Monday, 25 August 2014

Verlies

In de Reijam schoolagenda die ik op de middelbare school had, stond de tekst: Je komt er pas achter wat iets betekent als je het verloren bent. Erbij stond een flauwe cartoon van een raar mannetje die verbijsterd naar beneden staart in een ravijn.
Gemis, daling,gebrek, perte, schade, tekort, leed, klap, definieert het woordenboek.
Loze kreten.
Verlies knaagt. Het knaagt een gat in je hart en in je maag, het vreet zich vast in je lichaam.
Het nestelt zich in je buik en schopt af en toe als een ongeboren baby om aan te geven dat het er nog altijd is.
Het maakt cynisch, boos verdrietig en eenzaam. Het verkilt, verwondt en martelt.

Mijn vriendin stierf op het verkeerde moment. Ze stierf op het moment dat ze nog jong was. Ze had recht op geluk (ongeluk had ze al genoeg gehad). Ze had recht om haar kinderen op te voeden, tijd met ze door te brengen. Ze had recht op lopen, op rennen, op zonlicht, op regendruppels, op kersengebakjes, op natte zoenen, op kerst, op avondwandelingen, op verjaardagen, op kleinkinderen, op lachbuien, op leven!
Ze werd gedwongen haar dochters los te laten. Ze had hun handen vanaf de geboorte stevig vast gehad.
Het was ondenkbaar om die kinderhanden los te laten. Het kon nog niet.
De wereld was nog te onbekend, te groot en onoverzichtelijk.
Welke schoft zou eisen dat zij de handen van haar kinderen los zou moeten laten?
Welke idioot zou een moeder daartoe veroordelen?
Ik was er woedend over.
Ik heb gevloekt, gebeden, gemediteerd, gegild, tegen kastjes geschopt en regelmatig teveel gedronken.
Uit wanhoop ben ik maar gaan hardlopen. Door regen en wind, zo hard als ik maar kon, inwendig schreeuwend.
Mijn tegenstander was een onzichtbaar meedogenloos wezen.
En ook al daagde ik hem onverschrokken uit, hij nam het duel niet aan.
Het was zinloos en onnozel.
Ik had geen wapens, geen munitie, geen logica, geen kracht. Ik kon niet vechten en niet helpen.
Ik voelde me een schertsfiguur.
Dat ze kanker kreeg was raar en ondenkbaar. We probeerden het eerst weg te denken, af te schaffen, te weigeren en weg te sturen. Kanker? Nee dank u, misschien over een jaar of dertig?. We vroegen het beleefd.
Toen dat niet lukte volgde een ziekenhuisopname. Bestralingen, een operatie, chemo.
De prognoses waren goed.
Het duurde een klein jaar. Ik ben weer beter, zei ze toen.
U bent weer beter, zei de dokter.
Wat geweldig dat je weer beter bent! zei iedereen.
Op een middag stond ze weer voor mijn deur. Net als die eerste keer toen ze het knobbeltje in haar borst net had ontdekt.
Ik heb zo'n pijn, zei ze.
De huisarts wilde haar niet helpen. De specialist kon haar niet zien. De Eerste hulp stuurde haar terug naar huis.
Ze had zoveel pijn dat ze niet kon staan en niet kon liggen.
Na lang aandringen deed de huisarts toch iets; zij liet mijn vriendin opnemen in het ziekenhuis op de afdeling psychiatrie.
Gelooft u nou maar dat u beter bent. Dan gaat de pijn vanzelf weg zeiden ze.
Maar de pijn bleef.
Verlies: (zelfstandig naamwoord)  Het overwonnen worden.Het niet meer hebben van iets of iemand".

Buiten was het warm, eind augustus. Een van de laatste echt zwoele zomerdagen. Een dag waarop je gewoonlijk naar zee gaat, of op een terrasje neerstrijkt. Een dag waarvan de avond lang aanhoudt. Waar het niet donker wordt.
In het hospice was het koel. De gordijnen van haar kamer stonden op een kier. Het licht was gefilterd. Haar ogen waren gesloten toen ik weg ging.
Ik heb die middag heel lang haar hand vast gehouden. Heb haar gezegd dat ik van haar hield. Dat het goed was.
Toen ben ik naar huis gefietst en ben ik met het eten begonnen. Daarna hebben we in de tuin gegeten. Ik heb mijn kinderen naar bed gebracht en ben tot laat op gebleven.

Die dag is ze gestorven. Ik verloor mijn vriendin die dag.














.


Tuesday, 19 August 2014

Bang

Als kind was ik vaak bang.
Ik was bang voor de heks uit het sprookjesboek en bang voor de enge man uit de televisie serie.
Voor schaduwen op mijn slaapkamermuur, voor plotselinge geluiden in het donker en voor onweer.
In mijn herinnering onweerde het in mijn kinderjaren voornamelijk 's nachts, als mijn ouders niet meer op waren en ik alleen in mijn bed lag. Met het onweer kwamen alle heksen, enge mannen, schaduwen en geluiden mee. Ze verzamelden zich in mijn slaapkamer en verstopten zich onder mijn bed, op de gang en in stapeltjes kleren die rondslingerden.
Pas wanneer ik genoeg moed had verzameld vluchtte ik met bonzend hart mijn bed uit en rende struikelend naar de slaapkamer van mijn vader en moeder. De angst schoot vuurpijlen door mijn lichaam en prikte naalden in mijn voetzolen.
Om bij mijn ouders te komen moest ik door de spookachtig verlichte woonkamer. Het ergste was het onverbiddellijke geweld van de donder wat me onderweg leek te achtervolgen als een beest. Het bulderende lawaai waar geen ontkomen aan was en wat me de adem benam.
Toen ik twintig was heb ik in een recalcitrante bui ooit dwars door een onweersbui in de stad gefietst. Het was een zwoele zomerse nacht waarin plotseling het weer omsloeg.
Inwendig bevend maar ogenschijnlijk dapper heb ik naar de zwarte lucht gefronst terwijl ik mijn fiets van het slot haalde. Er was mij die avond gezegd dat je om je angsten te overwinnen je ze moest trotseren en dit leek me een goede gelegenheid. Bovendien was ik net vrijgezel, ik was aangeschoten en ik voelde me overmoedig.
De tocht door Amsterdam was verschrikkelijk; donderslagen volgden elkaar razendsnel op en hoog in de lucht zigzagde krakend het weerlicht. Mijn wangen werd gegeseld door minuscule hagelsteentjes en mijn voeten glibberden haast van de trappers. Hier en daar schuilde wat uitgaanspubliek onder een winkelpui, maar ik fietste gehaast door, ik kon nu niet meer stoppen met het beest op mijn hielen.
Toen ik thuis aan kwam was ik nat tot op het bot. Ik opende de deur naar de tuin en keek naar de neerkomende regen. Het onweer was nu bijna voorbij maar sputterde mopperend nog wat na, ergens ver weg, aan de rand van de stad. Ik hief mijn vuist naar de lucht en voelde me trots. Het was me gelukt.
Jarenlang leek mijn angst ook werkelijk minder.
Maar kort geleden schrok ik midden in de nacht wakker van een meedogenloze donderklap. Ik trilde over mijn hele lichaam en tranen stroomden over mijn wangen. Gelukkig was mijn man er om me aan vast te klampen, zoals daar vroeger mijn vader en moeder geweest waren om bij te schuilen. Maar ik realiseerde me: Ik ben nog steeds bang, net als toen.
Een heleboel andere angsten heb ik wel kunnen verdrijven. Ik heb ze de kop in kunnen drukken of simpelweg genegeerd.
Godzijdank, want ze maakten het me behoorlijk lastig.
Sommige van die angsten waren net zo onberedeneerbaar als mijn angst voor onweer.
Zo was ik bang om te reizen.
Als ik met de trein naar een bepaalde bestemming moest gierden de zenuwen door mijn lijf.
Ik was bang dat ik op de verkeerde trein zou stappen, bang dat ik het juiste station zou missen en dat ik over zou moeten stappen.
De gehele treinrit was ik gespannen en onzeker. Ik was bovendien bang dat iedereen zou zien dat ik bang was. Dat leek dan weer zo belachelijk dat ik me daar weer voor schaamde.
De figuranten: Personen die stuk voor stuk ontspannen doch gedecideerd met hun koffers onderweg waren. Zelfs diegenen die overduidelijk een andere taal spraken waren volstrekt ontspannen onderweg naar het juiste perron. Vanzelfsprekende reizigers. Normale mensen. Gewone mensen die van punt A naar punt B voort bewogen. Doodgewoon, niets engs aan.
Voor mij was het een bevestiging dat ik een vreemde was. Een buitenstaander. Temidden van al die doodgewone mensen die doodgewone dingen deden waar verder niemand bang voor was.
Ik had vroeger een vriendin die in haar eentje drie maanden door Amerika ging trekken. Dat was een ondenkbare gedachte voor mij: de rare angsthaas.
Ik was bang voor heel veel dingen, zonder het te begrijpen.
Voorts was ik er altijd van overtuigd dat ik veel dingen vast niet zo goed kon als anderen.
Ook was ik bang dat ik niet snel genoeg leerde, of als iemand me iets uitlegde ik het verkeerd zou doen en dat men me dan raar zou vinden.
Daarom durfde ik veel dingen niet aan.
Uit angst om raar te worden gevonden.
Vermoedelijk heeft er een kentering plaats gevonden toen ik op een dag besloot dat ik mezelf toch goed genoeg vond en dat het welletjes was.
Ondanks mijn vermoedelijke raarheid.
Ondanks wat anderen zouden vinden.
Toen veranderde er veel.
Mensen denken nu vaak dat ik dapper ben. Dat ik zelfverzekerd ben. Soms vinden mensen mij zelfs arrogant.
Maar dat vind ik niet erg.
Ik vind onweer erger.
















Wednesday, 30 July 2014

Delicatessen

Ik ben niet zo'n snoepkont. Eigenlijk ben ik iemand die zichzelf alleen bij hoge uitzondering iets lekkers gunt; dit ook met het oog op de slanke lijn; ik eet liever een hele lekkere luxe Belgische bonbon, dan een kilo zeevruchten van Jamin.
Bonbons smaken het beste als je in de verpakking een handleiding aantreft die je kunt raadplegen. Zo'n glanzend foldertje met foto's van de bonbons die zich in het doosje bevinden. Naast de afbeelding wordt in sierlijke letters de naam vermeldt, plus een beschrijving van de ingredienten : Ierse room, exotische likeur, rauwe cacao, delicaat fruit, gezouten caramel en verse boter.
Goede bonbons prop je niet zomaar in je mond, die neem je waar je met al je zintuigen. Dat is een ritueel, een belevenis. Het begint bij het openen van het doosje waar de bonbons keurig op rijtjes gerangschikt liggen, twee verdiepingen, gescheiden door een flinterdun cellofaantje. Ze zijn zorgvuldig in het doosje gestopt door een keurige dame met een porseleinen huid en katoenen handschoentjes.
Alvorens de bonbon in de mond te steken dient men de beschrijving aandachtig te bestuderen zodat een weloverwogen keuze gedaan kan worden. Heeft men die gemaakt, dan volgt het proces van het verwijderen van de fragiele goudkleurige wikkel. Bonbons eten is een serieuze aangelegenheid waarbij men niet gestoord dient te worden.
Bij het kopen van bonbons moet ik vaak denken aan de "Crunchy Frog", een legendarische sketch van Monthy Python. Daar beschrijft de eigenaar van The Whizzo chocolate company met geaffecteerde stem zijn "Whizzo quality assortment". Het water loopt je al snel in de mond, ware het niet dat de vulling van sommige bonbons nogal ongewoon is. Met name de crunchy frog zelf, waarvoor alleen de fijnste baby kikkertjes worden gebruikt die een voor een met de hand worden uitgezocht en speciaal worden ingevlogen vanuit Irak. Vervolgens worden zij schoon gespoeld in het fijnste bronwater, lichtelijk gedood en verzegeld in  sappige, Zwitserse triple melkchocolade en liefdevol berijpt met fijne kristalsuiker.
Een zeer exquise bonbon dus en ongetwijfeld bestaan er individuen die -mits het hier niet scherts betrof- bereid zouden zijn enkele tientallen of wellicht honderden euro's voor deze lekkernij neer te tellen. Een mals kikkertje gehuld in romige Belgische chocolade; knisperig en vol van aroma.
Dit genot is uiteraard slechts weg gelegd voor echte connaisseurs die zowel het geld als de uitgelezen smaak hebben om zich exclusieve delicatessen te veroorloven..
Eten. Niet alleen een noodzakelijke levensbehoefte maar tevens een quasi nonchalante must voor de levensgenieter. Mits het op de juiste wijze wordt gedaan.
Daarbij is kennis van de beste restaurants, de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van food en de know how van de juiste keuken equipment onontbeerlijk. Een Le Creuset pan of een Global messenset is een even belangrijk status symbool als een Gucci tas of een paar Louboutin schoenen en zodoende een belangrijk gespreksonderwerp tijdens het tafelen met vrienden of collega's. Bovendien is het lang niet zo riskant als politiek.
Lekker eten en de gecompliceerde wereld eromheen is een way of life, een quasi nonchalante joie de vivre.
Maar het is zelfs meer dan dat.
Lekker eten is erotiek.
Een van de meest romantische avonden die ik als twintiger ooit beleefde, was geensceneerd door mijn toenmalige tot over zijn oren verliefde vriendje.
Geheimzinnig glimlachend stond hij op een mooie zomeravond voor mijn deur. Op zijn rug hield hij een bos vuurrode rozen en in zijn handen hield hij een tot op de rand gevulde boodschappentas.
Ik opende de deur voor hem en hij dirigeerde mij onmiddellijk naar de slaapkamer. Zelf stevende hij vastberaden op het aanrecht af.
"Trek jij maar iets moois voor mij aan"sprak hij, terwijl hij intussen naar me knipoogde.
Vanuit mijn ooghoek zag ik hoe hij aardbeien, slagroom, ganzenlever, een doos raketjes en een fles champagne voor zich uitstalde.
Voor ik met mijn ogen kon knipperen werd ik, zo goed als naakt geblinddoekt vastgezet op een keukenstoel, de handen op de rug gebonden. Met de mededeling mijn mond geopend te houden en mijn tong zo ver mogelijk uit te steken.Ik rilde van opwinding.
Toen ik uiteindelijk, emigszins besmeurd los gemaakt werd mocht ik in bed gaan liggen en werd mijn hele lijf (met speciale aandacht voor bepaalde kwetsbare delen) versierd met slagroom, en vervolgens schoon gespoeld met champagne. 's Ochtends waren de lakens ranzig en plakkerig en roken naar zure room.
De katten waren niet meer uit de slaapkamer weg te slaan.
Het deed mij denken aan het hilarische verjaardagsspelletje waarbij je als kind geblinddoekt werd en gedwongen werd te proeven wat er in je mond werd gepropt. Meestal was dat achtereenvolgens suiker, sambal en groene zeep.
Ook toen al vond ik het spannend. Dingen opeten die je niet lust, kent of die je griezelig vindt; dat is eng.
Zijn we allemaal als kind niet in min of meerdere mate getraumatiseerd door onze vaders en moeders? Gekweld met tot de rand gevulde borden en de bijbehorende boodschap: Je blijft maar net zo lang aan tafel zitten tot je het op hebt!
Ik ken schokkende verhalen van kinderneusjes die hardhandig dicht geknepen werden en lepels met walgelijke groene smurrie die naar binnen werden geforceerd. "Denk aan de arme kindjes in Afrika!"
Enorme gevolgen hebben soortgelijke ervaringen op mij gehad.
Namelijk dat ik een zeer selectieve eetster ben geworden, een snob als u wilt. Ik lust geen Hollandse pot, geen stamppot en geen spruitjes, ik walg van draadjesvlees met vet en krijg braakneigingen van rode kool. Mijn eigen kinderen hebben zulks nog nooit gegeten, omdat ik het nooit op tafel heb gezet. Maar ik ben niet eenkennig.
Ik eet gewoon alleen wat ik lekker vind. Ik heb een goede neus en verfijnde smaakpapillen en ik vind ook dat een gerecht er op een bord mooi uit moet zien. Ook eet ik nooit voor de televisie, met mijn bord op schoot, maar dek altijd de tafel. Eten is voor mij iets wat leuk en lekker moet zijn. Een feest der zintuigen en een moment van ontspanning en samenzijn. Genieten.
Zo nu en dan overkomt het me wel eens dat ik buitenshuis iets voorgeschoteld krijg wat me even de adem beneemt. Een hapje wat zo bijzonder is dat het me de ogen doet sluiten en alles om me heen doet verdwijnen. Een extatische eetervaring, een smaakexplosie, foodporno.
Het komt niet vaak voor, maar wanneer het gebeurt is het een onverwachte, overweldigende ervaring.
Een geruststellende gedachte voor later. Dat op mijn oude dag, wanneer mijn ledematen broos zijn, mijn haren wit en mijn huid gerimpeld het genot van een orgastische belevenis nog tot de mogelijkheden behoort.



Wednesday, 18 June 2014

Warme melk

"Ik kan niet slapen!" klinkt het op klaaglijke toon.
"Ik kom er aan" roep ik naar boven. Ik hijs mezelf zuchtend van de bank en loop de keuken in, open de ijskast en vul een beker met melk, ik zet de beker in de magnetron en wacht lijdzaam tot hij warm is.
Intussen tuur ik om de hoek en probeer ingespannen het programma op de televisie te volgen.
Dan sjok ik de trap op met de beker in mijn hand.
Het licht van de gang valt even op het gezicht van mijn zoon als ik de deur van zijn slaapkamer open doe.
Een smal koppie met grote amberkleurige ogen die me treurig aankijken.
Ik zet de beker op het nachtkastje en ga op zijn bed zitten.
Wat is er aan de hand jongen? Ik schuif het gordijn een klein stukje open zodat ik zijn gezichtje weer een klein beetje kan zien. Onze schaduwen worden op de muur geprojecteerd door het strakke maanlicht.
Hij veegt zijn hand over zijn ogen om een paar opwellende tranen te slim af te zijn.
Ik weet het niet mama.
Kom eens even bij me, zeg ik en ik buig me over hem heen en pak hem vast.
Twaalf jaar  is hij en hij bevindt zich nog net in die bijzondere wereld. De wereld van kwetsbaar mogen zijn, gek mogen doen, afhankelijk en zorgeloos mogen zijn en op de vanzelfsprekenheid van het leven te vertrouwen. Een nog afgebakend bestaan.
Hij vind het nog net fijn om af en toe lekker ingestopt te worden, om geknuffeld te worden en doodgekieteld. Nog maar net. Maar het echte zorgeloze kinderbestaan is eigenlijk al over. Er is al huiswerk, er zijn al leuke meisjes die zich soms onbegrijpelijk gedragen en klootzakken van onderwijzers. Er wordt al behoorlijk geredeneerd en getwijfeld in zijn jongenskoppie. Langzaam begint zijn leven gecompliceerder te worden.
Een afscheidszoen op het schoolplein zit er niet meer in. Het zal waarschijnlijk niet lang meer duren of hij zal ook thuis mijn moederlijke knuffels en troostende armen afweren.
Maar nu houd ik hem stevig vast en voel hoe zijn onrust langzaam wegebt. Het komt wel goed jochie, fluister ik in zijn oor.
Ik voel hem langzaam tegen me aan smelten. Tot ik weet dat hij weer rustig is en in slaap kan vallen.
Drie kinderen heb ik en hij is de jongste. Twee meisjes die al onder de categorie "jonge vrouwen" vallen. Die op straat nagefloten worden. Die hun nagels in dezelfde kleur lakken als ik. Die dezelfde boeken lezen als ik en mij erop wijzen welke nieuwe muziek de moeite waard is om te beluisteren. Jonge vrouwen die hun eigen boontjes kunnen doppen.
Over drie weken is de lagere school verleden tijd. "Fijn" zegt men tegen mij, dan krijg je eindelijk "tijd voor jezelf". Kom je "eindelijk weer eens aan bepaalde dingen" toe.
Op zolder slingert hier en daar nog een half ontklede Barbie of een kapotte action man. Struikel ik bij het opruimen wel eens over een vergeten Lego blokje en vind ik ergens onder in een doos soms een Nijntje poppetje, een Jip en Janneke boek of een versleten knuffelbeer.
Het zijn al herinneringen.Getuigen van voorbije jaren.
Ik  sluit de deur van mijn zoons kamertje behoedzaam en duw de kat die opgetogen met opgeheven staart naar binnen wil glippen nog net weg.
Beneden is het tv programma reeds afgelopen en zoals te verwachten heb ik het plot gemist.
Ik vind het niet erg.
Dit zijn momenten die ik moet koesteren. Ik mag nog even moederen.

's Ochtends gaat de wekker vroeg. Ik smeer boterhammen met Nutella en zet een kopje thee en een kopje koffie.
Dan stappen we samen op de fiets.
Als snel komen we in een stroom fietsende scholieren terecht. Ze zijn stuk voor stuk erg lang en ze ogen volwassen.
Voor de poort van het lyceum stappen we af. We moeten oppassen niet door de fietsers geraakt te worden want we worden links en rechts gepasseerd.
Gelukkig komen we heelhuids aan bij de hoofdingang.
Hier is je tas, zeg ik met een geforceerde glimlach. Heel veel plezier op je eerste schooldag.
Hij loopt behoedzaam naar binnen, draait zich nog een keertje om en verdwijnt dan in de menigte.
Even sta ik verdwaasd op de stoep. In mijn eentje. Ik haal diep adem en stap op mijn fiets.
Maar voor ik weg kan fietsen staat er plotseling een jongetje voor mijn neus. Een heel klein jongetje met een hele grote tas op zijn rug.
Mevrouw zegt hij met een dun stemmetje, kunt u mij helpen?
Ik fiets met hem mee naar de stalling waar hij met enige moeite zijn veel te grote fiets op slot weet te zetten zonder om te vallen.
Dan volgt hij me terug naar de hoofdingang.
Dankuwel mevrouw, zegt hij tegen me. Zijn wangen zijn vuurrood.
Mijn moeder moest werken en mijn vader moest op de baby passen vertelt hij. Ik ben al groot genoeg om alleen te gaan.
Zijn blik is vol ongeloof.
Het jongetje bibbert een klein beetje als ik de deur voor hem openhoud. Het lukt hem met tas en al naar binnen te manoeuvreren zonder de zware deur tegen zich aan te krijgen.
Je bent zeker groot genoeg! Roep ik hem na. Het komt helemaal goed!
Opgelucht stap ik op mijn fiets en keer terug naar huis.
Ik kan een glimlach niet onderdrukken.


Tuesday, 27 May 2014

Copa cobana

Elke keer als ik het liedje van Barry Manilow hoor moet ik even aan jou denken.
"His name was Rico, he wore a diamond" Het is een geweldige evergreen; een kraker die nog regelmatig  op Sky radio of bij 's werelds langstlopende radioprogramma Arbeidsvitaminen te beluisteren is.
Muziek voor de huisvrouw en de stratenmaker. Voor wie wel wat muzikale afleiding kan gebruiken tijdens het ramen lappen of het loswrikken van oude stoeptegels.
Iedereen weet  wel een deel van de tekst; iedereen kent de melodie.
Voor mij is het liedje een aanknopingspunt naar een herinnering. Naar jou, mijn vriendje van vroeger. naar lang geleden.
We waren een jaar of vijftien toen we elkaar leerden kennen. Zaten allebei op dezelfde school; in de pauze stonden we altijd bij elkaar.
Al snel zagen we elkaar ook na school. Omdat jij iets ouder was dan ik keek ik een beetje tegen jou op.
We werden goede vrienden.
Vaak bleef je slapen, in het kleine benedenhuis in de Eerste Helmersstraat. Mijn ouders waren toen nog getrouwd. Jij sliep op de stretcher, ik in mijn eigen bed. We waren verbaasd toen mijn vader dat ineens niet meer toestond. Mijn oom Guus, die ook in de kamer zat, verklaarde:" Jullie zijn pas zestien jaar. Je kunt misschien al heel goed autorijden, maar dat mag je ook nog niet".
Ik was verontwaardigd; we waren immers maatjes, niets meer dan dat.
Je at ook zeer regelmatig mee. Mijn ouders vonden je aardig, je hoorde er een beetje bij.
Op mijn kleine kamertje luisterden we naar discomuziek. We rookten stiekem Marlboro's, ik vertelde jou prive dingen over mijn vriendjes, jij  over jouw vriendinnetjes. Soms ontsnapte ik van huis door het grote raam open te schuiven en stiekem de stad in te gaan. We dwaalden door het nachtelijk Amsterdam tot ik niet meer naar huis durfde.
Samen gingen we naar feestjes, naar het Vondelpark en naar onze vaste discotheek op de Prinsengracht. In de vakanties ging je  mee naar onze boerderij in Groningen. We waren altijd samen.
Er werden flauwe grapjes over gemaakt, maar we trokken ons er niets van aan.
Op een dag had ik zo'n ruzie met mijn ouders dat ik boos van huis wegliep. In paniek belde ik jou. Je wachtte me op voor  het Americain hotel en probeerde me te helpen onderdak te vinden.
Het Americain was de plek waar we altijd afspraken en waar we geintjes maakten over de ouderwetse obers. Harry Mulisch zat er vaak, en soms Simon Carmiggelt, dat vonden we wel interessant.
Een enkele keer gingen we ietwat gegeneerd naar Mac Donalds. "Als ik volwassen ben ga ik nooit meer naar Mac Donalds" beloofde je plechtig. "Dat kan dan echt niet meer".
Ik vond dat je gelijk had.
Je was mijn rots in de branding. je was mijn vriend.
Toen mijn ouders steeds vaker ruzie kregen besloot mijn moeder tijdelijk te verhuizen. Als reactie was mijn vader nauwelijks nog thuis. Dan zat ik alleen.
Gelukkig hield jij me vaak gezelschap. Samen zaten we in de woonkamer en we praatten. We beschouwden onszelf als jonge intellectuelen, we besloten te stoppen met luisteren naar discomuziek en draaiden de langspeelplaten van mijn vader: Nat King Cole, Sarah Vaughn en Billie Holiday.
We filosofeerden en beoordeelden het leven vanuit onze jeugdige en ietwat arrogante overmoed. Toch waren we ons ergens bewust van een sprankje bitterheid, een stukje onzekerheid wat we echter goed wisten te verbloemen als we samen waren.
We waren het meestal met elkaar eens. Naast een bijzonder wereldbeeld deelden we een stukje cynisme en een apart gevoel voor humor.
We spraken af dat als we kinderen zouden krijgen  we samen zouden gaan shoppen in de PC Hooftstraat. Ook zouden we ooit samen in de Eerste Helmersstraat gaan wonen. Maar eerst moesten mijn ouders het bijleggen en naar Groningen verhuizen.
We maakten samen veel plannen.
Maar op een onverwacht moment veranderde er iets tussen ons.
Op een vroege ochtend klopte je bij mij aan en ik liet je zachtjes binnen. Ik bood je de helft van mijn bed aan en een stukje van mijn hoofdkussen. Je schoof tegen me aan, en ineens voelde ik je strelende hand.
Die nacht veranderde onze vriendschap voorgoed.
Vanaf dat moment werd ik verlegen als ik je zag. Ik begreep niet meer wat ik voelde en ik durfde het niet tegen je te zeggen.
Ons contact veranderde. Vriendschap maakte plaats voor verlangen. Ik had nooit gedacht dat ik dat zou voelen bij jou.
Het voelde breekbaar en onzeker.
Een van de laatste keren dat we bij elkaar waren had ik het huis weer helemaal voor mij alleen.
We besloten in het grote bed van mijn ouders te gaan slapen. Ik weet nog goed hoe donker en stil het was.
Ik herinner me nog precies jouw woorden; dat ik het eerste meisje voor je was. En ik weet nog goed wat ik terug heb gezegd en hoe kwetsbaar we allebei waren.
Het was een mooie maar ook een tragische ruil.
Een gelijk oversteken: Mijn vriendschap voor jouw maagdelijkheid.
Een deal die de moeite waard was maar die mijn hart brak.
Een winst en een verlies.
Een einde.

Vorige week was ik voor het eerst sinds jaren weer terug in de Eerste Helmersstraat. Samen met mijn man en mijn kinderen.
Mijn oude straat. Het was allemaal nog even vertrouwd. Het kleine benedenhuis stond te koop.
Voorzichtig heb ik mijn neus tegen het raam aangeduwd en naar binnen gekeken.
Ik vond het dapper van mezelf. "Dit is oma's oude huis" heb ik tegen mijn kinderen gezegd.
Toen ben ik weer verder gegaan.


Tuesday, 6 May 2014

Terug naar Limburg

Het zilveren bruiloftsfeest was een indrukwekkende gebeurtenis. s' Middags moesten wij reeds aanwezig zijn in de prachtig versierde zaal waar het buffet opgediend zou worden. Mama parkeerde er vast de auto. Maar eerst gingen wij naar de kerk.
Ik herkende mijn moeder bijna niet. Hier in Limburg, tussen haar familieleden, leek ze zo anders. 
Ze keek blij en lachte aan een stuk, met een stralende met lipstick gestifte mond, maar haar hand klemde onzeker in de mijne en wanneer ze iets tegen mij zei  praatte ze te snel en te luid.
Ik vond het griezelig om de kerk binnen te stappen die voor deze speciale gelegenheid zijn grote deuren wagenwijd open had gezet. Het was er zo groot en het klonk er hol en leeg. het rook er net als bij ons thuis in de kelderkast.
Mijn moeder liep in het midden, mijn zusje aan de ene kant en ik aan de andere kant. Mijn vader was in Amsterdam gebleven. Zo met ons drieen voelde het veilig.
We moesten er "keurig netjes" uitzien had mama gezegd. Ze had onze haren geknipt en zelf onze jurkjes genaaid. Vanochtend had ze wat spuug in haar handen gedaan om een vlekje van mijn wang te poetsen. Ik had haar boos weggeduwd. Terwijl we de kerk inliepen voelde ik hoe een van mijn kniekousen geleidelijk naar beneden zakte.
Mijn moeder droeg een wollen rok met glanzende puntige lakschoenen waar ik mijn ogen niet van af kon houden. Op de stenen vloer van de kerk maakten ze een interessant klik klak geluid. Ik was trots op haar, maar ergens was ik ook teleurgesteld.Ik wist niet waarom.
De kerk was groot en mooi. Maar het was er koud en we mochten niets tegen elkaar zeggen.
Toen mijn tante begon te zingen begon ik zachtjes te beven. Zoiets moois had ik nog nooit gehoord.
Met mijn wang leunend tegen het bontjasje van mijn moeder spiedde ik luisterend om mij heen.
Het beeld van de huilende Jezus Christus probeerde ik te ontwijken. Smekend hing hij zijdelings aan een groot houten kruis. Bloed stroomde langs zijn ledematen. Ik vond het geen prettig beeld. 
Ik liet mijn blik rusten op de prachtige Maria. Devoot en gelukzalig keek ze omhoog, haar handen gevouwen. Een kleine naakte engel lag wenend in haar schoot. Een tweede engel stond hoopvol met geopende vleugels tegen haar aangeleund.  De serene, beeldschone Maria met haar opgeheven hoofd dwong bij mij meer respect af dan  de half ontklede Jezus die vol zelfbeklag jammerend aan zijn kruis hing.
"Ave Maria" fluisterde mijn moeder. "Zo heet dat liedje".
Mijn moeder sloot haar ogen en neuriede zachtjes mee met mijn tante. Ik hield mijn ogen op het Mariabeeld gericht en verdacht haar ervan ook stilletjes mee te luisteren, bevroren in het marmer.

In de zaal brak de feestvreugde los. Het was een vreemd contrast met de ijzige, gecontroleerde gebeurtenissen van die ochtend in de kerk.
Eerst werd er enorm veel gegeten en gedronken. En daarna was er zang en dans. Er waren verkleedpartijtjes, sketches en er waren liederen waar iedereen de woorden van kende.
Voor mij en mijn zusje was er enorm veel belangstelling; tantes en ooms die ik ik nauwelijks kende pakten ons stevig vast en drukten zoenen op wangen en voorhoofd. Ik werd een paar keer goedmoedig doch hardhandig heen en weer geschud, bij mijn kin gepakt en over mijn hoofd geaaid. Telkens werd er van mij verwacht dat ik vertelde of ik mijn best deed op school. 
Ik moest goed opletten om mijn tantes en ooms te verstaan en keek ze soms met grote ogen vragend aan. Dan gingen ze steeds harder tegen mij praten en duidelijker articuleren. Maar dat maakte geen verschil.

"Dat jij dat verstaat mama", zegt mijn zoon tegen mij. We zijn in Valkenburg en gaan de grotten bezoeken. Onze gids doet duidelijk zijn best om goed verstaanbaar te zijn en kijkt mijn kinderen glimlachend aan.
"Laten we naar Limburg gaan" had ik tegen mijn man gezegd. Het is zo lang geleden dat ik daar ben geweest.
Het Limburg van toen ik een kind was. het bestaat nog steeds. Zo intensief als Amsterdam aan verandering onderhevig is; zo lijkt de tijd hier stil te hebben gestaan.
Op een dikke boomstam is een bord gespijkerd met de letters: "Lunchroom".
Het is een jaren vijftig achtig bord, en de lunchroom zelf heeft ook een ouderwetse uitstraling. De ober die het terras bemand draagt een zwart tenue en een witte sloof. Hij loopt een beetje gebogen en maakt een vermoeide indruk, maar wanneer hij onze tafel weet te bereiken glimlacht hij professioneel en begroet hij ons vriendelijk en alsof hij het werkelijk meent. Zijn accent ontroert mij.
Op de tafel wappert een geplastificeerd kanten kleedje en er staat een bakelieten asbak. In een taartvitrine staan Limburgse vlaaien.
De keurig ogende gasten op het terras lijken allen afkomstig uit dezelfde provincie. Op een paar Duitse wielrenners na spreekt iedereen hier op dezelfde zangerige wijze.
Wanneer mijn moeder vroeger terugkeerde van een bezoek aan haar familie duurde het altijd een paar dagen voor ze weer "gewoon" sprak. Daar plaagden wij haar altijd mee. Het was alsof haar stem stiekem heimwee had. 

Toen ik wat ouder was bleef ik alleen in Limburg. dan bracht mijn moeder me naar een van haar zusters waar ik mocht blijven logeren. Zeven zusters had ze. En twee broers. Ik had dus een rijk aanbod aan tantes en ooms en een enorme hoeveelheid neven en nichten.
Bij tante Mien vond ik het misschien wel het leukst. Het was een huis als uit een kinderboek; er woonden zoveel kinderen dat het er altijd druk en gezellig was. Althans, dat vond ik als kind.
Het huis op de Boerendansweg was groot en als je de trap naar boven nam kwam je in de kinderslaapkamers die vol stonden met stapelbedden. Elf kinderen woonden er in het huis. Allemaal neefjes en nichtjes van mij. Ik vond het een groot feest.
Mijn vader dacht daar anders over en mopperde altijd een beetje over het katholieke geloof en meneer pastoor als dat grote kinderaantal ter sprake kwam. Ik geloof niet dat mijn vader graag in Limburg kwam. 
Op een avond, toen ik bij tante Mien logeerde vroeg een van mijn nichtjes: "Gaan jullie nooit naar de kerk?"
"Nee" zei ik. en ik schaamde mij er een beetje voor.
Mijn nichtje reageerde geschrokken. "Waar geloven jullie dan in?"
"Wij hebben geen geloof" antwoordde ik.
"Dat kan niet" zei mijn nichtje. "Iedereen heeft een geloof".
En daarmee was de discussie gesloten.

Het Limburg van vroeger. Ik wilde het weer zien en ervaren. maar ik denk dat het toch niet meer bestaat. En ik weet niet zeker of ik dat erg vind.

Tuesday, 1 April 2014

Vlinder

Daar gaat ze. Mijn kleine blonde meisje.
Ze is pas zestien jaar geworden. Ze is het meisje uit de liefdesliedjes. Het meisje uit de gedichten. Het meisje uit het prentenboek. Geheimzinnig glimlachend staat ze in een veld vol bloemen. Ze draagt een witte jurk van dunne katoen. Een stralende, beeldschone prinses.Ze kan communiceren met de dieren en alle kleuters zwaaien naar haar.
Ze staat te wankelen op de springplank naar volwassenheid.
Ze is nog niet van plan haar kinderlijkheid, die haar een speciale glans geeft, los te laten.Ze is zowel meisje als jonge vrouw.
Ze houdt haar kinderlijkheid geklemd in haar hand wanneer ze, zelfverzekerd en uitdagend over straat paradeert; jongens kijken smachtend toe. Ze kijkt niet op maar laat haar lange blonde haar wapperen en glimlacht stoicijns.
Niemand heeft nog recht op haar. Niemand eist haar nog op. Ze is nog vrij.
Ik denk aan zestien jaar geleden: de mooie baby die in mijn armen werd gelegd en niet huilde. Ze keek me aan, was stil en het leek alsof ze er altijd al was geweest. Ergens in mijn onderbewustzijn.
Toen ze een paar dagen oud was dacht ik dat ik haar zou verliezen. Haar lijfje hing slap in mijn armen. Van ons warme bed thuis, gehuld in een rozige zoete wolk bevond ik me plotseling in een ziekenhuisbed. Helemaal alleen op een stille zaal. Met borsten die pijn deden en een hart dat bijna scheurde van verdriet.
Maar ze vocht. Ze bleef. Ik mocht haar houden.
Vandaag doet ze een stapje bij mij vandaan. Een sprongetje maakt ze. Ik sluit even mijn ogen. Maar als ik ze open durf te doen zie ik haar vrolijk fladderen. Ze doet me denken aan de eerste vlinder van dit jaar.
Mooi en kleurrijk, onbevangen. In staat om elke argeloze voorbijganger een glimlach te ontfutselen. Een eigenzinnig sprookjesachtig wezen.
Gisteravond zat ze even alleen op de bank. Toen ik beneden kwam zag ik haar gezichtje betrekken. Ik schoof tegen haar aan op de bank, haar broertje schoof aan de andere kant. Ze huilde, maar ze wist niet precies waarom.
Misschien voelde zij ook dat ze weer een klein stukje afscheid  nam.
In het ziekenhuis toen zij een zieke baby was, moest ik na een paar dagen mijn ziekenhuisbed afstaan en kreeg ik een stretcher die de zuster in de babykamer neerzette.
Zij lag daar met vier andere kindjes. s' Nachts huilden ze allemaal op een ander moment. Sommigen hard, anderen zacht. Maar ik werd alleen wakker van haar gehuil.
Nu word ik nog steeds wakker als ze ziek is, of wanneer ze verdriet heeft.
Vanochtend heel vroeg is ze vertrokken naar Londen met school.
Ze gaat winkelen op Kings Road, scones eten in Harrods en wandelen langs de Thames. Ze gaat op avontuur.

De bus staat te wachten.Er gaat een rilling door mijn lijf als ik haar zie instappen. Daar gaat ze. Ik glimlach dapper en steek mijn hand naar haar op. Ze heeft het te druk en ziet mij niet. Ik draai me om en loop beteuterd terug naar mijn auto.
Als ik instap zie ik haar ineens rechtop in de bus staan. Ik zie hoe ze naar me lacht en zwaait. Ineens zie ik weer dat kleine meisje.

Vannacht zal ik waarschijnlijk even wat moeite hebben met inslapen.
Maar ik weet zeker dat ik wakker zal worden als ze me nodig heeft. Ook al is ze ver weg. En dan zal ik extra aan haar denken. Zodat ze voelt dat ze veilig is. Mijn vlinder.