Wednesday, 15 July 2015

God in Frankijk

Toen hij voor het geluk koos, stond een huis in Frankrijk hoog op zijn lijstje. Op nummer een stond een jongere vrouw, op nummer twee nooit meer werken en op een laatste maar niet onbelangrijke derde plaats een eigen huis in Frankrijk.

In de tijd dat zij nog verliefd waren hadden ze er heimelijk een vakantie door gebracht.  De pittoreske dorpjes, de goedkope wijn en het heerlijke eten, het kalme, ongecompliceerde ritme van het dagelijks leven en de prachtige natuur; dit was het het paradijs. Een plek om gelukkig te zijn en gelukkig te blijven. Een leven als God in Frankrijk.

Na zijn vervroegde pensioen wist hij zijn wens in vervulling te laten gaan; mijn vader werd trotse eigenaar van een Frans huis. Of liever gezegd van een paar grote stapels stenen die lang geleden een indrukwekkende watermolen met maar liefst drie bijgebouwen hadden voorgesteld. Een ruïne in Frankrijk dus vooralsnog, maar nu het koopcontract was gesloten zou de droom uitkomen.  Vol van energie begon mijn vader aan de wederopbouw van zijn domein en zijn nieuwe leven. Ver van het druilerige, grijze Nederland. Ver van zijn verleden, herinneringen en verplichtingen.  
Vanaf dat moment was Frankrijk niet zomaar meer een vakantieland; het werd het land van mijn vader. En sindsdien werd Frankrijk ook een klein beetje mijn Frankrijk. Als ik de kans kreeg zocht ik hem elke zomer op.

Vanaf mijn jeugd houd ik van Frankrijk. Sinds ik er, als klein meisje hand in hand met mijn vader en moeder over de markt liep, houd ik van de taal, van het eten en van de nukkige bevolking. Ik houd van de krekels die zich onzichtbaar opstellen in het gele gras om hun concert ten gehore te brengen. Ik houd van de leverkleurige koeien die tezamen met hun kalfjes in de weide staan: Lieftallige koeien met lange wimpers en elegante hoefjes. Ik houd van de dorpjes, de markten, de kastelen en de kerkjes. Van de veelzijdigheid van landschappen; het Bretonse strand, de Provençaalse vlaktes en de ruige wildernis van de Cevennen. De tegenstellingen lijken zo groot met het saaie, aangeharkte Nederland. Het immer bewolkte, minuscule, platte land waar je nooit kunt verdwalen. Ik houd van Frankrijk en van alle indrukken die ik er mijn leven lang heb verzameld: met mijn ouders, mijn eerste vriendje, en later met mijn jonge kinderen en met mijn man.

Ergens in een pittoresk dorpje betrap ik mezelf erop dat ik hardop tegen hem zeg: Kijk, dit prachtige huis staat te koop, zullen we hier maar gaan wonen?
Precies zoals mijn vader ooit waarschijnlijk gezegd heeft.
Niet lang daarna werd hij werkelijk eigenaar van een Franse maison.

Dat is meer dan vijfentwintig jaar geleden. Mijn vader is nu eenentachtig jaar. Het werken aan zijn Franse huis heeft hij moeten staken. Het geld is op en ook de energie. De verliefdheid is over en soms verlangt hij terug naar Amsterdam. Naar de Jordaan, het Waterlooplein en de grachten. Naar de regenachtige eenvoud van zijn jeugd.

De droom lijkt haast voorbij. Mijn vader weet niet precies wanneer die is geëindigd.
Het is zomer. Ik ben met mijn gezin in onze Franse vakantiewoning.  Hier in de vallei kijk ik vanaf het terras uit over de bergen, de rotsen, de velden vol lavendel, het bos en het kasteel in de verte. Elke nacht zet ik een schoteltje melk klaar voor de egels.  het is hier idyllisch, het is hier stil, het is hier bijzonder. Ik houd van het dromerige Frankrijk. Ik vind het fijn hier weer te zijn. Dichtbij de plek waar mijn vader woont.

Vanmiddag viel mijn zoon naast me in slaap. Ik keek verbaasd en ontroerd naar zijn lange benen, zijn stoere kleding en zijn knappe, slapende koppie. Het was lang geleden dat hij ‘s middags naast mij in slaap viel.
Het heeft waarschijnlijk met de hitte te maken gehad, of met zijn late naar bed gaan.
Even dacht ik aan lang geleden. Toen hij twee jaar was en iedere middag op mijn buik in slaap viel.

Mijn dochter is zeventien. De afgelopen twee weken vielen haar zwaar omdat ze haar vriendje in Nederland mistte. Ze is verliefd. Ze is geen kind meer. Ze is een mooie, blonde jonge vrouw. Ik vraag me af of ze volgend jaar nog met ons mee op vakantie zal gaan.

Over twee dagen gaan we naar mijn vader. We gaan hem opzoeken zoals we gewend zijn.
Ergens ben ik bang. Mijn vader wordt oud. Misschien keert hij binnenkort terug naar Nederland. Voorgoed. Het huis zal worden verkocht.

De droom lijkt haast voorbij.

Thursday, 18 June 2015

Een gezond meisje

Het was mijn grootste angst. Dat ze niet gezond zou zijn.
Mijn eerste kind. De bevalling was niet eenvoudig. De blauw aangelopen baby werd bij mij weg gehaald, maar al snel kreeg ik haar toch in mijn armen:  "Het is een gezond meisje", zei de verpleegkundige.
Ik telde inderdaad tien teentjes en vingertjes maar toch ik had het gevoel dat er iets niet in orde was.
In de ochtend was mijn mollige blonde baby van zaal verdwenen. Men "vertrouwde het niet".
Een week lang lag ze aan een infuus in de couveuse.
Daarna mocht ik met haar naar huis.
Omdat haar vader verstek liet gaan was ik alleen met een baby die continu huilde.
En als ze niet huilde, krijste ze. Ze leek altijd ongelukkig, overprikkeld en angstig.
Ook toen ze opgroeide bleef ze ontroostbaar. Ze leek gekweld, boos, en intens verdrietig.
Vanaf haar achtste jaar werd het nog moeilijker. Ze was geen klein meisje meer, en ze was bovendien heel erg intelligent. Men was dus van mening dat ze zich moest aanpassen, "normaal"doen.  Wellicht had ze straf nodig, of een strengere opvoeding. Waarschijnlijk was het mijn schuld.
Familie, onderwijzers en hulpverleners hadden allen een simpele oplossing. En iedereen had er andere ideeën over. Haar werd verder geen concrete hulp of begeleiding geboden.
Ze raakte sociaal geïsoleerd, werd gepest en had extreem veel moeite met dingen waar andere kinderen hun hand niet voor omdraaiden; leren fietsen bijvoorbeeld, of een zwemdiploma behalen. Wat me ook zorgen baarde was dat ze steeds dikker werd. Eten leek een enorme obsessie en op een bepaald punt deed ik de voorraadkast op slot en verstopte de sleutel.
Toen ze een jaar of vijftien was wilde ze niet meer naar school. Ze was hele nachten wakker. Ze rookte teveel, at teveel en begon zichzelf te snijden. Kort daarop verbrak ze het contact met haar vader.
Haar boosheid werd woede, haar verdriet radeloosheid.
Op haar zestiende ging ze weg. Begeleid wonen.
Tijdelijk, hoopte ik. Ze kwam nooit meer terug.

Ze is nu geen kind meer. Mijn dochter is volwassen. Jarenlang was ik bang dat de politie een keer aan de deur zou komen: zelfmoord, overdosis, een misdrijf, een verkeersongeluk, kiest u maar.
Het heeft maar weinig gescheeld.

Gisteren heb ik voor het eerst een intake met haar gehad. Bij GGZ.
Het eerste uur heb ik naast haar gezeten. Omdat zij dat graag wilde.

Voor het eerst vroeg ze om hulp.
Ik hoop met heel mijn hart, dat ze die nu krijgt.











Tuesday, 9 June 2015

Het graf

Wanneer ik vanaf Amsterdam naar huis rijd kom ik er bijna langs. Toch neem ik zelden de afslag om je te bezoeken.
Soms twijfel ik even, ik neem gas terug en kijk de kant op van de toegangspoort. Ik draai het raam open  en ik zeg hardop jouw naam. Soms zeg ik ook :" Hoi" of iets anders onnozels.
De woorden lijken meteen neer te dalen op het asfalt. Ze verdwijnen in het niets. Ze worden nergens door aangeraakt, door niemand ontvangen. Het is alsof ik tegen mezelf praat.
Dan rijd ik verder. Ik rijd over de brug en vang een glimp op van het spiegelende water. Het water van de Zaan. Het immer aanwezige water. Het water wat somber is wanneer het regent, wat glinstert als de zon schijnt en wat speels beweegt wanneer de wind er over waait. Een enkele keer lijkt het water woest en onbetrouwbaar. Wanneer de zomer voorbij is en de eerste herfststorm het opjaagt. Boze schuimkopjes vormen zich op de golven.
Soms is het water stil en eenzaam. Dat is wanneer de temperatuur onder het vriespunt komt en zich ijskristallen vormen. De aalscholvers, futen, ganzen en zwanen zoeken het overgebleven water waar ze verkleumd elkaars gezelschap opzoeken.
Eenden glijden met hun aandoenlijke zwempoten over het ijs wanneer iemand brood uitstrooit. Venijnige meeuwen maken acrobatische duikvluchten om het in de lucht te onderscheppen.
Het eeuwige water is  aanwezig is als een trouw kader. Als een lijst van een steeds wisselend schilderij.

Op een zonovergoten dag in augustus, toen de kinderen van het eiland lachend in het water doken zag ik over de brug een auto aankomen.
Groot, leeg en ernstig.
Er was een royale zon die dag. Een zon die zoveel zonnestralen te vergeven had dat zij ze kwistig uitstrooide over het water.
De minuscule golfjes glommen vergenoegd.  Het water leek te zwelgen in haar koesterende aandacht. De golfjes flirtten met de uitdagende zonnestraaltjes.
De auto reed over de brug. Het water omlijstte het morbide tafereel van de zwarte lege auto die onheilspellend zijn weg vervolgde. Hij reed langzaam en zelfverzekerd. De zon scheen onschuldig, de kinderen lachten, en de auto reed. Het was een sombere rit. De chauffeur droeg een  pet. Op de voorkant van de auto wapperde een zwart vlaggetje.

Een enkele keer, meestal rond jouw verjaardag, ga ik naar je toe.
Dan parkeer ik aan de overkant en koop bloemen.
In het begin, toen ik vaker bij je kwam, nam ik ook wel eens andere dingen mee; een kleine boeddha, wat gekleurde stenen die ik gevonden had, of een kaars.
Als ik het terrein op loop ben ik me er van bewust dat jij er niet meer bent.
Hier voel ik dat meer dan ooit. Misschien dat ik hier daarom ook niet graag kom. Omdat deze plek me altijd herinnert aan ons afscheid.

Omdat ik hier niet zo vaak kom moet ik goed nadenken hoe ik moet lopen. Na een paar minuten herken ik de andere namen. Ik weet nu dat ik goed loop.
Het witte graf is van jou. Ik zie het van een afstandje al liggen.
Er staan engelen en er liggen witte kiezelstenen.
Lieve moeder en vrouw staat er op de steen.
Ik voel een pijnscheut in mijn buik als ik het lees.
Nu ik hier sta voelt het weer alsof  ik je verraden heb. Het is een raar gevoel  maar het lijkt nog altijd niet eerlijk dat jij alleen weg moest.
Ik vind het niet eerlijk dat ik wel mocht blijven.
Waarom weet ik niet precies, maar als ik hier sta, zie ik altijd jouw voetjes.
Je had zulke mooie voetjes. ze leken heel teer. Zeker toen je in het ziekenhuisbed lag.
Blote voetjes met een restje roze lak op de nageltjes. Ontroerende voetjes.
Het is tijd om te gaan.
Ik zeg; Kitty, ik moet weg. Slaap maar lekker. Tot gauw.
Dan loop ik langzaam naar huis.
Als ik bijna bij mijn auto ben zie ik een grijs konijn voor me uit rennen. Zijn staart wipt vrolijk omhoog. Dan verdwijnt het konijn in de struiken.
"Dag konijn" fluister ik zachtjes.

Wednesday, 20 May 2015

Als de dood.

Je zou mij een nostalgisch type kunnen noemen. Een melancholisch persoon. Sentimenteel zelfs.
Ik kan weemoedig worden van de aanblik van een hoogbejaard echtpaar dat zich gearmd door de drukte worstelt. Aan elkaar vast geklampt trotseren ze het chaotische centrum van Amsterdam.
Iedereen lijkt gehaast, geïrriteerd. Niemand interesseert zich voor hen.
Ik word droevig van een hond die zijn baas kwijt is. Een schurftig  beest wat eenzaam door de straten draaft. En ik word neerslachtig van een grote omgehakte boom in het park. De ontelbare groene blaadjes lijken vergeefs om hulp te roepen.
Ik word somber van een regenachtige dag waarop het niet licht wordt , het liefste verschuil ik me treurig onder de dekens.
Ook houd ik niet van Oud en Nieuw omdat het jaar nu echt voorbij is.
In mijn boekenkast heb ik een omvangrijke stapel fotoalbums liggen, van die ouderwetse, waar de foto's nog met de hand ingeplakt zijn. Maar ik durf er nooit in te kijken omdat ik verdrietig word bij de beelden. Foto's uit de tijd dat mijn lief en ik nog jong en smoorverliefd waren. Beelden van mijn kinderen als baby. Ons eerste huis. Mijn trouwdag. Ik krijg er tranen van in mijn ogen.
Afscheid nemen is iets wat ik niet graag doe. En van herinneringen word ik emotioneel. Ik ga ze zoveel mogelijk uit de weg. Ik geef graag toe dat ik hypocriet ben, een slappeling zelfs, of een lafbek.

Op vakantie gaan is dubbel.Het is heerlijk om er een paar weken op uit te gaan om geweldige dingen mee te maken. Maar niets vervliegt zo snel als een zomervakantie en voor je het weet zit je op een inktzwarte ijskoude winteravond naar de foto's te kijken. Hoe is het mogelijk?
Sommige mensen nemen daarom zoveel mogelijk souvenirs mee. Om het "vakantiegevoel"nog even vast te houden. Flessen Limoncello, potten eendenlever, zakjes lavendel voor in de linnenkast, schelpenverzamelingen om collages van te maken.
Maar eenmaal thuis smaakt de Limoncello minder zonnig en is de eendenlever niet zo verfijnd. De lavendel lijkt muf  en de schelpen ogen op de fruitschaal toch anders dan op het stralende witte strand.

Soms ben ik net een nukkig kind. Een kleuter die niet naar school wil maar het liefste voor altijd bij haar moeder op schoot wil blijven zitten. Veilig, warm, vertrouwd. Ik wil alle verandering uit de weg gaan.
Maar ik kan niet anders; leven is bewegen, veranderen, voortgaan en accepteren. Al gauw word ik aan mijn arm naar school gesleurd, schoppend en slaand: NEEEEE gillend. Ik wil naar huis, naar mijn poppen.
Maar ik moet toch verder.
Ik wil niet, maar ik moet.

Leven is reizen.
Sommige bestemmingen zijn niet gepland, sommigen zijn spontaan, sommige gevaarlijk en sommige bereik je nimmer. Sommige eindigen elders, op idiote plekken.
Maar er is geen reisgids, geen keuzemogelijkheid. Je moet het zelf doen.

Mijn baby's zijn groot worden, mijn katten zijn geen kittens meer zijn en mijn ouders zijn bejaard. Mijn emoties zijn stabieler dan ik me ooit in mijn jeugd had kunnen voorstellen. Mijn huis is aan kant en mijn relatie is een veilig anker.
Ik heb alles op orde. Ik ben gelukkig, tevreden.
Maar ik ben ook bang
Ik ben bang als ik terug kijk. De weg die ik afgelegd heb is lang. Wie weet hoe lang mijn reis nog duurt?
Ik denk dat ik gewoon bang ben voor het einde. Bang om in het niets te verdwijnen.
Maar ik zal toch verder moeten. Ook al wil ik wel blijven waar ik nu ben.
Maar tegen sputteren heeft geen zin.
Ik wil niet, maar ik moet.


Thursday, 16 April 2015

Mooi weer

Ze is een onbetrouwbare verleidster. Niemand weet precies wanneer zij zich laat zien. Maar eenmaal daar is ze warm en sensueel. En immer goed gehumeurd. Zelfs als men haar niet verwacht weet zij een glimlach op ieders lippen te toveren.
Het lijkt altijd veel te lang te duren voor zij weer verschijnt, en als ze er weer is heeft iedereen het over haar. Hoe krachtiger zij zich manifesteert, hoe gewilliger men op haar reageert.
Sommigen ontkleden zich in haar aanblik en koesteren zich in haar warmte.
Anderen sluiten gelukzalig de ogen en geven zich slapend aan haar over.
Velen vinden het al voldoende dat zij op de achtergrond aanwezig is.
Gelukkig laat ze zich door iedereen delen.
Vandaag is de eerste dag dat zij er weer met volle overgave is; onbevangen, vrijmoedig en zonder schroom.
De zon.
Als ik over het eiland richting station fiets ziet de wereld er nieuw uit; alsof zij net is ontwaakt. Ik veeg het slaapzand van de afgelopen wintermaanden uit mijn ogen, gefascineerd naar alles wat zich in het zonlicht afspeelt.  Ik kijk naar de kalme schittering van het water, de bomen die in bloesem staan, de mensen die op straat met elkaar staan te praten.
Twee mannen laten hun hond uit. Ze staan een stukje van elkaar verwijderd en kijken glimlachend toe hoe de beesten ravotten. De mannen zijn in de zestig, ik stel me voor dat ze hier ooit op dezelfde manier naar hun kinderen hebben staan kijken. Geamuseerd en op een verlegen manier ook trots. Stoer met de handen in de zakken.
Het is de eerste warme lentedag, maar een van de mannen draagt een t shirt met korte mouwen en een korte broek, alsof het al hartje zomer is.Hij heeft een dikke kogelronde buik, alsof hij een voetbal onder zijn t shirt verborgen houdt. Zijn gezicht is rond en vriendelijk en hij heeft kort stekelig haar.
De andere man is mager en lang en zijn houding is ietsje gebogen. Hij draagt een keurige grijze pantalon met een bijpassend overhemd. Zijn jas heeft hij in zijn hand. Voor hij het huis uit liep heeft zijn vrouw hem die aan gereikt.
De magere man is flink kalend, maar de grijze lokken die hij nog heeft zijn zorgvuldig achterover gekamd en vast geplakt met pommade.
De honden hebben veel gemeen met hun baasjes: De terriër van de voetbalman is klein en gedrongen. Hij heeft korte poten en een vrolijke snoet met een borstelige snor en een opgetogen grijns. De korte hond danst blaffend in kringetjes om de nerveuze windhond met de magere poten. De lange hond oogt, net als zijn baas ietwat schuchter. Als een kind, wat wel wil spelen, maar het niet durft omdat zijn kleren misschien vies worden.
Na lang aandringen holt de lange hond, met lange, houterige passen uitgelaten achter de korte hond aan.
Ze passeren mij met grote vaart terwijl ik langs het grasveld fiets, de windhond nu voorop, de terriër blaffend er achter aan.
Op het water drijft een zwaan, aan de waterkant nestelt zich een parmantig paar ganzen. Een poes slaat het tweetal van een afstandje gade.
Het fietspad waar ik nu rijd loopt langs een drukke weg. Er staat een bankje waar een verliefd stelletje zit. Hand in hand, de ogen op elkaar gericht lijken zij zich niet van bewust het langs razende verkeer, de drukte en de chaos op de weg.
Het maakt me een beetje melancholiek.
Als ik mijn fiets heb neer gezet ren ik de grote trap op. Mijn tempo verandert; ik moet me haasten.
De grote klok op het station laat me weten dat ik precies op tijd ben.
Als de trein tot stilstand komt drukt een man met een licht getinte huid op de knop om de deuren te openen. Hij draagt een lang gewaad en Alladin achtige muiltjes.
Hij laat mij met een gul handgebaar voorgaan en met een melodieus accent vertrouwt hij mij toe: Het is mooi weer in Holland, dat is mooi.
Erg mooi.







Friday, 27 March 2015

De minnaar

Hij is lang. Zijn schouders zijn breed, maar toch heeft hij nog iets aandoenlijks, iets jongensachtigs. Het is iets licht twijfelends in zijn bewegingen, iets kwetsbaars in zijn ogen. Hoe kort geleden was het dat hij nog met lego speelde, dat hij op straat voetbalde?
Zijn kindertijd ligt nog zo dichtbij. Maar de pagina lijkt definitief omgeslagen.
Hij zet zijn fiets voor het raam. Zijn jas is doorweekt, zijn haren drijfnat van het lange stuk fietsen, de regen en de ijzige kou.  Zijn wangen zijn rood, maar als hij door het raam naar binnen kijkt lacht hij.
Zodra ze hem ziet huppelt ze naar de voordeur en slaat haar armen om hem heen.
Ze lijkt klein en fragiel als hij haar in zijn armen houdt.
Hij sluit zijn ogen in een stille omhelzing.
Dan kijkt hij haar aan. Geeft haar talloze kusjes op haar mond en streelt haar door haar haren.
Zijn bewegingen zijn nog wat schutterig, een tikje onhandig zelfs.
Voor ze hand in hand de kamer binnen lopen trekt hij braaf zijn schoenen uit en laat ze achter in de hal.
Hij is hier thuis. In haar omgeving. Ontspannen zakt hij languit naast haar op de bank.
De poes nestelt zich meteen tussen hen en kijkt hen afzonderlijk smachtend aan. Al snel krijgt ze haar zin en wordt ze door twee handen geaaid. Ze draait haar pluizige witte buikje omhoog en valt in slaap.
Het schooljaar is bijna ten einde. Straks doen ze beiden HAVO examen en zullen ze afscheid moeten nemen van hun vertrouwde leventje. Van hun klasgenoten, de feestjes, de dagelijkse fietstocht, de gesprekken op het schoolplein, het hand in hand door de gangen op school lopen.
Een nieuwe fase breekt aan.
Het is dan vijf jaar geleden dat hij haar voor het eerst zag. Brugklassers waren ze. Schuw, onzeker en onwennig in hun nieuwe omgeving waar ze door iedereen als groentjes werden beschouwd.
Ze werden al snel kameraden en vormden een onwaarschijnlijk duo tussen alle beste vriendinnen en beste vrienden. Maar ze trokken zich er niets van aan; van het gespeculeer en het gegrinnik. Ze bespraken alles met elkaar, maakten stiekem grapjes om anderen en bouwden een bijzondere band met elkaar op.
Het mooie eigenwijze meisje met het lange blonde haar en de grote blauwe ogen en de donkerharige lange, rustige jongen.
De liefdevolle vriendschap veranderde geleidelijk in een prille romance.
Een vertederende fragiele liefde. Ongecompliceerd en ongeschonden. Schitterend en oprecht.

Ik zou willen dat ik dat ik die tedere verliefdheid voor haar kon behouden. Koesteren en beschermen. Tegen de tand des tijds. Tegen de onvoorspelbaarheid. Tegen de wereld waar ze in kan verdwalen. Tegen de invloed van anderen. Tegen kwaad. Tegen verdriet. Tegen tranen.
Ik zou haar in een glazen stolp willen doen als een kwetsbare bloem. Haar een plek geven waar ze veilig is en waar ze voor altijd kan blijven bloeien.

Het is al laat. Hij moet naar huis."Moet je echt al weg?"vraagt ze en ze slaat haar armen om hem heen.
Maar hij staat al op. Hij wil niet weer ruzie met zijn ouders omdat hij te laat is.
In de gang staan ze nog even tegen elkaar aan. Dan opent hij de voordeur.
Voor het raam haalt hij zijn fiets van het slot.
Het regent flink en het is donker. In het licht van de straatlantaarns zie ik hem op zijn fiets stappen.
Zelfverzekerd.
Hij trekt zijn kraag omhoog.
Hij is geen kind meer. Hij is een minnaar.






Wednesday, 4 March 2015

Rita

Rita is dood. Ze is zestig jaar geworden.
Mijn moeder heeft haar nog aan de telefoon gehad. Een paar weken geleden. Het schijnt dat ze heel opgetogen klonk.
Rita woonde tegenover mijn moeder in een smalle straat.
Ik had het mijn vijfenzeventig jarige moeder afgeraden er te gaan wonen; de huisjes met de steile trappen waren ongeschikt voor iemand die slecht ter been was. Bovendien zou ze behoorlijk ver van mij vandaan gaan wonen. Haar gezondheid liet te wensen over, ik had het verstandiger gevonden als ze dichterbij mij was komen wonen. Al met al leek het mij geen goed plan.
Maar mijn moeder was eigenwijs en deed het toch.
Ze verhuisde naar Zaandijk met haar vier katten.
Van de buren had ze weinig aanspraak. Met de a sociale autosloper die een paar huizen verderop woonde kreeg ze ruzie.
Volgens mijn moeder parkeerde hij expres zijn truck  precies bij haar voor de deur. Daarom vroeg ze een invalidenplaats aan.
Af en toe parkeerde de sloper zijn truck nu op haar invalidenplek "om haar te pesten" vertelde mijn moeder.
Ook de buren naast haar waren niet erg vriendelijk; de moeder schreeuwde de hele dag hard tegen haar vierjarige zoontje en verbood hem met mijn moeder te praten :"Dat is een vies mens" hoorde mijn moeder haar zeggen.
Eigenlijk had mijn moeder nauwelijks aanspraak in het straatje.De meeste mensen waren helemaal niet aardig.  De enige waar ze veel contact mee had was Rita.
Rita kon het huis van mijn moeder goed in de gaten houden, ze woonde immers precies tegenover haar.
Rita hield alles wat zich in de straat afspeelde goed in de gaten.
Meestal zat ze vlak achter het raam aan de eettafel sigaretjes te roken. Ze was de hele dag thuis dus er ontging haar weinig.
Rita was op de hoogte van elke echtelijke ruzie, elke zwangerschap, elk overlijden en elke buitenechtelijke misstap.
Ik ontmoette Rita voor het eerst toen mijn moeder een weekje op vakantie was. Rita gaf haar katten eten en ik zou ook af en toe even een kijkje komen nemen.Toen ik 's avonds de auto parkeerde zag ik het gordijn aan de overkant al bewegen.
Ik besloot mij even voor te stellen.
Voordat ik de kans kreeg om aan te bellen werd de deur al geopend. Een kleine vrouw met een dikke buik en een opgezet gezicht verscheen in de deuropening. een golf van sigarettenrook benam mij bijna de adem. Ze stak mij een kleine en opvallend zachte hand toe en stelde zich aan mij voor :"Ik ben Rita".
Haar stem klonk hees.
"Jij ben zeker de dochter van Lineke"  constateerde ze een tikkeltje nors.
Inmiddels hadden zich twee katten als schildwachten aan haar zijden geposteerd. Grote, zware statige individuen die mij argwanend opnamen.
De grootste van de twee katten had een menselijke uitstraling en keek mij vorsend aan. Ik voelde me er een beetje ongemakkelijk bij.
"Dit is mijn grote vriend en mijn beschermer" zei Rita. De kat leek inderdaad zeer betrokken bij haar welzijn en oogde als een personal assistant, een bodyguard of een zeer wantrouwig en hoogstwaarschijnlijk criminele huisgenoot die per ongeluk in een kat was veranderd.
"Het is goed"fluisterde ze de kat in zijn oor en de kat deed een klein stapje opzij zodat ik naar binnen kon. Het was niet zo dat ik graag wilde, maar Rita had me er van overtuigd dat ik beter even binnen kon komen: "Er wordt hier al zoveel geroddeld"verklaarde ze en ze pakte me bij mijn arm en manoeuvreerde mij naar binnen.
In de woonkamer stond het helemaal blauw van de rook. De muren zagen geel van de nicotine en het behang hing op de meeste plaatsen los of was gescheurd.
Een kachel, waar het glas van kapot was stond enorm hoog te branden. Bijna alles in het interieur was beschadigd, verkleurd of verkeerde in bijzonder armzalige staat.
Zodra Rita plaats nam aan de eettafel sprong de grote kat er boven op en bleef mij onophoudelijk aanstaren.
Rita bood mij een glas vruchtenwijn aan. Zelf nam ze een biertje.
"Je moeder is een aardige vrouw hoor"zei ze. "Maar ze is niet van hier hè, en je wordt hier niet zo makkelijk geaccepteerd als je een beetje anders bent".
Rita glimlachte verdrietig. De grote kat kroop troostend tegen haar aan. Ze zag er kwetsbaar uit. Kinderlijk kwetsbaar.
Het was mij snel duidelijk dat Rita zelf ook een buitenbeentje was in de buurt. Maar een buitenbeentje waar iedereen aan gewend was.

Een klein jaar later werd mijn moeder ernstig ziek. Omdat mijn moeder langdurig werd opgenomen kwam mijn oudste dochter Robina, die geen woonruimte kon vinden tijdelijk in het huis te wonen.
Rita belde mij regelmatig op omdat ze het niet vertrouwde. "Je dochter haalt allemaal rare figuren in huis. Ik heb het idee dat er drugs worden gebruikt".
Rita maakte zich zorgen en gebruikte regelmatig de sleutel, die ze nog van mijn moeders huis had om naar binnen te gaan en poolshoogte te nemen.
"Jullie moeten allemaal oprotten" had ze geroepen, toen er in de woonkamer een stuk of zes verloederde figuren in slaapzak op de grond lagen.
Omdat ze de boel zo scherp in de gaten hield kreeg Rita al snel de bijnaam: "Attentie Buurtpreventie". Heel wat keren werden wij laat op de avond gealarmeerd.
Ondanks dat zij vaak met elkaar overhoop lagen, werden Robina en Rita toch op een merkwaardige manier close met elkaar.
Rita bood haar zelfs een kamer aan in haar kleine armoedige huisje: "Ik heb het beste met je voor kind, ik wil niet dat je zo eindigt als ik"
Samen dronken ze vaak een biertje met elkaar en rookten een sigaretje. "Die vrienden van jou zijn niet te vertrouwen"waarschuwde Rita mijn dochter. "Het is allemaal uitschot en ze gebruiken je".

Na verloop van tijd bleek dat mijn moeder niet meer naar het huisje terug zou keren. Haar gezondheid stond het niet meer toe. Mijn moeder verhuisde naar het platteland, waar ze dichtbij haar oudste dochter kon wonen.  En dat betekende dat ook Robina er weg moest.
"Het is jammer"zei Rita. "Je weet nooit wat er weer voor in de plaats komt".
 De dag dat ik de sleutel van mijn moeders huis in kwam leveren scheen de zon.
De kleine straat zag er vriendelijk uit. Er waren geen mensen buiten.
Ik zette het laatste huisvuil bij de weg en trok de deur achter mij dicht.
De gordijnen bij Rita waren nog gesloten. "Ik ben nooit voor een uur 's middags wakker"had ze gezegd.
Toen ik een briefje bij haar in de bus deed keken de katten argwanend langs het gordijn naar buiten.
De katten kwamen nooit op straat want Rita was bang dat ze dan iets zou kunnen overkomen.

Eigenlijk was ik Rita vergeten. Ik ben ook nooit terug geweest in de kleine straat. Nooit meer.
Ik mis mijn moeder wel een beetje. Ze woont nu zo ver weg dat ik haar maar zelden zie.
Gelukkig heeft Robina nu een eigen huis.

Ik wist ook niet dat Rita zelf sinds kort verhuisd was.

Mijn moeder vertelde:
"Ik heb Rita kort geleden nog gesproken. Een week of drie denk ik. Ze klonk heel erg opgetogen. Ze was zo blij met haar nieuwe woninkje. Ze vertelde dat haar katten enorm afgevallen waren want ze konden lekker rennen in het grote nieuwe huis. Ze hadden nu zoveel ruimte! Ik vind het wel triest dat ze er maar zo kort van heeft kunnen genieten. Ze zeggen wel eens : Oude bomen moet je niet verplanten. Er komt geen begrafenis, want Rita heeft haar lichaam aan de wetenschap achter gelaten. Er is ook geen overlijdensbericht verstuurd. Ik vermoed dat de katten naar het asiel zijn gebracht".

Rita is dood. Ze is zestig jaar geworden. Meer is er niet.
Een klein mens, een klein leven, een kleine dood.