Wednesday, 20 May 2015

Als de dood.

Je zou mij een nostalgisch type kunnen noemen. Een melancholisch persoon. Sentimenteel zelfs.
Ik kan weemoedig worden van de aanblik van een hoogbejaard echtpaar dat zich gearmd door de drukte worstelt. Aan elkaar vast geklampt trotseren ze het chaotische centrum van Amsterdam.
Iedereen lijkt gehaast, geïrriteerd. Niemand interesseert zich voor hen.
Ik word droevig van een hond die zijn baas kwijt is. Een schurftig  beest wat eenzaam door de straten draaft. En ik word neerslachtig van een grote omgehakte boom in het park. De ontelbare groene blaadjes lijken vergeefs om hulp te roepen.
Ik word somber van een regenachtige dag waarop het niet licht wordt , het liefste verschuil ik me treurig onder de dekens.
Ook houd ik niet van Oud en Nieuw omdat het jaar nu echt voorbij is.
In mijn boekenkast heb ik een omvangrijke stapel fotoalbums liggen, van die ouderwetse, waar de foto's nog met de hand ingeplakt zijn. Maar ik durf er nooit in te kijken omdat ik verdrietig word bij de beelden. Foto's uit de tijd dat mijn lief en ik nog jong en smoorverliefd waren. Beelden van mijn kinderen als baby. Ons eerste huis. Mijn trouwdag. Ik krijg er tranen van in mijn ogen.
Afscheid nemen is iets wat ik niet graag doe. En van herinneringen word ik emotioneel. Ik ga ze zoveel mogelijk uit de weg. Ik geef graag toe dat ik hypocriet ben, een slappeling zelfs, of een lafbek.

Op vakantie gaan is dubbel.Het is heerlijk om er een paar weken op uit te gaan om geweldige dingen mee te maken. Maar niets vervliegt zo snel als een zomervakantie en voor je het weet zit je op een inktzwarte ijskoude winteravond naar de foto's te kijken. Hoe is het mogelijk?
Sommige mensen nemen daarom zoveel mogelijk souvenirs mee. Om het "vakantiegevoel"nog even vast te houden. Flessen Limoncello, potten eendenlever, zakjes lavendel voor in de linnenkast, schelpenverzamelingen om collages van te maken.
Maar eenmaal thuis smaakt de Limoncello minder zonnig en is de eendenlever niet zo verfijnd. De lavendel lijkt muf  en de schelpen ogen op de fruitschaal toch anders dan op het stralende witte strand.

Soms ben ik net een nukkig kind. Een kleuter die niet naar school wil maar het liefste voor altijd bij haar moeder op schoot wil blijven zitten. Veilig, warm, vertrouwd. Ik wil alle verandering uit de weg gaan.
Maar ik kan niet anders; leven is bewegen, veranderen, voortgaan en accepteren. Al gauw word ik aan mijn arm naar school gesleurd, schoppend en slaand: NEEEEE gillend. Ik wil naar huis, naar mijn poppen.
Maar ik moet toch verder.
Ik wil niet, maar ik moet.

Leven is reizen.
Sommige bestemmingen zijn niet gepland, sommigen zijn spontaan, sommige gevaarlijk en sommige bereik je nimmer. Sommige eindigen elders, op idiote plekken.
Maar er is geen reisgids, geen keuzemogelijkheid. Je moet het zelf doen.

Mijn baby's zijn groot worden, mijn katten zijn geen kittens meer zijn en mijn ouders zijn bejaard. Mijn emoties zijn stabieler dan ik me ooit in mijn jeugd had kunnen voorstellen. Mijn huis is aan kant en mijn relatie is een veilig anker.
Ik heb alles op orde. Ik ben gelukkig, tevreden.
Maar ik ben ook bang
Ik ben bang als ik terug kijk. De weg die ik afgelegd heb is lang. Wie weet hoe lang mijn reis nog duurt?
Ik denk dat ik gewoon bang ben voor het einde. Bang om in het niets te verdwijnen.
Maar ik zal toch verder moeten. Ook al wil ik wel blijven waar ik nu ben.
Maar tegen sputteren heeft geen zin.
Ik wil niet, maar ik moet.


Thursday, 16 April 2015

Mooi weer

Ze is een onbetrouwbare verleidster. Niemand weet precies wanneer zij zich laat zien. Maar eenmaal daar is ze warm en sensueel. En immer goed gehumeurd. Zelfs als men haar niet verwacht weet zij een glimlach op ieders lippen te toveren.
Het lijkt altijd veel te lang te duren voor zij weer verschijnt, en als ze er weer is heeft iedereen het over haar. Hoe krachtiger zij zich manifesteert, hoe gewilliger men op haar reageert.
Sommigen ontkleden zich in haar aanblik en koesteren zich in haar warmte.
Anderen sluiten gelukzalig de ogen en geven zich slapend aan haar over.
Velen vinden het al voldoende dat zij op de achtergrond aanwezig is.
Gelukkig laat ze zich door iedereen delen.
Vandaag is de eerste dag dat zij er weer met volle overgave is; onbevangen, vrijmoedig en zonder schroom.
De zon.
Als ik over het eiland richting station fiets ziet de wereld er nieuw uit; alsof zij net is ontwaakt. Ik veeg het slaapzand van de afgelopen wintermaanden uit mijn ogen, gefascineerd naar alles wat zich in het zonlicht afspeelt.  Ik kijk naar de kalme schittering van het water, de bomen die in bloesem staan, de mensen die op straat met elkaar staan te praten.
Twee mannen laten hun hond uit. Ze staan een stukje van elkaar verwijderd en kijken glimlachend toe hoe de beesten ravotten. De mannen zijn in de zestig, ik stel me voor dat ze hier ooit op dezelfde manier naar hun kinderen hebben staan kijken. Geamuseerd en op een verlegen manier ook trots. Stoer met de handen in de zakken.
Het is de eerste warme lentedag, maar een van de mannen draagt een t shirt met korte mouwen en een korte broek, alsof het al hartje zomer is.Hij heeft een dikke kogelronde buik, alsof hij een voetbal onder zijn t shirt verborgen houdt. Zijn gezicht is rond en vriendelijk en hij heeft kort stekelig haar.
De andere man is mager en lang en zijn houding is ietsje gebogen. Hij draagt een keurige grijze pantalon met een bijpassend overhemd. Zijn jas heeft hij in zijn hand. Voor hij het huis uit liep heeft zijn vrouw hem die aan gereikt.
De magere man is flink kalend, maar de grijze lokken die hij nog heeft zijn zorgvuldig achterover gekamd en vast geplakt met pommade.
De honden hebben veel gemeen met hun baasjes: De terriër van de voetbalman is klein en gedrongen. Hij heeft korte poten en een vrolijke snoet met een borstelige snor en een opgetogen grijns. De korte hond danst blaffend in kringetjes om de nerveuze windhond met de magere poten. De lange hond oogt, net als zijn baas ietwat schuchter. Als een kind, wat wel wil spelen, maar het niet durft omdat zijn kleren misschien vies worden.
Na lang aandringen holt de lange hond, met lange, houterige passen uitgelaten achter de korte hond aan.
Ze passeren mij met grote vaart terwijl ik langs het grasveld fiets, de windhond nu voorop, de terriër blaffend er achter aan.
Op het water drijft een zwaan, aan de waterkant nestelt zich een parmantig paar ganzen. Een poes slaat het tweetal van een afstandje gade.
Het fietspad waar ik nu rijd loopt langs een drukke weg. Er staat een bankje waar een verliefd stelletje zit. Hand in hand, de ogen op elkaar gericht lijken zij zich niet van bewust het langs razende verkeer, de drukte en de chaos op de weg.
Het maakt me een beetje melancholiek.
Als ik mijn fiets heb neer gezet ren ik de grote trap op. Mijn tempo verandert; ik moet me haasten.
De grote klok op het station laat me weten dat ik precies op tijd ben.
Als de trein tot stilstand komt drukt een man met een licht getinte huid op de knop om de deuren te openen. Hij draagt een lang gewaad en Alladin achtige muiltjes.
Hij laat mij met een gul handgebaar voorgaan en met een melodieus accent vertrouwt hij mij toe: Het is mooi weer in Holland, dat is mooi.
Erg mooi.







Friday, 27 March 2015

De minnaar

Hij is lang. Zijn schouders zijn breed, maar toch heeft hij nog iets aandoenlijks, iets jongensachtigs. Het is iets licht twijfelends in zijn bewegingen, iets kwetsbaars in zijn ogen. Hoe kort geleden was het dat hij nog met lego speelde, dat hij op straat voetbalde?
Zijn kindertijd ligt nog zo dichtbij. Maar de pagina lijkt definitief omgeslagen.
Hij zet zijn fiets voor het raam. Zijn jas is doorweekt, zijn haren drijfnat van het lange stuk fietsen, de regen en de ijzige kou.  Zijn wangen zijn rood, maar als hij door het raam naar binnen kijkt lacht hij.
Zodra ze hem ziet huppelt ze naar de voordeur en slaat haar armen om hem heen.
Ze lijkt klein en fragiel als hij haar in zijn armen houdt.
Hij sluit zijn ogen in een stille omhelzing.
Dan kijkt hij haar aan. Geeft haar talloze kusjes op haar mond en streelt haar door haar haren.
Zijn bewegingen zijn nog wat schutterig, een tikje onhandig zelfs.
Voor ze hand in hand de kamer binnen lopen trekt hij braaf zijn schoenen uit en laat ze achter in de hal.
Hij is hier thuis. In haar omgeving. Ontspannen zakt hij languit naast haar op de bank.
De poes nestelt zich meteen tussen hen en kijkt hen afzonderlijk smachtend aan. Al snel krijgt ze haar zin en wordt ze door twee handen geaaid. Ze draait haar pluizige witte buikje omhoog en valt in slaap.
Het schooljaar is bijna ten einde. Straks doen ze beiden HAVO examen en zullen ze afscheid moeten nemen van hun vertrouwde leventje. Van hun klasgenoten, de feestjes, de dagelijkse fietstocht, de gesprekken op het schoolplein, het hand in hand door de gangen op school lopen.
Een nieuwe fase breekt aan.
Het is dan vijf jaar geleden dat hij haar voor het eerst zag. Brugklassers waren ze. Schuw, onzeker en onwennig in hun nieuwe omgeving waar ze door iedereen als groentjes werden beschouwd.
Ze werden al snel kameraden en vormden een onwaarschijnlijk duo tussen alle beste vriendinnen en beste vrienden. Maar ze trokken zich er niets van aan; van het gespeculeer en het gegrinnik. Ze bespraken alles met elkaar, maakten stiekem grapjes om anderen en bouwden een bijzondere band met elkaar op.
Het mooie eigenwijze meisje met het lange blonde haar en de grote blauwe ogen en de donkerharige lange, rustige jongen.
De liefdevolle vriendschap veranderde geleidelijk in een prille romance.
Een vertederende fragiele liefde. Ongecompliceerd en ongeschonden. Schitterend en oprecht.

Ik zou willen dat ik dat ik die tedere verliefdheid voor haar kon behouden. Koesteren en beschermen. Tegen de tand des tijds. Tegen de onvoorspelbaarheid. Tegen de wereld waar ze in kan verdwalen. Tegen de invloed van anderen. Tegen kwaad. Tegen verdriet. Tegen tranen.
Ik zou haar in een glazen stolp willen doen als een kwetsbare bloem. Haar een plek geven waar ze veilig is en waar ze voor altijd kan blijven bloeien.

Het is al laat. Hij moet naar huis."Moet je echt al weg?"vraagt ze en ze slaat haar armen om hem heen.
Maar hij staat al op. Hij wil niet weer ruzie met zijn ouders omdat hij te laat is.
In de gang staan ze nog even tegen elkaar aan. Dan opent hij de voordeur.
Voor het raam haalt hij zijn fiets van het slot.
Het regent flink en het is donker. In het licht van de straatlantaarns zie ik hem op zijn fiets stappen.
Zelfverzekerd.
Hij trekt zijn kraag omhoog.
Hij is geen kind meer. Hij is een minnaar.






Wednesday, 4 March 2015

Rita

Rita is dood. Ze is zestig jaar geworden.
Mijn moeder heeft haar nog aan de telefoon gehad. Een paar weken geleden. Het schijnt dat ze heel opgetogen klonk.
Rita woonde tegenover mijn moeder in een smalle straat.
Ik had het mijn vijfenzeventig jarige moeder afgeraden er te gaan wonen; de huisjes met de steile trappen waren ongeschikt voor iemand die slecht ter been was. Bovendien zou ze behoorlijk ver van mij vandaan gaan wonen. Haar gezondheid liet te wensen over, ik had het verstandiger gevonden als ze dichterbij mij was komen wonen. Al met al leek het mij geen goed plan.
Maar mijn moeder was eigenwijs en deed het toch.
Ze verhuisde naar Zaandijk met haar vier katten.
Van de buren had ze weinig aanspraak. Met de a sociale autosloper die een paar huizen verderop woonde kreeg ze ruzie.
Volgens mijn moeder parkeerde hij expres zijn truck  precies bij haar voor de deur. Daarom vroeg ze een invalidenplaats aan.
Af en toe parkeerde de sloper zijn truck nu op haar invalidenplek "om haar te pesten" vertelde mijn moeder.
Ook de buren naast haar waren niet erg vriendelijk; de moeder schreeuwde de hele dag hard tegen haar vierjarige zoontje en verbood hem met mijn moeder te praten :"Dat is een vies mens" hoorde mijn moeder haar zeggen.
Eigenlijk had mijn moeder nauwelijks aanspraak in het straatje.De meeste mensen waren helemaal niet aardig.  De enige waar ze veel contact mee had was Rita.
Rita kon het huis van mijn moeder goed in de gaten houden, ze woonde immers precies tegenover haar.
Rita hield alles wat zich in de straat afspeelde goed in de gaten.
Meestal zat ze vlak achter het raam aan de eettafel sigaretjes te roken. Ze was de hele dag thuis dus er ontging haar weinig.
Rita was op de hoogte van elke echtelijke ruzie, elke zwangerschap, elk overlijden en elke buitenechtelijke misstap.
Ik ontmoette Rita voor het eerst toen mijn moeder een weekje op vakantie was. Rita gaf haar katten eten en ik zou ook af en toe even een kijkje komen nemen.Toen ik 's avonds de auto parkeerde zag ik het gordijn aan de overkant al bewegen.
Ik besloot mij even voor te stellen.
Voordat ik de kans kreeg om aan te bellen werd de deur al geopend. Een kleine vrouw met een dikke buik en een opgezet gezicht verscheen in de deuropening. een golf van sigarettenrook benam mij bijna de adem. Ze stak mij een kleine en opvallend zachte hand toe en stelde zich aan mij voor :"Ik ben Rita".
Haar stem klonk hees.
"Jij ben zeker de dochter van Lineke"  constateerde ze een tikkeltje nors.
Inmiddels hadden zich twee katten als schildwachten aan haar zijden geposteerd. Grote, zware statige individuen die mij argwanend opnamen.
De grootste van de twee katten had een menselijke uitstraling en keek mij vorsend aan. Ik voelde me er een beetje ongemakkelijk bij.
"Dit is mijn grote vriend en mijn beschermer" zei Rita. De kat leek inderdaad zeer betrokken bij haar welzijn en oogde als een personal assistant, een bodyguard of een zeer wantrouwig en hoogstwaarschijnlijk criminele huisgenoot die per ongeluk in een kat was veranderd.
"Het is goed"fluisterde ze de kat in zijn oor en de kat deed een klein stapje opzij zodat ik naar binnen kon. Het was niet zo dat ik graag wilde, maar Rita had me er van overtuigd dat ik beter even binnen kon komen: "Er wordt hier al zoveel geroddeld"verklaarde ze en ze pakte me bij mijn arm en manoeuvreerde mij naar binnen.
In de woonkamer stond het helemaal blauw van de rook. De muren zagen geel van de nicotine en het behang hing op de meeste plaatsen los of was gescheurd.
Een kachel, waar het glas van kapot was stond enorm hoog te branden. Bijna alles in het interieur was beschadigd, verkleurd of verkeerde in bijzonder armzalige staat.
Zodra Rita plaats nam aan de eettafel sprong de grote kat er boven op en bleef mij onophoudelijk aanstaren.
Rita bood mij een glas vruchtenwijn aan. Zelf nam ze een biertje.
"Je moeder is een aardige vrouw hoor"zei ze. "Maar ze is niet van hier hè, en je wordt hier niet zo makkelijk geaccepteerd als je een beetje anders bent".
Rita glimlachte verdrietig. De grote kat kroop troostend tegen haar aan. Ze zag er kwetsbaar uit. Kinderlijk kwetsbaar.
Het was mij snel duidelijk dat Rita zelf ook een buitenbeentje was in de buurt. Maar een buitenbeentje waar iedereen aan gewend was.

Een klein jaar later werd mijn moeder ernstig ziek. Omdat mijn moeder langdurig werd opgenomen kwam mijn oudste dochter Robina, die geen woonruimte kon vinden tijdelijk in het huis te wonen.
Rita belde mij regelmatig op omdat ze het niet vertrouwde. "Je dochter haalt allemaal rare figuren in huis. Ik heb het idee dat er drugs worden gebruikt".
Rita maakte zich zorgen en gebruikte regelmatig de sleutel, die ze nog van mijn moeders huis had om naar binnen te gaan en poolshoogte te nemen.
"Jullie moeten allemaal oprotten" had ze geroepen, toen er in de woonkamer een stuk of zes verloederde figuren in slaapzak op de grond lagen.
Omdat ze de boel zo scherp in de gaten hield kreeg Rita al snel de bijnaam: "Attentie Buurtpreventie". Heel wat keren werden wij laat op de avond gealarmeerd.
Ondanks dat zij vaak met elkaar overhoop lagen, werden Robina en Rita toch op een merkwaardige manier close met elkaar.
Rita bood haar zelfs een kamer aan in haar kleine armoedige huisje: "Ik heb het beste met je voor kind, ik wil niet dat je zo eindigt als ik"
Samen dronken ze vaak een biertje met elkaar en rookten een sigaretje. "Die vrienden van jou zijn niet te vertrouwen"waarschuwde Rita mijn dochter. "Het is allemaal uitschot en ze gebruiken je".

Na verloop van tijd bleek dat mijn moeder niet meer naar het huisje terug zou keren. Haar gezondheid stond het niet meer toe. Mijn moeder verhuisde naar het platteland, waar ze dichtbij haar oudste dochter kon wonen.  En dat betekende dat ook Robina er weg moest.
"Het is jammer"zei Rita. "Je weet nooit wat er weer voor in de plaats komt".
 De dag dat ik de sleutel van mijn moeders huis in kwam leveren scheen de zon.
De kleine straat zag er vriendelijk uit. Er waren geen mensen buiten.
Ik zette het laatste huisvuil bij de weg en trok de deur achter mij dicht.
De gordijnen bij Rita waren nog gesloten. "Ik ben nooit voor een uur 's middags wakker"had ze gezegd.
Toen ik een briefje bij haar in de bus deed keken de katten argwanend langs het gordijn naar buiten.
De katten kwamen nooit op straat want Rita was bang dat ze dan iets zou kunnen overkomen.

Eigenlijk was ik Rita vergeten. Ik ben ook nooit terug geweest in de kleine straat. Nooit meer.
Ik mis mijn moeder wel een beetje. Ze woont nu zo ver weg dat ik haar maar zelden zie.
Gelukkig heeft Robina nu een eigen huis.

Ik wist ook niet dat Rita zelf sinds kort verhuisd was.

Mijn moeder vertelde:
"Ik heb Rita kort geleden nog gesproken. Een week of drie denk ik. Ze klonk heel erg opgetogen. Ze was zo blij met haar nieuwe woninkje. Ze vertelde dat haar katten enorm afgevallen waren want ze konden lekker rennen in het grote nieuwe huis. Ze hadden nu zoveel ruimte! Ik vind het wel triest dat ze er maar zo kort van heeft kunnen genieten. Ze zeggen wel eens : Oude bomen moet je niet verplanten. Er komt geen begrafenis, want Rita heeft haar lichaam aan de wetenschap achter gelaten. Er is ook geen overlijdensbericht verstuurd. Ik vermoed dat de katten naar het asiel zijn gebracht".

Rita is dood. Ze is zestig jaar geworden. Meer is er niet.
Een klein mens, een klein leven, een kleine dood.




Friday, 30 January 2015

Hamster

In kortstondige ogenblikken van uitzinnig geluk probeer ik er een klein sprankje van op te slaan. Ergens een reservevoorraadje aan te leggen. Een klein geheim laatje te fabriceren, ergens in mijn systeem. Daar verstop ik een stukje voor momenten waar geluk schaars is. Het hoeft maar een heel klein brokje te zijn. Een klein fonkelend brokje wat ik even kan vasthouden. Een reminder,een relativeringsbrokje.
Tijdens zomermaanden, wanneer de dagen eindeloos licht zijn en de nachten zwoel. Wanneer het nooit echt donker wordt en wanneer de zon al om vijf uur reikhalzend staat te wachten om te mogen schijnen. Tijdens die zonovergoten, stralende momenten zou ik graag een zonnestraaltje vangen. Een klein teer zonnestraaltje. Ik zou het zorgvuldig in een glazen bakje deponeren en er een zijden doekje over heen hangen.
Zo nu en dan zou ik het doekje voorzichtig weg halen en het zonnestraaltje in mijn hand houden als een zaklantaarntje. Ik zou het gebruiken om de naargeestige, schemerige middagen te verlichten. Ik zou het lampje in mijn hand houden wanneer de nachten veranderen in inktzwarte ontoegankelijke grotten. Ijskoude grotten waar je in nachtmerrieachtige dromen kunt verdwalen. Ik zou er mee schijnen op schemerige winterochtenden die de uitlopers zijn van de deprimerende, donkere, koude nachten. Ochtenden waar buiten alles stil,doods en somber is.
Een klein overgebleven zonnestraaltje om hoop uit te halen. Als een toverstafje. Een relikwie van de zomer.
Ook zou ik een beetje passie in stand willen houden. Ik zou haar willen vangen gedurende een gepassioneerde liefdesnacht. Een extatisch moment waarin alle licht geabsorbeerd wordt tot een donkerrode gloed. Waar pijn wordt verzacht en in lust veranderd. Zou ik daar een stukje passie kunnen overhouden in de vorm van een enkele zucht?  Een hete ademteug die ik stiekem vast kan houden?
Als mijn minnaar slaapt verberg ik haar heimelijk tussen de lakens.Die zachte, hete, hunkerende,smachtende zucht die ik gevangen houd tussen mijn klamme beddengoed. Zonder dat hij het weet.
Wanneer ik dan eenzaam ben en geen liefde kan vinden sla ik de lakens open en zoek net zo lang tot ik haar gevonden heb.
Op momenten van pure blijdschap zou ik in staat willen zijn een schaterlach te conserveren. Een schaterlach die als een golfslag over je heen slaat. Die je op de vloer doet belanden en je dubbel doet slaan. Een schaterlach die de hele wereld tot een feestelijke kermis maakt. Een schaterlach die je zorgen reduceert tot nul. Tot onbelangrijk. Een schaterlach waarvan je pijn krijgt in je buik.Zo'n schaterlach wil ik binnen mijn bereik hebben. In een trommeltje misschien. Een ouderwets trommeltje met koekkruimels op de bodem.
Als ik verdrietig ben en tranen in mijn ogen prikken maak ik haastig de kast open om het trommeltje te pakken.
Een brokje geluk,
Een zonnestraaltje,
Een gepassioneerde zucht,
Een schaterlach.
Kostbare souvenirs. Kleine aandenkens voor wanneer het even tegenzit:
Ik hussel ze allemaal door elkaar tot een wonderlijke, kleurrijke brij en steek er even mijn neus in en neem ze in mij op. Daarna berg ik ze weer angstvallig op. Toegewijd. Als een hamster die zorgvuldig bijeen gesprokkelde nootjes verstopt.
Een hoopvolle hamster.



Tuesday, 20 January 2015

De man met de snor

Ik kom hem de laatste tijd werkelijk overal tegen, de man met de snor.
Het is een doodgewone man, een jaar of vijftig, grijs haar, grijze snor. Hij is altijd alleen en hij is overal. Overal waar ik ook toevallig moet zijn.
Het viel mijn dochter het eerst op; "Mam, daar heb je hem weer! De man met de snor!"
Sindsdien zijn we er samen op gaan letten en zien we hem overal.
De man met de snor kijkt ons altijd aan en dat maakt het een beetje griezelig. Alsof hij ons kent, of alsof hij ons iets te zeggen heeft.
We wonen nu al bijna tien jaar in deze kleine stad, maar ik kom zelden dezelfde mensen tegen, laat staan dat ik kennissen of vrienden tegen kom. Maar de man met de snor kom ik wekelijks, soms zelfs dagelijks tegen.
Het is een vreemd fenomeen.
De man met de snor is klein van stuk, hij kijkt stoicijns uit zijn ogen. Ik heb hem nog nooit zien lachen en nooit zien praten. Eigenlijk heb ik hem alleen ergens zien staan. Onbeweeglijk. De man zelf is niet erg opvallend, maar zijn snor des te meer; het is een fraai exemplaar. Ik vermoed dat de man de snor goed onderhoudt en dat hij er erg trots op is. Het is een ouderwetse snor, een snor als die van een circusdirecteur. Of een gewichtheffer uit een stomme film, een kanaalzwemmer met een ouderwets gestreept badpak. Van een kroegbaas ergens in een klein drinklokaal in de Jordaan, een man die aardappelen verkoopt op de markt, een buurman die voor de deur een sigaretje rookt en die altijd om een praatje verlegen zit,  van een man die zijn hond uitlaat, een man die aanbelt omdat hij het tapijt komt leggen, een loodgieter die fluitend uit zijn busje stapt. De man met de snor kan iedereen zijn. Iedereen en overal.
Vandaag zag ik hem weer.
Ik zet net mijn fiets tegen een gevel en doe hem op slot. Huiverend vis ik mijn handschoenen uit mijn tas en loop de winkelstraat in. Vandaag is geen goede dag. Het is een sombere dag. Vandaag is daarom ook een dag die zich er uitstekend voor leent je somber te voelen; het daglicht wil maar niet doorzetten en de zon verschuilt zich achter de wolken. Op het water van de gracht ligt een dunne laag schilferig ijs.Een majestueus paar zwanen vaart er als een ijsbreker doorheen. Zo nu en dan dopen zij tevergeefs hun snavel in het water, op zoek naar iets eetbaars.
De zwanen ogen gedeprimeerd, hun halzen gebogen, hun prachtige witte veren reflecterend in het donkere, stille water. Te mooi, te waardevol zijn zij om hun schoonheid te verspillen aan deze kleurloze provinciestad, dit ongeinteresseerde winkelende publiek.
Ik loop de smalle brug op en blijf even stil staan om naar ze te kijken. Stil en koninklijk zwemmen de zwanen onder de brug door. Hun zwarte zwempoten ploegen geruisloos als roeispanen door het water.
In gedachten blijf ik even staan, mijn armen op de leuning van de brug.
Ik voel me verdrietig. Ik heb heimwee naar vroeger. Naar andere tijden. Naar een zorgeloos verleden. Naar een ander moment. Vandaag is een prima dag om heimwee te hebben. Om terneergeslagen te zijn. Om eenzaam te zijn. Om met niemand te praten. Een dag om op te lossen in het niets. In het sombere, eentonige killie daglicht. Om te verdwijnen in het schemerdonker wat langzaam al in de plaats begint te komen van het schaarse daglicht.
Mijn handen willen maar niet warm worden, ondanks mijn handschoenen. Ik steek ze diep in mijn zakken en zucht.
Het puntje van mijn neus en mijn wangen voelen zo koud dat ik er duizelig van word.
De eentonigheid van deze stad. de kleurloosheid van de mensen, de saaie winkels, de truttigheid van de architectuur, het irriteert me allemaal mateloos vandaag.
Ineens besluit ik dat ik hier weg wil. Ik heb genoeg van deze omgeving. Ik heb genoeg van de kou en ik heb genoeg van de pijn in mijn hart. Ik wil naar huis. Ik wil mijn kinderen zien, mijn man omhelzen en tegen mijn katten praten.
Dan zie ik hem ineens staan; de man met de snor. Hij kijkt me brutaal aan. Plotseling acht ik hem verantwoordelijk voor mijn humeur, voor het slechte weer en voor deze trieste omgeving.
Ik loop op de man af, steek mijn hand op en zeg hem gedag. Ik groet niet, ik salueer. Het is geen begroeting maar een confrontatie.
Ik sta nu heel dichtbij de man en ik moet me beheersen hem niet hardhandig te duwen.
Dan verdwijnt de man ineens. Alleen de omtrek van zijn snor blijft nog een tijdje zichtbaar, als de glimlach van de Cheshire cat.
Ik steek mijn neus in de lucht en loop weg.
Als ik mijn fiets van het slot haal worden mijn handen warm. In de verte zie ik hoe de zon ineens zichtbaar is, als een grote rode grape fruit zinkend in een oneindige blauwe zee.
De dag is nog niet om. Vandaag is nog van alles mogelijk.





           







Thursday, 8 January 2015

Duifjes

Als hij het raam opent raakt hij even kort de gordijnen aan.
Die heeft zij opgehangen. Hoe lang geleden dat is weet hij niet meer precies. Maar hij kan het zich nog als de dag van gisteren herinneren. In gedachten ziet hij haar het wankele keukentrapje beklimmen; ze houdt zich tamelijk onhandig met een hand vast aan het lage handvat. Met de andere houdt ze de gordijnstof omhoog die gedeeltelijk als een bruidssluier over de vloer sleept. Door haar ongelukkige houding staat ze enigszins gebogen. Haar billen iets naar achteren en haar gezicht naar boven gericht. Haar ogen knijpt ze een beetje dicht tegen het invallende zonlicht, haar lippen houdt ze stevig op elkaar gedrukt. Ze is in opperste concentratie.
Ze balanceert en beweegt daarbij bevallig haar onderlichaam.
Van een afstandje kijkt hij naar haar. Ze heeft haar schoenen uit geschopt. Omdat zij met haar rug naar hem toe staat kan hij haar ongegeneerd bekijken.
Zijn ogen beginnen bij haar kousevoeten; Haar gekromde tenen lijken zich in een wanhopige poging om het metaal van de gladde trede te klemmen. Ze draagt nylons die een beetje om haar enkels slobberen. Hij vindt dat enorm sensueel, die golfjes om haar enkels.
Als ze onverhoeds opkijkt weet hij net op tijd de krant voor zijn neus te bewegen.  Maar zodra ze zich weer omdraait gaan zijn ogen verder met hun ongeneerde tocht langs haar lichaam. Ook al zijn ze al een paar maanden getrouwd, hij kan nog steeds zijn ogen niet van haar afhouden.
Ze reikt met haar handen omhoog zodat ze de stof aan de gordijnrails kan bevestigen. Erg lang is ze niet dus ze moet haar armen hoog in de lucht houden. De katoen van haar strakke rok spant zich om haar heupen en elke keer dat ze nog iets hoger reikt gaat haar wollen truitje een stukje omhoog en wordt haar huid zichtbaar. Haar onschuldige witte huid die verlegen onder de stof vandaan piept. Onder haar oksels zitten kleine donkere transpiratievlekjes vanwege de inspanning.
Hoe oud ze is weet hij niet. Maar zoals ze daar staat zal ze altijd in zijn herinnering zijn: Jong, mooi, sterk, onsterfelijk.
De stof van het gordijn wappert als een geheime code naar buiten wanneer hij het raam open duwt. Meteen verschijnt er een grote wolk duiven. Sommigen zaten al te te wachten, anderen komen uit het niets aangevlogen en landen in de dakgoot. Hun kopjes bewegen nieuwsgierig op en neer. Er wordt ongeduldig gefladderd, gepikt en gekibbelt.
De oude man verkruimelt het brood met bevende handen. Hier en daar vallen er wat stukjes op de vloerbedekking waarop hij betrapt om zich heen kijkt. Het duurt slechts enkele minuten, dan is al het brood verdwenen. De duiven kijken ongelovig om zich heen en fladderen dan verder. Dan sluit de man het raam. Een vergeeld stuk gordijn blijft tussen het kozijn steken en wappert als een vlag.
Het dagelijkse ritueel is weer voorbij. Zijn dagelijkse ritueel.
De oude man loopt de kamer in en neemt plaats aan de eettafel. Het is tijd voor het ontbijt. In de kamer zit een vrouw op de bank.
Ze is erg oud. Haar lijf oogt fragiel. Ze heeft op hem gewacht.
Zodra de man aan tafel plaats neemt staat ze op. Ze legt haar hand op zijn schouder. De man kijkt verbaasd op.
Hij weet niet wie ze is.
Dan gaan ze samen aan het ontbijt. Hij op zijn plek, zij op de hare. Het ziet er gezellig uit. Knus.Vertrouwd.
Eet smakelijk, zegt de vrouw. De man kijkt de andere kant op. In gedachten is hij ergens anders.
Hij denkt heel diep na. Dan neemt hij een slokje koffie. Hij zegt niets.
Het lijkt hem beter zo.
De man eet twee boterhammen. De vrouw eet er eentje.
De rest bewaren ze voor bij de lunch.
Wat er overblijft is voor de duifjes.
Morgenochtend, als de nacht voorbij is en de nieuwe dag begint.