Tuesday, 6 May 2014

Terug naar Limburg

Het zilveren bruiloftsfeest was een indrukwekkende gebeurtenis. s' Middags moesten wij reeds aanwezig zijn in de prachtig versierde zaal waar het buffet opgediend zou worden. Mama parkeerde er vast de auto. Maar eerst gingen wij naar de kerk.
Ik herkende mijn moeder bijna niet. Hier in Limburg, tussen haar familieleden, leek ze zo anders. 
Ze keek blij en lachte aan een stuk, met een stralende met lipstick gestifte mond, maar haar hand klemde onzeker in de mijne en wanneer ze iets tegen mij zei  praatte ze te snel en te luid.
Ik vond het griezelig om de kerk binnen te stappen die voor deze speciale gelegenheid zijn grote deuren wagenwijd open had gezet. Het was er zo groot en het klonk er hol en leeg. het rook er net als bij ons thuis in de kelderkast.
Mijn moeder liep in het midden, mijn zusje aan de ene kant en ik aan de andere kant. Mijn vader was in Amsterdam gebleven. Zo met ons drieen voelde het veilig.
We moesten er "keurig netjes" uitzien had mama gezegd. Ze had onze haren geknipt en zelf onze jurkjes genaaid. Vanochtend had ze wat spuug in haar handen gedaan om een vlekje van mijn wang te poetsen. Ik had haar boos weggeduwd. Terwijl we de kerk inliepen voelde ik hoe een van mijn kniekousen geleidelijk naar beneden zakte.
Mijn moeder droeg een wollen rok met glanzende puntige lakschoenen waar ik mijn ogen niet van af kon houden. Op de stenen vloer van de kerk maakten ze een interessant klik klak geluid. Ik was trots op haar, maar ergens was ik ook teleurgesteld.Ik wist niet waarom.
De kerk was groot en mooi. Maar het was er koud en we mochten niets tegen elkaar zeggen.
Toen mijn tante begon te zingen begon ik zachtjes te beven. Zoiets moois had ik nog nooit gehoord.
Met mijn wang leunend tegen het bontjasje van mijn moeder spiedde ik luisterend om mij heen.
Het beeld van de huilende Jezus Christus probeerde ik te ontwijken. Smekend hing hij zijdelings aan een groot houten kruis. Bloed stroomde langs zijn ledematen. Ik vond het geen prettig beeld. 
Ik liet mijn blik rusten op de prachtige Maria. Devoot en gelukzalig keek ze omhoog, haar handen gevouwen. Een kleine naakte engel lag wenend in haar schoot. Een tweede engel stond hoopvol met geopende vleugels tegen haar aangeleund.  De serene, beeldschone Maria met haar opgeheven hoofd dwong bij mij meer respect af dan  de half ontklede Jezus die vol zelfbeklag jammerend aan zijn kruis hing.
"Ave Maria" fluisterde mijn moeder. "Zo heet dat liedje".
Mijn moeder sloot haar ogen en neuriede zachtjes mee met mijn tante. Ik hield mijn ogen op het Mariabeeld gericht en verdacht haar ervan ook stilletjes mee te luisteren, bevroren in het marmer.

In de zaal brak de feestvreugde los. Het was een vreemd contrast met de ijzige, gecontroleerde gebeurtenissen van die ochtend in de kerk.
Eerst werd er enorm veel gegeten en gedronken. En daarna was er zang en dans. Er waren verkleedpartijtjes, sketches en er waren liederen waar iedereen de woorden van kende.
Voor mij en mijn zusje was er enorm veel belangstelling; tantes en ooms die ik ik nauwelijks kende pakten ons stevig vast en drukten zoenen op wangen en voorhoofd. Ik werd een paar keer goedmoedig doch hardhandig heen en weer geschud, bij mijn kin gepakt en over mijn hoofd geaaid. Telkens werd er van mij verwacht dat ik vertelde of ik mijn best deed op school. 
Ik moest goed opletten om mijn tantes en ooms te verstaan en keek ze soms met grote ogen vragend aan. Dan gingen ze steeds harder tegen mij praten en duidelijker articuleren. Maar dat maakte geen verschil.

"Dat jij dat verstaat mama", zegt mijn zoon tegen mij. We zijn in Valkenburg en gaan de grotten bezoeken. Onze gids doet duidelijk zijn best om goed verstaanbaar te zijn en kijkt mijn kinderen glimlachend aan.
"Laten we naar Limburg gaan" had ik tegen mijn man gezegd. Het is zo lang geleden dat ik daar ben geweest.
Het Limburg van toen ik een kind was. het bestaat nog steeds. Zo intensief als Amsterdam aan verandering onderhevig is; zo lijkt de tijd hier stil te hebben gestaan.
Op een dikke boomstam is een bord gespijkerd met de letters: "Lunchroom".
Het is een jaren vijftig achtig bord, en de lunchroom zelf heeft ook een ouderwetse uitstraling. De ober die het terras bemand draagt een zwart tenue en een witte sloof. Hij loopt een beetje gebogen en maakt een vermoeide indruk, maar wanneer hij onze tafel weet te bereiken glimlacht hij professioneel en begroet hij ons vriendelijk en alsof hij het werkelijk meent. Zijn accent ontroert mij.
Op de tafel wappert een geplastificeerd kanten kleedje en er staat een bakelieten asbak. In een taartvitrine staan Limburgse vlaaien.
De keurig ogende gasten op het terras lijken allen afkomstig uit dezelfde provincie. Op een paar Duitse wielrenners na spreekt iedereen hier op dezelfde zangerige wijze.
Wanneer mijn moeder vroeger terugkeerde van een bezoek aan haar familie duurde het altijd een paar dagen voor ze weer "gewoon" sprak. Daar plaagden wij haar altijd mee. Het was alsof haar stem stiekem heimwee had. 

Toen ik wat ouder was bleef ik alleen in Limburg. dan bracht mijn moeder me naar een van haar zusters waar ik mocht blijven logeren. Zeven zusters had ze. En twee broers. Ik had dus een rijk aanbod aan tantes en ooms en een enorme hoeveelheid neven en nichten.
Bij tante Mien vond ik het misschien wel het leukst. Het was een huis als uit een kinderboek; er woonden zoveel kinderen dat het er altijd druk en gezellig was. Althans, dat vond ik als kind.
Het huis op de Boerendansweg was groot en als je de trap naar boven nam kwam je in de kinderslaapkamers die vol stonden met stapelbedden. Elf kinderen woonden er in het huis. Allemaal neefjes en nichtjes van mij. Ik vond het een groot feest.
Mijn vader dacht daar anders over en mopperde altijd een beetje over het katholieke geloof en meneer pastoor als dat grote kinderaantal ter sprake kwam. Ik geloof niet dat mijn vader graag in Limburg kwam. 
Op een avond, toen ik bij tante Mien logeerde vroeg een van mijn nichtjes: "Gaan jullie nooit naar de kerk?"
"Nee" zei ik. en ik schaamde mij er een beetje voor.
Mijn nichtje reageerde geschrokken. "Waar geloven jullie dan in?"
"Wij hebben geen geloof" antwoordde ik.
"Dat kan niet" zei mijn nichtje. "Iedereen heeft een geloof".
En daarmee was de discussie gesloten.

Het Limburg van vroeger. Ik wilde het weer zien en ervaren. maar ik denk dat het toch niet meer bestaat. En ik weet niet zeker of ik dat erg vind.

Tuesday, 1 April 2014

Vlinder

Daar gaat ze. Mijn kleine blonde meisje.
Ze is pas zestien jaar geworden. Ze is het meisje uit de liefdesliedjes. Het meisje uit de gedichten. Het meisje uit het prentenboek. Geheimzinnig glimlachend staat ze in een veld vol bloemen. Ze draagt een witte jurk van dunne katoen. Een stralende, beeldschone prinses.Ze kan communiceren met de dieren en alle kleuters zwaaien naar haar.
Ze staat te wankelen op de springplank naar volwassenheid.
Ze is nog niet van plan haar kinderlijkheid, die haar een speciale glans geeft, los te laten.Ze is zowel meisje als jonge vrouw.
Ze houdt haar kinderlijkheid geklemd in haar hand wanneer ze, zelfverzekerd en uitdagend over straat paradeert; jongens kijken smachtend toe. Ze kijkt niet op maar laat haar lange blonde haar wapperen en glimlacht stoicijns.
Niemand heeft nog recht op haar. Niemand eist haar nog op. Ze is nog vrij.
Ik denk aan zestien jaar geleden: de mooie baby die in mijn armen werd gelegd en niet huilde. Ze keek me aan, was stil en het leek alsof ze er altijd al was geweest. Ergens in mijn onderbewustzijn.
Toen ze een paar dagen oud was dacht ik dat ik haar zou verliezen. Haar lijfje hing slap in mijn armen. Van ons warme bed thuis, gehuld in een rozige zoete wolk bevond ik me plotseling in een ziekenhuisbed. Helemaal alleen op een stille zaal. Met borsten die pijn deden en een hart dat bijna scheurde van verdriet.
Maar ze vocht. Ze bleef. Ik mocht haar houden.
Vandaag doet ze een stapje bij mij vandaan. Een sprongetje maakt ze. Ik sluit even mijn ogen. Maar als ik ze open durf te doen zie ik haar vrolijk fladderen. Ze doet me denken aan de eerste vlinder van dit jaar.
Mooi en kleurrijk, onbevangen. In staat om elke argeloze voorbijganger een glimlach te ontfutselen. Een eigenzinnig sprookjesachtig wezen.
Gisteravond zat ze even alleen op de bank. Toen ik beneden kwam zag ik haar gezichtje betrekken. Ik schoof tegen haar aan op de bank, haar broertje schoof aan de andere kant. Ze huilde, maar ze wist niet precies waarom.
Misschien voelde zij ook dat ze weer een klein stukje afscheid  nam.
In het ziekenhuis toen zij een zieke baby was, moest ik na een paar dagen mijn ziekenhuisbed afstaan en kreeg ik een stretcher die de zuster in de babykamer neerzette.
Zij lag daar met vier andere kindjes. s' Nachts huilden ze allemaal op een ander moment. Sommigen hard, anderen zacht. Maar ik werd alleen wakker van haar gehuil.
Nu word ik nog steeds wakker als ze ziek is, of wanneer ze verdriet heeft.
Vanochtend heel vroeg is ze vertrokken naar Londen met school.
Ze gaat winkelen op Kings Road, scones eten in Harrods en wandelen langs de Thames. Ze gaat op avontuur.

De bus staat te wachten.Er gaat een rilling door mijn lijf als ik haar zie instappen. Daar gaat ze. Ik glimlach dapper en steek mijn hand naar haar op. Ze heeft het te druk en ziet mij niet. Ik draai me om en loop beteuterd terug naar mijn auto.
Als ik instap zie ik haar ineens rechtop in de bus staan. Ik zie hoe ze naar me lacht en zwaait. Ineens zie ik weer dat kleine meisje.

Vannacht zal ik waarschijnlijk even wat moeite hebben met inslapen.
Maar ik weet zeker dat ik wakker zal worden als ze me nodig heeft. Ook al is ze ver weg. En dan zal ik extra aan haar denken. Zodat ze voelt dat ze veilig is. Mijn vlinder.













Wednesday, 12 March 2014

Lente!

's Ochtends word ik wakker van jouw warme lichaam. Het is vroeg in de ochtend en de dag breekt aan. Het  licht spiedt glinsterend tussen de fijne kiertjes van de zware gordijnen door naar binnen. Alsof het ons uitdaagt om op te staan.
Ik knijp mijn ogen weer dicht en draai me tegen je aan. Je bent warm en klam.
Als mijn lippen jouw huid raken proef ik zoute drop. Dan maak jij je los uit mijn omhelzing en springt uit bed.
Je staat onder de douche. Ik ruik de geur van lavendel en warm water.
Pluche, de kat staat verwijtend naast het bed  en doet haar best zo hard mogelijk te miauwen. Het  is tijd, ik weet het. Ik moet opstaan en de slaap van me af schudden.
Mijn vaste traject loopt elke ochtend via de kinderkamers naar de woonkamer beneden. Ik draag de kat in mijn armen. Daar  zet ik de kat op de vloer,open de gordijnen en kijk naar buiten. De vlinderboom is groen, kleine crocusjes staan met hun paarse blaadjes wijd open en een enkele hyacint perst een groen kroontje omhoog. Gedurende de winter heeft de koude donkere grond allerlei kleurigs verborgen gehouden. Nu  lijkt de aarde plotseling enthousiast al dit moois aan de zon te willen tonen. Overal friemelt allerlei groens naar buiten.Insectjes die ik nooit eerder zag doorkruisen de tuin. Het is allemaal in een nacht veranderd. De winter is verjaagd.
We nemen de fiets naar school. Zonnestralen lijken door iemand  ergens boven aan de hemel met handenvol uitgestrooid te worden over het water van de Zaan. Op een grote houten boei bij de jachthaven zitten twee aalscholvers op te drogen met hun vleugels gespreid. Ze doen me altijd denken aan het beeld van Jezus die zijn armen opent voor de Katholieke gemeente.
Ik denk aan de zee die ik vorige zomer in Spanje heb gezien. De zee die zo fel schitterde dat ik het licht nauwelijks aan mijn ogen kon verdragen.
Onderweg kom ik een kleurrijke eendenkolonie tegen. Sommig eenden drijven nog slapend als in elkaar gevouwen bootjes op het water. Anderen doen kolderieke duikkunstjes. Ondersteboven in het water met de kop naar beneden en de staart en twee fel oranje poten in de lucht.
Er zijn twee eksters bezig met een nest. Een van de twee houdt een enorme tak in zijn snavel. Dan fladdert hij moeizaam omhoog. Gevolgd door de ander.
Ter hoogte van het bord: "Pas op schoolkinderen"  draai ik me zwaaiend om en fiets weer naar huis.
Langs de eendenkolonie, de eksters en de aalscholvers.
Als ik halverwege ben loopt mijn ketting van mijn fiets. Ik zet de fiets op zijn kop en doe vergeefse pogingen het te herstellen.
Uit het niets valt er een schaduw over mij heen die het zonlicht wegneemt. Een lange statige man met een hoed buigt zich over mij heen. "Kan ik helpen?"
De man is erg broos en is gekleed alsof hij zojuist van een ansichtkaart uit het begin van de vorige eeuw is gestapt.
Ik ben bang dat hem iets overkomt zodra hij zich teveel inspant, maar ik durf zijn aanbod uit beleefdheid niet af te slaan.
"Graag" zeg ik daarom en ik probeer mijn handen die onder de vettige olie te zitten af te vegen aan een stuk boomschors. De man zakt nu behoedzaam door zijn  knieen en steekt zijn bleke handen met lange, knokige vingers uit naar de roestige fietsketting. Om een van zijn vingers zit een zegelring met een groene steen.
Uit het niets begint de man nu te praten." Ik ben 91 jaar, zegt hij. Ik ben dus een hele oude man.
Maar ik ben ooit jong geweest. Ik heb gevaren vroeger. Vroeger lagen hier heel veel schepen. Ik wandelde hier graag met mijn vrouw. Ik had een hele knappe vrouw. Iedereen was jaloers op mij. Maar inmiddels zijn ze allemaal dood. Er is veel veranderd. teveel voor een mens om mee te hoeven maken.
Ik zie overal herinneringen. Het leven van vandaag laat me onberoerd.
Het enige wat niet veranderd is, is het water". Hij  haalt zijn neus op. Die is een beetje rood van de frisse ochtendlucht.Zijn droevige ogen zijn vochtig en hij heeft borstelige wenkbrauwen waar lange witte haren uit steken.
De man doet mij aan mijn opa denken.
Hij zegt nog wat dingen. Over vroeger, over zijn vrouw die hij mist. Over oude mensen die alleen maar klagen.
Dan probeert hij weer overeind te komen. Het kost wat moeite, maar dan staat hij weer rechtop. Statig rechtop. Hij vist een keurige zakdoek uit zijn binnenzak en veegt zijn handen er aan af.
"Dan ga ik maar weer verder" zegt de man.
Ik steek mijn hand naar hem uit en bedank hem voor het repareren van mijn fiets.
De man glimlacht. Dan, voordat hij zijn weg vervolgd, wenkt hij me even kort met zijn hand. Ik beweeg me wat dichter naar hem toe en hij fluistert in mijn oor: "De Lente is vandaag begonnen. Geniet er maar van, want voor je het weet is het weer voorbij".
Dan vervolgt de man zijn weg.


Thursday, 20 February 2014

Mooie jongens.

Vroeger had ik een vriendin die Sabina heette. Volgens mijn moeder was Sabina jongensgek. Ze had het inderdaad erg vaak over jongens.
We waren vijftien en beste vriendinnen. We verveelden ons vaak, zoals het echte pubers betaamd.  We waren er van overtuigd dat we van onze ouders niet veel mochten. Eigenlijk mocht Sabina NIKS van haar ouders, daarom was ze ook vaak bij mij. Maar als ik eerlijk ben waren mijn ouders erg redelijk.
Ik werd door mijn vrienden en vriendinnen bij mijn achternaam genoemd: Dekker. In het begin vond dat ik dat helemaal niet leuk, maar op een gegeven moment was ik er aan gewend.
Mijn vrienden zeiden vaak:" Jouw ouders zijn wel oke Dekker".
Dat vond ik niet. Ik vond mijn ouders erg onredelijk en bovendien ouderwets. Dat was nu eenmaal zo met ouders.

Als Sabina bij ons op de boerderij logeerde verveelden wij ons het aller- allerergst. De zomervakanties duurden eindeloos en er viel niets te beleven op het saaie platteland. Gelukkig mochten we in het weekend naar discotheek "Night Fever" in Winschoten, waar we als Amsterdamse meisjes behoorlijk opvielen, vooral bij de jongens. Maar door de week hingen we rond op het erf van de boerderij waar we ons te pletter verveelden. Regelmatig fietsten we naar het zwembad in het dorp waar zich volgens Sabina hopelijk de "mooie jongens" bevonden.
Meestal was dat helaas niet het geval.
Sabina was een expert in subtiel oogcontact met jongens maken. Ze kon haar haren nonchalant doch sexy uit haar gezicht  laten wapperen, verleidelijk met haar ogen knipperen en heel sexy dansen.
Hoewel ik lang niet zo geraffineerd was bleken er toch jongens geinteresseerd in mij.
Toen ik twaalf was en een tamelijk onzekere puber, was ik er van overtuigd dat ik hoogstwaarschijnlijk als verstokte oude vrijster mijn graf in zou gaan, maar vanaf mijn dertiende ging het onverwacht de goede kant op.
Jongens vonden mij leuk en al spoedig passeerden er een aantal de revue. Allerlei jongens.

Zo was er de jongen die Sander heette. Hij had een bruin en een blauw oog. Hij was verliefd op mij en hij was punker.Een hele lieve, schattige punker.
Toen ik op vakantie was stuurde hij me een kaart met de tekst: Een twee drie, raad eens van wie?
Dat was heel wat, als een jongen je een kaartje stuurde. Een Twee Drie was trouwens de punkband waarin hij speelde dus dat was een originele hint.
Met vriendje Vincent heb ik zeker een half jaar verkering gehad. Hij kwam uit Utrecht en werkte in een modezaak. Hij was fan van David Bowie. We ontmoetten elkaar op Texel waar ik met mijn vriendinnen Antoinette en Tanja kampeerde.
Het was een heftige vakantie die gekenmerkt werd door drama's van allerlei aard  zoals ruzie, dronkenschap, fietsendiefstal, lekke luchtbedden, vermeende zwangerschap en liefdesperikelen. Het ontmoeten van Vincent was voor mij het absolute hoogtepunt van de vakantie.
Na een half jaar was ik niet meer verliefd op Vincent. De jongen die ik na hem ontmoette schreef gedichten voor mij. Daarna leerde ik een Franse jongen kennen die me brieven schreef die ik vervolgens liet vertalen door mijn leraar Frans. Weer later was er een jongen die voor me zong en ergens tussenin was er een Spaanse jongen die paella voor me maakte en me achtervolgde naar Nederland.
Er was een jongen die the Doors voor me draaide en alle teksten analyseerde, en eentje die mijn nagels lakte (alle tien) en mijn haar waste.
Een jongen gebruikte geestverruimende middelen en projecteerde daarna dia's op mijn naakte lichaam.Er was er een die me aankleedde als een pop en me mee nam naar dure restaurants.
Op een frisse avond ergens begin april nam een jongen mij mee mee naar het Amsterdamse bos. Het was erg donker en we wandelden langs het water en telden de sterren. Na een lange wandeling eindigden we zoenend op het gras, aan het water. We lagen een poosje in elkaars armen en besloten toen weer terug te keren naar de auto. We stapten in en reden terug naar Amsterdam. Al na enkele minuten vulde de auto zich echter met een weerzinwekkende geur. Het romantische tafereel aan het water verloor op slag zijn magie toen bleek dat mijn vriendje zich tijdens dat moment  ongemerkt door de hondenpoep had gewenteld.
De terugweg was zwaar en ik was genoodzaakt continu mijn neus uit het geopende raam steken om niet te kokhalzen.
Misschien onnodig te zeggen dat het na die avond tussen ons nooit meer echt wat geworden is.
Er waren slimme jongens en rare jongens en jongens die ik waarschijnlijk vergeten ben.
Vroeger schreef ik hun namen op. Op een dag heb ik het schriftje met alle namen weg gegooid. Ik weet niet meer waarom.
Het is jammer, want ik had nu graag al die herinneringen nog eens doorgenomen.
Soms bedenk ik me wat voor vreugde het schriftje op had kunnen leveren als ik ooit oud, versleten en wellicht verward ben en vermoedelijk in een bejaardenhuis woon. Of op een klein flatje met alleen een oud raar hondje om me gezelschap te houden. Of op een hele oude boerderij met een heleboel verwaarloosde katten en loslopende kippetjes.
Mijn vriendjes van ooit zijn nu oudere heren.Sommigen zijn overleden. Zou er nog iets overgebleven zijn van die romantiek en die passie bij die jongens van toen?
De jongens, andere jongens, ze zijn er opnieuw; ze spelen nu een rol in het leven van mijn twee dochters.
Ik vind het prachtig en ontroerend om te zien.
Ik zie soms overeenkomsten met hoe ik ooit was. Ergens is er niet veel veranderd.
Ik kijk toe en ik ben blij me de herinnering. Maar ik ben ook blij met het heden.








Monday, 10 February 2014

Vondelpark

De stad. Ik ben er opgegroeid. In een benedenhuis in een smalle straat. Een straat waar aan beide kanten de auto's dicht op elkaar geparkeerd stonden. Dat was ons speelterrein. De stoep voor de deur. Mijn moeder liet de voordeur op een kiertje.
Ik mocht niet "van de stoep" want dat was gevaarlijk. De huizen in onze straat waren hoog, sommigen stonden een beetje scheef. Ik was klein en kon de lucht niet goed zien. Maar ik zag de straat, de fietsen  en de raamkozijnen en de voordeuren van de buren die geopend en gesloten werden, ik zag de mensen die er woonden. Ik zag de kleine plukjes groen tussen de tegels.
Ik voelde me veilig in de stad. Veilig ingeklemd tussen al die huizen en al die mensen. Het leven wat zich achter elke gevel afspeelde. Het gegons van de levende, ademende, zwoegende stad.
Ik hield van het magische licht. De lantaarns die op een regenachtige avond een veilige knusheid uit leken te stralen. Het zonlicht aan het einde van de middag dat nog net een kans zag om de woonkamer binnen te glippen. De dansende kerstlampjes hoog in de winkelstraat in de winter, de verlichting van de fietsers op een mistige ochtend.
In ons zomerhuis, op het platteland, was ik bang voor het absolute donker. Het meedogenloze zwart van de nacht.
In de stad ging het licht nooit uit.
Op het platteland was ik bang voor de absolute stilte. Het vage geritsel van het niets.Het onbekende.
In de stad werd het nooit echt stil.
Heel dichtbij bij ons huis was het park. Een grote groene stadsoase. Toen ik klein was nam mijn moeder mij bij de hand en hielp me de drukke Overtoom oversteken. Oppassen voor de tram die van twee kanten kwam, en dan van beide kanten auto's.
Via de kattenlaan waar verschoten aanplakbiljetten op de oude panden geplakt zaten gingen we naar de ingang van het park, waar een groot hek stond en een eenzaam huis, waar ik ooit een uil zag.
In het park heb ik fietsen geleerd. En een klein beetje schaatsen.
In de zandbak bij het pierenbad mochten wij als kinderen soms op blote voeten spelen. Maar je moest wel heel goed oppassen dat je niet in eens stuk glas of een hondendrol trapte.
Eigenlijk moest je altijd goed om je heen kijken. Als stadskind leerde je dat van jongs af aan: oplettenheid.
Die oplettenheid kwam zeker van pas toen we eenmaal groot genoeg waren dat we alleen naar het park mochten. Het was immers wel een stadspark en in een stadspark kon van alles gebeuren.
En zo was het. De buurjongens en ik gingen met de fiets het park in wanneer we ons verveelden.
Ooit kwam ons een meneer tegemoet die een lange jas en een keurige hoed droeg, maar merkwaardig genoeg geen sokken en schoenen. Toen hij heel dichtbij was groette hij ons beleefd en zette zijn hoed af. Zodra hij verzekerd was van oogcontact sloeg hij met een wijds gebaar enthousiast zijn jas open waardoor we een goed zicht hadden op zijn geheel naakte lichaam en stijve geslacht. Toen we schrokken begon hij bulderend te lachen.
Ik heb vage herinneringen aan een hele warme zomer toen het park vol zat met hippies.
Vrije geesten met lange haren gekleed in gebatikte sarongs en gebleekte India katoen. Ze sliepen in het gras en speelden gitaar en tamboerijn.
Het water in het park was zwart en rook naar verrotting. Op sommige plekken dreven karkassen en kadavers van dode eenden want er heerste botulisme. Maar zij wasten er nietsvermoedend hun baby en zwommen er naakt bij het licht van de maan.
Onze hond Pancho vond het vreselijk gezellig met al die mensen. Kwispelstaartend wandelde hij  over het gras waar een jongen met een hele lange baard in kleermakerszit zat te mediteren.
De jongen hield zijn ogen gesloten en reageerde niet toen Pancho nieuwsgierig rondjes om hem heen draaide.
Van een afstandje kon mijn moeder zien hoe Pancho zijn poot optilde en een plas deed tegen zijn rug. De lichte katoen van zijn blouse kleurde geleidelijk aan donker.De jongen reageerde nog altijd niet.
Gegeneerd en gehaast liep mijn moeder door terwijl zij deed alsof dat niet haar hond was. Hopend dat niemand iets gezien had.
De enge mannen. Ze zaten veel en graag in het park.
Gluurders, graaiers en gekken. Als je geritsel in de bosjes hoorde wist je meestal al hoe laat het was.
Bij het witte bruggetje mocht ik van mijn ouders niet fietsen; aangezien dat een schimmig trefpunt van homoseksuele mannnen was. Het was er een drukke bedoening, vooral tegen de tijd dat de schemering inzette. Opvallend was dat juist daar veel keurige huisvaders hun hondje uitlieten.
Nu ik ouder was zei mijn moeder regelmatig dat ik met de hond moest wandelen.Wat ik uiteraard met tegenzin deed . Het viel mij eens op dat de man die 's middags aan de waterkant lag te slapen, er de volgende middag nog steeds lag. Ondanks de stromende regen.
Later op de dag werd hij door de politie in een plastic zak gehesen en afgevoerd.
Toch was ik nooit bang.
Als ik uit school kwam zat ik altijd in het park. In de zomer werden er tribunes opgebouwd en waren er allerlei optredens.
Ik zag er Herman Brood, en Jango Edwards.
We rookten er stiekem wiet en flirtten met de jongens die het beste konden skaten.
Het was onze plek.
De hippies,de skaters,de homo's, de vervuilde zwervers,verdwaasde drugsverslaafden, pedofielen, exhibitionisten, de gestoorde gekken, dealers, dieven en misdadigers. Ze hoorden net zo goed bij het park als de ouders met kinderen, de mensen met de honden, de joggers, de roller skaters, de ouderen die de eendjes kwamen voeren.
En het hoorde ook ooit bij mij.













Thursday, 30 January 2014

Broer en Zus

Door de aanwezigheid van de tweeling werd mijn leven verwarmd.
De tweeling: twee Siameze katten, Broer, groot, stoer en stevig en Zusje, klein tenger en koket.
Broer en Zus dus. De liefste, mooiste schatten van katten. Broer had de meest helder blauwe ogen die ik ooit bij een levend wezen zag, ogen als meertjes. Een prachtige grote kater, een beetje onnozel en wat minder slim dan de kleine zus.Maar dapper en een echte gentleman voor zijn zus, die hem in alles volgde.
Zij was pienter en heel parmantig, een kleine dame. Doordat zij ooit haar pootje had gebroken zat zij vaak wuft met het ene pootje omhoog.
Ze waren een voor een via de tuin aan komen lopen en gewoon door het kattenluikje naar binnen gegaan. Op zoek naar gezelschap, naar de zorg en warmte van een baasje of vrouwtje.
Broer verscheen eerst.
Hij sloop voorzichtig de huiskamer binnen en kroop bij mij op schoot. Met zijn blauwe ogen keek hij me verliefd en smekend aan. Met tegenzin droeg ik het grote beest naar de tuin in de veronderstelling dat hij naar zijn eigen huis zou terugkeren.
Maar op het moment dat ik de kamer weer binnen liep zat hij op wonderbaarlijke wijze alweer op een van de huiskamer stoelen en keek me indringend aan.
Na verloop van tijd waren ze ineens met z'n tweeen. Alsof  Broer tegen Zus gezegd had: Kom maar mee, die sukkels gooien ons er toch niet uit. Misschien kunnen we hier wel blijven.
Het was een wonderlijk gezicht; twee prachtige Siamezen die rustig op de bank lagen te slapen.
Hun baasje en vrouwtje, die weinig thuis waren besloten uiteindelijk dat het beter voor ze zou zijn als ze bij mij zouden blijven. Dat was natuurlijk precies wat de katten gewild hadden, ze hadden mij immers zelf uitgekozen.
Mijn eerste katten dus. Nooit heb ik twee katten gezien die zo'n sterke band met elkaar hadden.
Vaak lagen ze ineengestrengeld in elkaar pootjes te slapen. Alsof ze samen een grote poes waren.
Ze zaten samen ook het liefste op schoot. Daar hadden ze een trucje voor; wanneer je even niet oplette wisten ze ongemerkt gezamenlijk je schoot te bezetten. Opstaan was dan natuurlijk niet meer mogelijk.
Ik woonde nog thuis, maar was vaak alleen. Mijn moeder en grote zus verhuisden tijdelijk en mijn vader was voortdurend onderweg, van het ene huis naar het andere.
Gelukkig hielden Broer en Zus mij gezelschap, zij waren mijn baken in de eenzaamheid.
Het duurde niet lang of ik ging op mezelf wonen. In de Hugo de Grootstraat op drie hoog. Het huis deelde ik met mijn vader, die af en toe even zijn gezicht liet zien, maar die meestal bij zijn nieuwe vriendin was.
Er stonden hele oude lelijke meubels en er was geen televisie of telefoon. 's Nachts was ik er altijd bang.
Ik kan wel huilen als ik aan die tijd denk. Het was eenzaam en stil in mijn nieuwe huis en ik vermoed dat het er spookte. Midden in de nacht werd ik vaak wakker van het geluid van een rijdende trein. Ik heb dat geluid nooit begrepen en het bezorgde me telkens koude rillingen.
Precies aan de overkant op drie hoog woonde een ernstig gestoorde man. Hele nachten stond hij voor het raam; half ontkleed, brullend en schreeuwend, met een Charles Manson achtige grijns op zijn gezicht. Het huis was een smerige puinhoop en er hing een peertje aan het plafond. Ik was als de dood voor die man.

De katten hadden het ook moeilijk in het huis. Er was geen tuin en het balkon was zo hoog en smal dat ik ze er niet goed alleen durfde te laten. Ik was ook vaak weg, te vaak. Soms kwam ik alleen even thuis om een blikje voer voor ze open te trekken en ging dan weer weg. Broer probeerde dan zijn pootje tussen de deur te steken. Smekend, om mij tegen te houden. Nog altijd voel ik me daar schuldig over.
Als straf poepten en plasten ze mijn dekbed onder. Het was mijn verdiende loon.
Godzijdank duurde het niet lang voor ik weer ging verhuizen. Ik ging samenwonen met mijn vriendje en de katten verhuisden natuurlijk mee.
Het huis in de Eerste Helmersstraat was een prachtig zonnig huis met een ruim balkon en een groot terras wat ik vol zette met bloembakken.
In gedachten zie ik Broer weer op dat terras zitten. Dat prachtige beest. Hoe hij daar tussen de klimop zat, zijn vacht glanzend in de zon. Glurend naar de vogeltjes.
Ik kon mijn geluk niet op in het begin. Zo'n mooi huis, zoveel luxe. En een vriendje die van me leek te houden.
Maar ik voelde me al snel weer alleen. Ik had zo gehoopt dat ik me gelukkig zou voelen.
De grote regenboogachtige, haast psychedelische bel van het samenwonen  spatte snel in duizenden spetters uiteen en de ogenschijnlijk kleurige spetters vormden duizenden kleurloze tranen.
De eerste echte stap naar zelfstandigheid heb ik samen met Broer en Zus genomen. Op een zondagochtend. Toen mijn vriendje weer eens weg was.
Alles wat ik had laadde ik in een Volkswagenbusje; eerst de katten, toen een koffer vol met kleren, de bank, een paar planten en een paar kartonnen dozen. De rest liet ik achter. Samen met mijn onnozelheid en minachting.
Mijn eerste eigen huis. Een benedenhuis. Een grote tuin met een boom. Een deur met een kattenluikje. Wat was het er heerlijk!
Ik heb er maanden geleefd zonder kasten; mijn kleren ergens op een stapel. Slapend op een matras op de vloer, twee katten aan mijn voeteneind. Maar wat voelde ik me rijk.
Broer en Zus. Ze hebben met me meegeleefd en met me meegeleden.
Ze hebben me bijgestaan in de strijd om volwassen te worden.
Broer, met zijn blauwe ogen als meertjes, Zus met haar kleine kokette kopje.
Ze hadden het fijn in ons huis. Ze jaagden op muizen en vogeltjes en wasten zich in het gras.

Toen Broer om het leven kwam bij een ongeluk, is Zusje hem na een paar maanden gevolgd. Zoals ze gewend was.Zoals ze altijd had gedaan. Achter haar grote broer aan. Het was vanzelfsprekend.
Het is toen een tijdje heel stil geweest.Vaak dacht ik dat ik ze hoorde, soms dacht ik dat ik ze zag. Het was meer dan missen.
In de loop der jaren zijn er veel andere katten geweest. Lieve katten, mooie katten, grappige katten, rotkatten. Katten die mijn leven kleur gaven en de aandacht op zich wisten te vestigen.
Maar Broer en Zus houden voor altijd een speciaal plekje in mijn hart.













Friday, 17 January 2014

Een dag in Frankrijk

Het was zomer.
Een zorgeloze zomer. Een zomer waar geen einde aan leek te komen.
Ik was vijf jaar en we waren in Frankrijk. Een klein dorp in een zonnig Frankrijk. Op de top van de berg stond een groot kasteel. Om het kasteel stond een hele hoge muur. Het straatje wat langs de kasteelmuur liep was hobbelig en slingerde omhoog. Mijn zus en ik speelden er met twee Nederlandse jongens die ook op vakantie waren.
Soms ging de bal waar we mee speelden per ongeluk over de muur en kwam in de tuin van het kasteel terecht.
Dan renden we lachend en gillend naar onze ouders, want de kasteelheer had een hekel aan kinderen en kon heel hard tegen ons schreeuwen. Hij zag er ook heel griezelig uit. Wij verstonden hem niet maar we waren wel bang.
Maar het was een leuk soort bang. Een nieuwsgierig soort bang. Een soort bang waar je hele lekkere kriebels van in je buik kreeg.
Ergens voelde ik me veilig, want mijn grote zus was er bij. Mijn zus zou me toch wel beschermen.
Het dorp had geen winkels. Er waren alleen maar huisjes, schuren, vuile katten en magere honden en kronkelende weggetjes, en er was ook een rivier.
In het dorp woonde een hele oude man. Wij noemden hem Opa Bernard.
Opa Bernard woonde in een oude schuur. De schuur had een lemen vloer en er stond alleen een hele oude antieke kast en een grote staande pendule. Zo'n klok van de wolf en de zeven geitjes. Over Opa Bernard werd in het dorp verteld dat hij heel erg rijk was. Ik begreep niet waarom hij dan in een schuur woonde.
De Nederlandse jongens kwamen ons vaak ophalen en riepen dan: kom we gaan snoep halen bij Opa Bernard!
Ik wilde liever niet maar ging toch maar mee. Dat moest nu eenmaal omdat ik de kleinste was. Dan klopten wij op de deur en liepen naar binnen. Binnen verschuilde ik me meestal achter mijn grote zus. Na alle verhalen die mijn ouders en de kleuterjuf over heksen en tovenaars verteld hadden was ik toch een beetje op mijn hoede. Snoep kregen we overigens nooit. Maar we kregen wel walnoten. Handen vol walnoten, die Opa Bernard met zijn eigen grote, vuile handen uit een jute zak schepte en ze vervolgens  in onze geopende kinderhandjes liet rollen. Binnen rook het er naar petroleum en verbrand hout.
Hoog op de berghelling, achter het kasteel had Opa Bernard al jaren geleden een graf laten aanleggen. Zijn eigen toekomstige graf. Hij was bijzonder trots op de imposante marmeren tombe. Een paar traptredes leidden naar een donkere ruimte beneden die kon worden afgesloten met een massieve deur. Het graf lag daar eenzaam te pronken op het hoogste punt van de berg. De massieve deur op een kier. In stille, geduldige afwachting van zijn toekomstige gast.
Opa had tegen ons gezegd dat we er wel mochten schuilen als we een keer door onweer of regen overvallen zouden worden tijdens onze vaste avondwandeling.  Er zou ruimte genoeg zijn voor ons alle vier.
Overdag gingen we naar de markt.
Ik weet nog dat ik een zomerjurkje droeg. een zomerjurkje met nopjes waar ik heel dol op was. De stof was heel dun en het rokje cirkelde als ik rondjes draaide. Ik droeg ook sandaaltjes.
Mijn zus liep naast me en de grond was heel droog en stoffig. Het stof zat tussen mijn teentjes. Overal werd voedsel verkocht: kaasjes met schimmel, groente en fruit en worst en pate. Ik probeerde zo boos mogelijk naar de vrouwen te kijken die argeloos levende kippen droegen. Ondersteboven aan de poten, hun koppen bungelend naar beneden.
Mijn vader en moeder liepen voor ons uit. Ze wandelden heel langzaam en ze lachten naar elkaar. Mijn vader hield mijn moeders hand vast. Mijn moeder was heel mooi.Heel mooi en heel gelukkig.
s' Middags zwommen wij in de rivier. Het water was lichtblauw en doorschijnend, er was ook een kleine waterval. Ik was bang voor de vissen die gewoon langs onze voeten zwommen en soms lichtjes je huid aanraakten.
Ik vond de vissen eng.
s'Avonds was ik ontzettend moe. Het was ook steeds zo vreselijk warm. En toen begon het onweer.
We stonden te kijken hoe enorme regendruppels de straten binnen enkele ogenblikken vol lieten lopen. Grote spetterende druppels die de kronkelende straten eventjes in kleine bergstroompjes veranderden; woest stromend en euforisch.
En na een klein uur was alles weer stil en gewoon. De straten droogden op en de vogels konden nog net een liedje zingen voor de duisternis inzette.
Toen ik al sliep tilde mijn vader mij uit bed.
Beneden zaten mijn zusje en mijn moeder op mij te wachten. Met z'n vieren liepen we de grote tuin in.
Het was een hele donkere nacht, warm en donker. Mijn moeder drukte haar vinger op haar lippen en we luisterden.
We hoorden hoe twee uilen met elkaar communiceerden, het was een spookachtig geluid.
Ik rilde van de slaap.
Mijn vader pakte me bij mijn hand en wees met zijn vinger in het donker.
En daar, zomaar uit het niets dansten allemaal kleine lichtjes. Vliegende, fladderende lichtjes. ik dacht dat het feetjes waren. Tinkerbell met haar vriendjes.
De volgende dag, toen ik niet meer wist of het een droom was geweest of werkelijkheid, vertelde mijn vader dat het vuurvliegjes waren geweest. En dat dat het heel bijzonder was.
Ik was nog klein maar ik weet het nog allemaal goed.
Het was een mooie dag.
Een dag om nooit te vergeten.