dat moeten wel enorme mollen zijn geweest.
Heb je wel eens een mol van dichtbij gezien? Een mol is een van de aandoenlijkste dieren die er bestaat. Mollen hebben hele kleine graafhandjes met vingertjes waar venijnige nageltjes aan groeien. Hun rose snuitje is heel beweeglijk en uitermate gevoelig en ze hebben een prachtige zwarte pels met een blauwachtige gloed. Eenmaal boven de aarde zijn mollen weerloze diertjes. Blind en weerloos.
Mensen hebben een hekel aan mollen. Ze woelen de aarde in hun tuin om en dat vinden mensen vervelend.
Maar mensen mogen dat kennelijk dus wel. Grond omwoelen. Met grote graafwerktuigen.
Het is een wonder dat er rond deze tijd van het jaar nog in de grond gewerkt kan worden. Het loopt tegen de kerst en normaal gesproken is de aarde bevroren.
Maar dit jaar lijkt alles anders dan gewoon. Ik zeg Luca gedag en fiets terug naar huis.Het is zijn laatste jaar op de lagere school.
Volgend jaar hoef ik niet meer met hem mee te fietsen. Eet hij zijn broodjes op school. Ik zal onze conversaties missen. Onze gezamenlijke lunches.
Vannacht heeft het weer enorm gestormd. 'S nachts werd ik wakker van het geweld buiten. Het gebonk van de woedende wind tegen de gevel. Het gezwiep van takken tegen het vensterglas, sirenes op straat.Nu zie ik overal gebroken takken en weggewaaide brokstukken.
Het is een boos uiteinde van het jaar.
Een jaar zonder medelijden en met weinig gevoel voor humor.
Het is alsof de storm de laatste stuiptrekkingen van dit meedogenloze jaar met alle kracht weg probeert te blazen. De laatste demonen van 2013 worden hoog in de lucht opgetild en lossen krijsend en gillend op, ergens hoog in de lucht.
Er moet plaats gemaakt worden voor een nieuw jaar, een onnozel jong jaar wat straks verlegen ontwaakt als het laatste vuurwerk is afgestoken.
Als ik de balans opmaak mag ik dankbaar zijn met wat ik over heb gehouden; niet treuren over wat ik verloren heb. Maar me verheugen met mijn winst.
Mijn moeder die nog in mijn leven is. Mijn dochter die niet meer over straat zwerft. De band met mijn zus die hersteld is. De vriendschappen die in tact zijn gebleven. Tegen alle verwachtingen in.
En ik ben beter geworden.
Ik ben verfomfaaid, buiten adem en geschrokken. Een beetje beverig zelfs nog, maar present.
Ik ben voor het eerst echt bang geweest om dood te gaan.
Ik ben ouder geworden, anders dan de voorgaande jaren.
Ik fiets om de brokstukken van de storm heen. Zie hoe het water van de Zaan kleine woeste schuimkoppen vormt. Ik trap heel hard want anders kom ik niet vooruit.
De graafvoertuigen staan nog langs de weg.
Nooit eerder was de aarde zo omgewoeld.
In gedachten plant ik bomen, struiken en bloemen. Volgend jaar zal een jaar van groei zijn.


Tuesday, 19 November 2013

Kinderspel

Ik was het bijna vergeten, maar net voor de winkels sluiten weet ik nog twee grote zakken snoep te bemachtigen.
Het is al donker als ik weer naar huis rijd.
De straten zijn op een vreemde manier stil, er hangt een verwachtingsvolle sfeer. Bij veel huisdeuren staan lantaarns te flakkeren.
Als we net willen gaan eten hoor ik wat rumoer op de stoep. Bij de voordeur staan drie hele kleine kindjes. Ze kijken verwachtingsvol naar mij omhoog. Stuk voor stuk zijn ze dik ingepakt. Tot boven aan toe dichtgeknoopte winterjassen met een dikke das en kleine voetjes met warme berenlaarsjes. Het lijken net kabouters. Als ik naar ze glimlach kijken ze snel de andere kant uit, alsof ze niet afgeleid willen worden van een belangrijke missie. Dan barst het gezang los. Althans, een van de drie begint als een bezetene een liedje op te dreunen. De andere twee kijken met grote wijd opengesperde ogen om zich heen. Lampionnen worden driftig vooruit gestoken.
Dan is het stil. Ik reik naar het dienblad wat ik achter de deur verborgen hield.
Kleine wantjes graaien naar snoepjes. De ouders kijken op afstand toe. De allerkleinste van de drie bergt het snoep niet op zoals zijn vriendjes, maar probeert zo snel mogelijk alles in zijn mond te stoppen tot een van zijn ouders ingrijpt.
De volgende groep staat al te wachten, lampionnen in de aanslag. Het is een heel gedoe als het ene groepje het andere moet laten passeren.
Voor ik iets kan zeggen begint het volgende gezang. Een broer en zus. Ze zijn heel klein en staan hand in hand. Het jongetje zingt een liedje waar geen touw aan vast te knopen is. Hij heeft een snotneus en hij draagt een grote wollen muts waardoor hij bijna niets kan zien. Ze stoppen de snoepjes in een tas en zwaaien me dan met beide handjes gedag.
Om acht uur is alle snoep op en ook mijn eigen koektrommel helemaal leeg. Voor de allerlaatste zangtalentjes heb ik nog een noodvoorraad wijngums.
Maar dan wordt het ook snel stil. Ze moeten naar bed.
De buren die niet van kinderen houden komen weer tevoorschijn uit hun schuilplaatsen en het is komisch om plotseling overal lampen aan te zien gaan.
Het is het laatste jaar dat mijn eigen zoon meegelopen heeft. Hij wordt te groot. Hij leegt hij zijn Albert Heijn tas en de vloer is bezaait met snoep en een enkele verdwaalde mandarijn.
Hij is een beetje verkleumd en staat met hoogrode wangen nog na te stuiteren van de overdosis suiker en opwinding.
Zijn zus is al bijna een jonge vrouw. Ze heeft mij geassisteerd met het openen van de voordeur en de distributie van het snoep. Ze is oprecht vertederd door de peutertjes die nu uitgeput huiswaarts keren, de lampionnen achter zich aan slepend over de straat.
Voor mij lijkt het nog maar zo kort geleden dat ze zelf zo klein was.
De volgende ochtend wapperen er hier en daar nog wat roze snoeppapiertjes in de struiken en kleven er uitgespuugde schuimpjes en zuurtjes aan de stoeptegels.
Op de deurmat liggen de jaarlijkse speelgoedfolders. Dikke brochures gevuld met kleurrijke foto's van speelgoed, games en films in alle leeftijdscategorieen en prijsklassen.
Als ik de gids opensla maakt zich een vreemd soort opwinding van mij meester; een gevoel wat ik niet meer kan plaatsen maar wat me jaren geleden, toen ik zelf kind was ook de adem benam. Ik snuffel even aan de bladzijden; de geur van verse drukinkt, het geritsel van het dunne papier. Mijn aandacht wordt meteen naar de prachtig gefotografeerde poppen getrokken; poppen met de mooiste jurkjes en liefste gezichtjes. 'Babypop Eliza met echte slaapogen en goudblond kambaar haar wil dolgraag jouw vriendinnetje worden' staat er.
Het is merkwaardig, maar het bezorgt me nog steeds een opgewonden gevoel. Een gevoel dat ik die pop wil hebben. Het papier wil uitpakken. Aan die pop wil snuffelen en haar aan wil kleden en haar in bad wil stoppen.
Als kind wilde ik alleen maar poppen hebben. Verder niets. Babypoppen om naar te kijken en Barbiepoppen om mee te spelen.
Mijn Barbie's beleefden dezelfde avonturen waar ik over las in weekblad Tina en in de pockets van De Dolle Tweeling en De Vijf. Ik knipte hun haren en maakte zelf kleertjes van Tempo zakdoekjes. Ik liet ze zoenen met Ken.
Hoe kort geleden lijkt het dat ik zelf kind was, en hoe beangstigend is het dat nu mijn eigen kinderen al te groot worden voor Sint Maarten en Sinterklaas.
De veilige tijd van het speelgoed is ineens voorbij. De toekomst lijkt groot en gevaarlijk.
Op Luca's kamer liggen de laatste voorleesboeken die nu veld moeten ruimen voor computergames met op de omslag kinky uitziende politieagentes en gewapende kerels met enorme spieren.
Het duurt niet lang meer, dan zijn ze te groot voor mijn geknuffel en te zelfstandig voor mijn bemoeienis.
Als ik in de spiegel kijk zie ik wat ik ben; vrouw, echtgenote, moeder, dochter, zuster en ergens ook nog steeds een fractie van het kleine meisje.
Boven op zolder heb ik nog een pop van vroeger. Ik ga straks even aan haar snuffelen, haar haren kammen en haar jurkje recht trekken. En dan ga ik weer verder met de dingen die ik moet doen.













Monday, 4 November 2013

Groeien

Ik kijk naar buiten. Ik ben alleen thuis. Kinderen naar school, man naar zijn werk.
Ik vul de melkopschuimer en doe een Nespressocupje in het apparaat. Ik moet nog douchen en ben gekleed in mijn slaapshirt en roze pluchen ochtendjasje. Dan kijk ik uit het raam.
Aan de overkant woont een tekkel. Het is een uitgekookt beestje. Zodra een van de leden van het gezin de voordeur open doen ziet de tekkel gemiddeld een keer per week kans te ontsnappen. Met opgeheven snoet rent hij tot het einde van de straat waar hij verwachtingsvol omkijkt of hij gevolgd wordt.
Het tafereel wat hierop volgt is in grote lijnen elke week hetzelfde; er ontstaat paniek. Een voor een rennen de kinderen en de moeder de straat op, gillend, schreeuwend achter de tekkel aan. De moeder heeft een riem bij zich die ze rennend voor zich uit gestoken houdt.
De tekkel kijkt nu werkelijk geamuseerd en neemt nog een aanloop. Op zijn korte pootjes weet hij zich met verbazend hoge snelheid over de straat voort te bewegen. Zijn lange oren waaien naar achteren.
De tekkel spreekt alleen Engels (althans dat denken de moeder , vader en de kinderen. Het gezin heeft drie jaar in de Verenigde Staten gewoond waar de tekkel aangeschaft is. Hoewel het gezin thuis gewoon Nederlands bleef spreken heeft men tegen de tekkel altijd alleen Engels gesproken. Zelfs nu ze alweer bijna een half jaar in Nederland wonen spreken ze alleen Engels tegen de tekkel. Waarschijnlijk denken ze dat de tekkel anders niet goed luistert. Maar dat doet hij sowieso niet, daar is het nu eenmaal een tekkel voor. "Stay" roepen de kinderen. De moeder voegt er aan toe: "Do you want a treat?" Maar de tekkel rent stug door.
Na een paar spannende ogenblikken waarin de achtervolging verder ingezet wordt met behulp van andere buren of toevallige passanten, wordt de tekkel klem gezet.
Dan wordt hem de riem om gegespt en hij wordt naar huis gedragen. Het is een erg vermakelijk gezicht om te zien hoe de tekkel als een baby naar huis wordt gedragen, met zijn pootjes in de lucht. De blik op zijn snuit is geld waard.
Dan gaat de voordeur dicht. De tekkel wordt naar binnen geworpen en de kinderen stappen op hun fiets naar school. De straat is weer uitgestorven.
Herfstblaadjes waaien door de lucht, katten maken een praatje met elkaar of jagen hoog miauwend een nieuwkomer de straat uit.
Sinds ik niet meer de deur uit hoef om te werken is mijn leven veranderd. Zie ik andere dingen.
De vanzelfsprekende drukte en hectiek is veranderd in gedwongen rust en stilte.

Voor het eerst sinds jaren word ik pontificaal met m'n neus op de feiten gedrukt. Keihard met mezelf geconfronteerd. Geen afleiding, geen andere mogelijkheden.
Een zomerse zondagavond, een rare valpartij. Ziektewet. Een contract wat niet meer verlengd wordt.
En toen?
Stilte.
De uitzinnige wilde bos bloemen die mijn leven symboliseerde werd  van het een op het andere moment gekortwiekt. Ook de stelen werden uiteindelijk verwijderd. Wat er overbleef was een licht beschadigde bol die onder de grond verstopt zat.
Ik voelde me nutteloos.Onzichtbaar.
Maar op een dag, na maanden, besloot ik met mijn blote handen te gaan graven. Zomaar.
Ik groef tot ik de bloembol had gevonden. Ik hield haar in mijn handen. Voelde de resterende aarde om haar heen. Hield haar tegen het licht. Rook aan haar, wreef haar voorzichtig schoon.
En daarna zocht ik een bijzondere plek in mijn tuintje en dekte haar weer zorgvuldig toe met vette, zachte gitzwarte grond.
Het duurde eindeloos. Elke ochtend ging ik even bij haar kijken maar op het eerste gezicht gebeurde er niets.
Elke ochtend gaf ik de aarde waaronder de bol lag wat water. Ik legde wat gekleurde steentjes naast de plek waar ik haar onder de grond had gestopt.
Mijn hart klopte vol verwachting.
Voor het eerst sinds jaren begon ik me geleidelijk aan rustiger te voelen. Het werd rustig in mijn lijf en in mijn hoofd. Ook toen de aarde bevroor en er een dekentje van sneeuw overheen viel.
De verwachting werd er niet minder om.
Een pril voorjaar was in aantocht. Sneeuw smolt. Wie schetste mijn verbazing toen bleek dat de plek waar mijn bloembol begraven lag, precies op het punt lag waar de eerste zonnestralen op mikten?
Op een dag zag ik dat er sneeuwklokjes en blauwe druifjes tussen kleine ijskristalletjes groeiden.
En op de plek waar ik mijn bloembol had begraven zag ik een paar hele kleine groene sprietjes omhoog komen uit de aarde.
Ik was uitzinnig van vreugde.
De stilstand was voorbij. Of liever gezegd; er was nooit sprake geweest van stilstand. Er was sprake van verandering geweest.
Ik had me blind gestaard op de wilde bos bloemen maar het belangrijkste was de stille, geduldige bloembol.
Voorzichtig begon ik weer met hardlopen en met yoga. Ik leek buigzamer dan ooit tevoren.
En bovendien kwam er een woordenstroom los die op een waterval leek. Woorden die via mijn handen uit mijn hart leken te stromen. Zittend achter het toetsenbord.
En ik leerde weer dansen.