Tuesday, 20 October 2015

Droomboerderij

In mijn dromen breng ik wel eens heimelijke bezoekjes aan plekken die ik mis. Een daarvan is de oude boerderij waar ik als kind de vakanties doorbracht. Tijdens mijn droom sluip ik stilletjes de deur uit en loop ik heel stil over de donkere weg. Ik ben helemaal alleen. Ik doe dit stiekem, Niemand hoeft dit te weten, niemand kan mij vergezellen. Door deze bezoekjes tijdens mijn dromen uit te voeren, zal niemand er achter komen en niemand zal mij missen.
Het is diep in de nacht. Ik slaap al een paar uur. Dan, heel plotseling laat ik me behoedzaam uit mijn warme bed glijden en trek een warme jas aan over mijn nachtjapon. Ik doe geen schoenen aan, want ik wil het zand van de oprijlaan tussen mijn tenen voelen.
Zodra ik mijzelf naar de donkere weg heb gedroomd herken ik meteen alles. Alle details van de omgeving.
Het is griezelig hoe weinig er is veranderd. Elke boom, elke omgevallen stam. Elk gewas en elke bloem, die slechts voor de nacht haar blaadjes dicht heeft gevouwen. Elke bocht in de weg, elke oneffenheid in het pad.
Hoe lang ben ik hier niet geweest? Twintig jaar? Misschien was het zelfs langer geleden dat ik hier wegging? Dat ik de muur van het huis een laatste maal aanraakte. Dat ik gedag moest zeggen. Afscheid moest nemen van de stille droeve stenen van het oude huis. Het leek niet eerlijk om zomaar weg te gaan. Om verder te gaan zonder ooit nog terug te keren. Om weg te gaan en mijn jeugd achter te laten.
Afscheid. Definitief afscheid.
In mijn droom sta ik weer op diezelfde plek. Ik zie mezelf die laatste keer over het erf lopen en schoorvoetend achterin stappen. Wanneer de auto zich in beweging zet draai ik me om en blijf ik omkijken. Ik zie hoe het huis geleidelijk kleiner en kleiner wordt. Hoe de afstand tussen mij en het huis steeds groter wordt. Ik kan niet stoppen met kijken. Mijn moeder rijdt. Ze praat tegen mij. Maar ik zeg niets terug.Ik kijk door de achterruit. Heel erg lang. Mijn nek doet er zeer van. Smachtend zie ik hoe het bekende landschap aan me verdwijnt. Tot, plots het huis en de bekende omgeving definitief verdwenen is.
Ik slik en veeg een traan uit mijn ooghoek.
Ik zal het huis nooit meer terugzien.
Tot vannacht in mijn droom.Vannacht ga ik terug.
Ik ben onderweg en kijk naar mijn blote voeten.Ze zijn vies en zanderig. Het is een frisse herfstnacht maar ik voel geen kou. Wel ruik ik de bekende geur van mest en ingekuild gras. Ik ruik paddenstoelen en natte blaadjes. Paarden en schapen. Ik ruik de geur van ooit. De geur die ik als kind verafschuwde.
Ik stap nu zelfverzekerd door. Ik hoef nergens bang voor te zijn. Het is maar een droom. Ik kan rustig een kijkje nemen want het is niet echt.
Ik besluit even stil te staan en alles goed in me op te nemen. Hier speelt tijd geen rol. Ondanks dat het nacht is, is de lucht niet zwart. Het schemert. Het is een vriendelijke schemering waar nachtelijke vogels in rondzweven. Gelukkig kan ik alles goed zien. Alle bomen staan nog overeind. Ze zijn heel hoog en indrukwekkend. Hun talloze blaadjes ruisen. Ze fluisteren als duizenden kleine stemmetjes te midden van de stilte.
Er staan paarden in de wei. Hun donkere warme silhouetten lopen zwaar en vriendelijk op mij af. Het zijn een merrie en haar grote veulen: de paarden van mijn zus. Ik hoor hoe de merrie haar manen schudt en mij begroet met een ingetogen hinnik.Zou ze mij herkennen? Ze beweegt haar hoofd op en neer.Heel kort raak ik het zachte fluweel van haar neus met mijn vingertoppen. Het is een troostend gevoel. Dan loop ik door.
Er is een kleine dam over de sloot. Het hek zit dicht maar als ik naderbij kom opent het zich vanzelf.
Dat hek heeft mijn vader ooit gemaakt. Het hangt een beetje scheef.
In het schemerdonker ziet het huis er wat mistroostig uit. De kleuren zijn geabsorbeerd door de nacht. Alles is spikkelig grijs.
Ik sta nu op het erf. Ik haal diep adem. Ik snuif alles op. In een grote teug.
Dan ga ik het huis binnen.De lucht is hier kil en het ruikt muf. Het is ook erg donker en ik stoot me tegen een grote zware stoel.
Op de puntjes van mijn tenen dribbel ik door de verschillende kamers. Geluidloos en gehaast.
Heel kort neem ik overal een kijkje. Het is donker en onbeweeglijk en ongelooflijk stil.
Is er niemand?
Een melancholische vloedgolf slaat over mij heen. Doet mijn adem stokken en mijn hart zwaar worden.
Mijn vingers tintelen en mijn ogen vullen zich met tranen.
De stilte maakt mij verdrietig.
Maar wacht. In de oude woonkamer zie ik iets bewegen.
Even vang ik een glimp op van een moment, heel lang geleden. Ik zie een klein groepje mensen heel dicht bij elkaar zitten.Lachende mensen. Ben ik dat meisje met dat lange haar? Een kachel brandt,buiten loeit een storm. Binnen brandt licht.
Dan, heel plotseling word ik wakker en is mijn bezoek voorbij.
Als de dag begint komen geleidelijk de kleuren terug. Ik sta op en open de gordijnen.
Zonlicht valt naar binnen. Het voelt warm en prettig.
Dan loop ik de trap af naar de badkamer.
Ik laat het warme water over mijn lichaam spoelen en tot slot was ik het zand van mijn voeten.
Het mysterieuze zand van mijn geheime bezoek.



Tuesday, 13 October 2015

Klootzak


Ook al haat ik je niet. Ook al beteken je niets meer voor mij. Ook al weet ik niet eens meer hoe je er uitziet. Toch wil ik je nog eens graag hardop zeggen dat ik je een klootzak vind.
Niet omdat ik boos op je ben. Niet omdat ik me gekwetst voel. Niet omdat ik het kwijt moet. Maar gewoon; omdat je nu eenmaal een klootzak bent. En aangezien ik je beter ken dan wie ook. Kan je het maar het beste van mij horen.
Uiteindelijk ben ik degene die bijna acht jaar een relatie met je heeft gehad. Toen ben ik bij je weg gegaan. Ook al vond ik dat verschrikkelijk moeilijk.
Want in die tijd had ik een klein kindje. Ons kindje. Een meisje met lichtblonde krullen en blauwe ogen. Een meisje met blozende wangen en mollige handjes. Een kind wat al vroeg kon praten: "mama" zei ze glimlachend. En :"papa".
Heb je dat nooit gemist? Toen je eenmaal niets meer van je liet horen? Heb je daar nooit aan terug gedacht? Aan dat pientere kleine meisje? Aan de woordjes die ze zei? De liedjes die ze zong?  Aan haar glimlach? Haar blonde haartjes?

En sinds ze volwassen is. Heb je je tegenwoordig ooit nog afgevraagd hoe het met haar gaat? Of ze zich überhaupt een beetje kan redden in de maatschappij? Of ze gelukkig is? Wat ze doet?  Hoe ze er uit ziet? Of ze rond kan komen? Of ze het wel gered heeft? Of ze nog leeft?

Heb je eigenlijk ooit beseft hoe erg het mis is gegaan?

Ik heb het je vaak genoeg duidelijk proberen te maken. Ik heb je gevraagd ons te helpen. Je gesmeekt iets voor haar te doen. Keer op keer.

Onze dochter was zo begaafd. Zo getalenteerd. En toch ging het zo ontzettend mis. Moet ik het allemaal nog eens voor je opsommen? Hoe ze van school werd gestuurd? Uit huis werd geplaatst? Hoe ze worstelde met drugs, een levensgevaarlijke "vrienden"groep en hoe ze op het einde helemaal niets meer had? Geen geld, geen dak meer boven haar hoofd. Nauwelijks meer kleren aan haar lijf?
Hoe ze alles kwijt raakte?
Hoe zelfdestructief ze werd?
Hoe angstig?
Hoe intens verdrietig ze werd?
Hoe ze zichzelf beschadigde?
Hoe ze worstelde met een heel scala aan psychologische problemen?
Hoe grimmig haar leven er uit ging zien?
Hoe uitzichtloos?
Hoe ze zichzelf opsloot en zich verschanste voor de rest van de wereld?

Je hebt het allemaal geweten. Maar je koos ervoor om niets voor haar te doen. Zelfs haar alimentatie heb je niet meer betaald. "Ze zoekt het maar uit". waren jouw woorden.
Ze wil je nu echt nooit meer zien. Ze is bang voor je. Ze weet niet meer precies wat er vroeger allemaal gebeurt is. Niemand weet het precies. Misschien weet jij het?
Ik geloof niet dat ze je haat. Net zomin als ik dat doe. Volgens mij vind ze je ook gewoon een klootzak.
Niets meer en niets minder.
Gewoon een waardeloze klootzak.


Tuesday, 11 August 2015

Een lijk in de gracht



Na schooltijd dromden de kinderen bijeen aan de waterkant. Er werd geduwd en opgewonden gepraat. Iemand riep: Er ligt een lijk in de gracht! Ik stond ergens achteraan. Ik kon het niet goed zien, het groepje voor mij benam me het zicht. De kinderen renden in een grote groep mee met de stroming. Het lichaam dreef langzaam verder.
Ik zag alleen het donkere water. Het water wat onheilspellend oogde, vooral onder het viaduct, waar zich ook een fietspad en een trottoir bevond.
Ik kon het lijk niet zien, maar vond het toch eng. Ik had het koud en voelde me misselijk. Ik wilde naar huis.
Het viaduct was altijd al een griezelige plek. Ik liep er niet graag onderdoor want het was er altijd donker en er woonden vreselijk veel duiven, die ik vies vond.
Een klasgenootje had ooit tegen mij gezegd dat ik er het beste zo snel mogelijk onderdoor kon lopen, want dat er een risico bestond dat het in zou storten. Daardoor werd mijn afkeer en angst nog groter. Het liefste zette ik het er op een rennen, maar omdat ik nog banger was om te worden uitgelachen en uitgemaakt te worden voor bange schijterd, hield ik me in en liep ik zo snel mogelijk verder, met bonzend hart.
Ondanks dat ik slim was, was ik een naïef kind. Of misschien is goedgelovig een beter woord. Ik was onschuldig en goedgelovig. Vaak was ik bang om gepest te worden, dus het leek mij beter om in bepaalde gevallen net te doen alsof ik iets wist of begreep terwijl ik vaak geen flauw idee had waar de andere kinderen het over hadden.
"De vader van Pascale is een pooier" had Kitty ooit tegen mij gezegd. Ze zei het op een dusdanige toon dat ik zeker wist dat het een groot geheim betrof. Daarom vertelde ik het een keer door aan een ander vriendinnetje. Om indruk te maken.
Later, veel later begreep ik pas wat het betekende.
Ik was een onzeker en goedgelovig kind. Het een had vast met het ander te maken en andere kinderen voelden feilloos aan dat ik kwetsbaar en beïnvloedbaar was. Reden temeer om me vaak in de maling te nemen.
Een vilein buurmeisje dat Sylvana heette had me zo eens wijs gemaakt dat kinderen met het syndroom van Down besmettelijk waren.
"Als je langs mongooltjes loopt, moet je altijd je adem inhouden"Had ze me verteld. "Als je het niet doet, kun je "het" ook krijgen".
Ik kon niet goed lang mijn adem inhouden, maar deed het in bepaalde situaties toch, met het risico rood aan te lopen en bijna te stikken.
Vaak hoorde ik er niet echt bij.
Ik was daarom ook blij dat ik mocht aansluiten bij een "geheime" club, die bestond uit vier meisjes van mijn klas. De club was ontstaan na een verjaardagsfeestje waar ik toevallig ook voor was uitgenodigd en had tot doel "spannende, geheimzinnige" dingen te doen.
Uiteraard lagen dat soort zaken niet voor het oprapen dus we waren verheugd toen we, ieder elf jaar oud, een mysterieuze ontdekking deden in het Vondelpark.
Op een woensdagmiddag waren we aan het boompje klimmen toen we in de bosjes veel vreemde mannen zagen.
De meesten waren half ontkleed en verrichtten handelingen bij elkaar die we, in onze onschuld niet geheel konden bevatten.
We begrepen echter wel, dat het hier om uiterst verboden zaken ging die we met niemand mochten delen.
De aanvoerster van de club liet ons zweren hier nooit, maar dan ook nooit over te spreken. Onze avonturen leken nu bijna op die uit de boeken van "De Vijf" van Enid Blyton, Bijna.
De club hield ook een speciaal schrift bij, dat rouleerde onder de leden en waar alle avonturen in genoteerd werden.
Toen het schrift bij mij thuis (onder mijn bed) lag vond mijn moeder het en las er in.
Ze was ontzettend boos op mij maar ze was nog veel bozer op de kinderen van de club die mij geheimhouding hadden laten zweren. "Weet je wel hoe gevaarlijk dit is!"riep ze met een rood aangelopen gezicht.
Toen het uitkwam dat mijn moeder er van wist werd ik zonder pardon uit de club gegooid.
Dat vond ik erg jammer, want ik had het er best voor over gehad om nog veel meer gevaarlijke dingen te doen.
Zo lang ik maar had mogen blijven.
Nu ik al enige tijd volwassen ben heb ik geen behoefte meer om bij een club te horen. Ik ben niet meer zo onzeker en ook een stuk minder goedgelovig.
Maar de behoefte om spannende, gevaarlijke dingen te doen is gebleven.
Kennelijk ben ik ergens toch niet helemaal volwassen geworden.
En dat wil ik graag zo houden.

Tuesday, 4 August 2015

Een gekke dag


Mijn Amsterdam. Stad van tegenstellingen. Stad waar alles mogelijk is. De stad waar ik geboren ben en waar ik bijna mijn hele leven heb gewoond. 
Op een zonnige zaterdag loop ik zoals gewoonlijk het centraal uit richting de Zeedijk. Vandaag is geen gewone dag.
Vandaag is de Gay Pride.
Vandaag is Amsterdam van iedereen.
Vandaag hebben we allemaal recht op een stukje Amsterdam. Tolerantie; hoor ik de mensen om mij heen zeggen. Het gaat allemaal om tolerantie. Er wordt instemmend geknikt.
Kijk eens hoe vrolijk en uitgelaten iedereen is. Bussen en treinen storten grote hoeveelheden in roze geklede mensen uit over de stad. Sommigen dragen rare pruiken, hoeden, grote gekleurde brillen en boa's van gekleurde veren. Ik hoor allerlei dialecten. Het lijkt wel carnaval. Overal op het water zijn bootjes. Er klinkt harde muziek. Men heeft er zin in.
"Hier kan alles". Hoor ik iemand met een Gronings accent zeggen. "Maar ik zou hier nooit willen wonen hoor."
"Je moet de juiste instelling hebben en gewoon een dagje lekker gek willen doen". zegt iemand anders.
Want, ach, het is maar voor een dagje.
Een dagje naar Amsterdam met een groepje vrienden lekker gek doen en de volgende dag weer normaal. 
En of het nu Gay Pride is of Koninginnedag, dat maakt allemaal niet zoveel uit. Lol maken, daar gaat het om. Lekker gek doen. Dat wordt lachen, want er zijn zoveel aparte mensen te zien.
Ik heb medelijden met Amsterdam. Ik zou haar willen troosten en al die mensen de stad uit willen sturen.
Naarmate de dag vordert wordt de drukte en de chaos groter, het lawaai neemt toe en de hoeveelheid afval op de straten ook. Op de Zeedijk vormt de menigte een dikke kluit waardoor er bijna geen doorloop meer mogelijk is. Daarom wordt de straat afgezet met hekken.
"Moet je kijken wat die daar aan heeft". Een groepje onberispelijk geklede vijftigers wijst proestend naar twee frivool uitgedoste drag queens die gearmd over straat flaneren. Lachend kijken ze elkaar aan: "Dat kun je gewoon niet geloven hè? Dat kan hier allemaal".
De winkel waar ik ben verkoopt exclusieve fetisj kleding en artikelen. Veel mensen die door de straat lopen blijven even stilstaan voor de etalage waar twee in latex geklede etalagepoppen staan. Een van de poppen heeft een halsband om die vastzit aan een riempje. Er klinkt een hoop gelach en gegiechel. "Dat zou je bij ons niet zien" zegt een jonge vrouw tegen haar vriend.
Ze stapt even over de drempel met haar fototoestel in de aanslag. "Mag ik een foto maken?" vraagt ze lachend.
"Nee"zeg ik resoluut en ik sluit de deur.
Vandaag besluit ik niet tolerant te zijn.



Wednesday, 15 July 2015

God in Frankijk

Toen hij voor het geluk koos, stond een huis in Frankrijk hoog op zijn lijstje. Op nummer een stond een jongere vrouw, op nummer twee nooit meer werken en op een laatste maar niet onbelangrijke derde plaats een eigen huis in Frankrijk.

In de tijd dat zij nog verliefd waren hadden ze er heimelijk een vakantie door gebracht.  De pittoreske dorpjes, de goedkope wijn en het heerlijke eten, het kalme, ongecompliceerde ritme van het dagelijks leven en de prachtige natuur; dit was het het paradijs. Een plek om gelukkig te zijn en gelukkig te blijven. Een leven als God in Frankrijk.

Na zijn vervroegde pensioen wist hij zijn wens in vervulling te laten gaan; mijn vader werd trotse eigenaar van een Frans huis. Of liever gezegd van een paar grote stapels stenen die lang geleden een indrukwekkende watermolen met maar liefst drie bijgebouwen hadden voorgesteld. Een ruïne in Frankrijk dus vooralsnog, maar nu het koopcontract was gesloten zou de droom uitkomen.  Vol van energie begon mijn vader aan de wederopbouw van zijn domein en zijn nieuwe leven. Ver van het druilerige, grijze Nederland. Ver van zijn verleden, herinneringen en verplichtingen.  
Vanaf dat moment was Frankrijk niet zomaar meer een vakantieland; het werd het land van mijn vader. En sindsdien werd Frankrijk ook een klein beetje mijn Frankrijk. Als ik de kans kreeg zocht ik hem elke zomer op.

Vanaf mijn jeugd houd ik van Frankrijk. Sinds ik er, als klein meisje hand in hand met mijn vader en moeder over de markt liep, houd ik van de taal, van het eten en van de nukkige bevolking. Ik houd van de krekels die zich onzichtbaar opstellen in het gele gras om hun concert ten gehore te brengen. Ik houd van de leverkleurige koeien die tezamen met hun kalfjes in de weide staan: Lieftallige koeien met lange wimpers en elegante hoefjes. Ik houd van de dorpjes, de markten, de kastelen en de kerkjes. Van de veelzijdigheid van landschappen; het Bretonse strand, de Provençaalse vlaktes en de ruige wildernis van de Cevennen. De tegenstellingen lijken zo groot met het saaie, aangeharkte Nederland. Het immer bewolkte, minuscule, platte land waar je nooit kunt verdwalen. Ik houd van Frankrijk en van alle indrukken die ik er mijn leven lang heb verzameld: met mijn ouders, mijn eerste vriendje, en later met mijn jonge kinderen en met mijn man.

Ergens in een pittoresk dorpje betrap ik mezelf erop dat ik hardop tegen hem zeg: Kijk, dit prachtige huis staat te koop, zullen we hier maar gaan wonen?
Precies zoals mijn vader ooit waarschijnlijk gezegd heeft.
Niet lang daarna werd hij werkelijk eigenaar van een Franse maison.

Dat is meer dan vijfentwintig jaar geleden. Mijn vader is nu eenentachtig jaar. Het werken aan zijn Franse huis heeft hij moeten staken. Het geld is op en ook de energie. De verliefdheid is over en soms verlangt hij terug naar Amsterdam. Naar de Jordaan, het Waterlooplein en de grachten. Naar de regenachtige eenvoud van zijn jeugd.

De droom lijkt haast voorbij. Mijn vader weet niet precies wanneer die is geëindigd.
Het is zomer. Ik ben met mijn gezin in onze Franse vakantiewoning.  Hier in de vallei kijk ik vanaf het terras uit over de bergen, de rotsen, de velden vol lavendel, het bos en het kasteel in de verte. Elke nacht zet ik een schoteltje melk klaar voor de egels.  het is hier idyllisch, het is hier stil, het is hier bijzonder. Ik houd van het dromerige Frankrijk. Ik vind het fijn hier weer te zijn. Dichtbij de plek waar mijn vader woont.

Vanmiddag viel mijn zoon naast me in slaap. Ik keek verbaasd en ontroerd naar zijn lange benen, zijn stoere kleding en zijn knappe, slapende koppie. Het was lang geleden dat hij ‘s middags naast mij in slaap viel.
Het heeft waarschijnlijk met de hitte te maken gehad, of met zijn late naar bed gaan.
Even dacht ik aan lang geleden. Toen hij twee jaar was en iedere middag op mijn buik in slaap viel.

Mijn dochter is zeventien. De afgelopen twee weken vielen haar zwaar omdat ze haar vriendje in Nederland mistte. Ze is verliefd. Ze is geen kind meer. Ze is een mooie, blonde jonge vrouw. Ik vraag me af of ze volgend jaar nog met ons mee op vakantie zal gaan.

Over twee dagen gaan we naar mijn vader. We gaan hem opzoeken zoals we gewend zijn.
Ergens ben ik bang. Mijn vader wordt oud. Misschien keert hij binnenkort terug naar Nederland. Voorgoed. Het huis zal worden verkocht.

De droom lijkt haast voorbij.

Thursday, 18 June 2015

Een gezond meisje

Het was mijn grootste angst. Dat ze niet gezond zou zijn.
Mijn eerste kind. De bevalling was niet eenvoudig. De blauw aangelopen baby werd bij mij weg gehaald, maar al snel kreeg ik haar toch in mijn armen:  "Het is een gezond meisje", zei de verpleegkundige.
Ik telde inderdaad tien teentjes en vingertjes maar toch ik had het gevoel dat er iets niet in orde was.
In de ochtend was mijn mollige blonde baby van zaal verdwenen. Men "vertrouwde het niet".
Een week lang lag ze aan een infuus in de couveuse.
Daarna mocht ik met haar naar huis.
Omdat haar vader verstek liet gaan was ik alleen met een baby die continu huilde.
En als ze niet huilde, krijste ze. Ze leek altijd ongelukkig, overprikkeld en angstig.
Ook toen ze opgroeide bleef ze ontroostbaar. Ze leek gekweld, boos, en intens verdrietig.
Vanaf haar achtste jaar werd het nog moeilijker. Ze was geen klein meisje meer, en ze was bovendien heel erg intelligent. Men was dus van mening dat ze zich moest aanpassen, "normaal"doen.  Wellicht had ze straf nodig, of een strengere opvoeding. Waarschijnlijk was het mijn schuld.
Familie, onderwijzers en hulpverleners hadden allen een simpele oplossing. En iedereen had er andere ideeën over. Haar werd verder geen concrete hulp of begeleiding geboden.
Ze raakte sociaal geïsoleerd, werd gepest en had extreem veel moeite met dingen waar andere kinderen hun hand niet voor omdraaiden; leren fietsen bijvoorbeeld, of een zwemdiploma behalen. Wat me ook zorgen baarde was dat ze steeds dikker werd. Eten leek een enorme obsessie en op een bepaald punt deed ik de voorraadkast op slot en verstopte de sleutel.
Toen ze een jaar of vijftien was wilde ze niet meer naar school. Ze was hele nachten wakker. Ze rookte teveel, at teveel en begon zichzelf te snijden. Kort daarop verbrak ze het contact met haar vader.
Haar boosheid werd woede, haar verdriet radeloosheid.
Op haar zestiende ging ze weg. Begeleid wonen.
Tijdelijk, hoopte ik. Ze kwam nooit meer terug.

Ze is nu geen kind meer. Mijn dochter is volwassen. Jarenlang was ik bang dat de politie een keer aan de deur zou komen: zelfmoord, overdosis, een misdrijf, een verkeersongeluk, kiest u maar.
Het heeft maar weinig gescheeld.

Gisteren heb ik voor het eerst een intake met haar gehad. Bij GGZ.
Het eerste uur heb ik naast haar gezeten. Omdat zij dat graag wilde.

Voor het eerst vroeg ze om hulp.
Ik hoop met heel mijn hart, dat ze die nu krijgt.











Tuesday, 9 June 2015

Het graf

Wanneer ik vanaf Amsterdam naar huis rijd kom ik er bijna langs. Toch neem ik zelden de afslag om je te bezoeken.
Soms twijfel ik even, ik neem gas terug en kijk de kant op van de toegangspoort. Ik draai het raam open  en ik zeg hardop jouw naam. Soms zeg ik ook :" Hoi" of iets anders onnozels.
De woorden lijken meteen neer te dalen op het asfalt. Ze verdwijnen in het niets. Ze worden nergens door aangeraakt, door niemand ontvangen. Het is alsof ik tegen mezelf praat.
Dan rijd ik verder. Ik rijd over de brug en vang een glimp op van het spiegelende water. Het water van de Zaan. Het immer aanwezige water. Het water wat somber is wanneer het regent, wat glinstert als de zon schijnt en wat speels beweegt wanneer de wind er over waait. Een enkele keer lijkt het water woest en onbetrouwbaar. Wanneer de zomer voorbij is en de eerste herfststorm het opjaagt. Boze schuimkopjes vormen zich op de golven.
Soms is het water stil en eenzaam. Dat is wanneer de temperatuur onder het vriespunt komt en zich ijskristallen vormen. De aalscholvers, futen, ganzen en zwanen zoeken het overgebleven water waar ze verkleumd elkaars gezelschap opzoeken.
Eenden glijden met hun aandoenlijke zwempoten over het ijs wanneer iemand brood uitstrooit. Venijnige meeuwen maken acrobatische duikvluchten om het in de lucht te onderscheppen.
Het eeuwige water is  aanwezig is als een trouw kader. Als een lijst van een steeds wisselend schilderij.

Op een zonovergoten dag in augustus, toen de kinderen van het eiland lachend in het water doken zag ik over de brug een auto aankomen.
Groot, leeg en ernstig.
Er was een royale zon die dag. Een zon die zoveel zonnestralen te vergeven had dat zij ze kwistig uitstrooide over het water.
De minuscule golfjes glommen vergenoegd.  Het water leek te zwelgen in haar koesterende aandacht. De golfjes flirtten met de uitdagende zonnestraaltjes.
De auto reed over de brug. Het water omlijstte het morbide tafereel van de zwarte lege auto die onheilspellend zijn weg vervolgde. Hij reed langzaam en zelfverzekerd. De zon scheen onschuldig, de kinderen lachten, en de auto reed. Het was een sombere rit. De chauffeur droeg een  pet. Op de voorkant van de auto wapperde een zwart vlaggetje.

Een enkele keer, meestal rond jouw verjaardag, ga ik naar je toe.
Dan parkeer ik aan de overkant en koop bloemen.
In het begin, toen ik vaker bij je kwam, nam ik ook wel eens andere dingen mee; een kleine boeddha, wat gekleurde stenen die ik gevonden had, of een kaars.
Als ik het terrein op loop ben ik me er van bewust dat jij er niet meer bent.
Hier voel ik dat meer dan ooit. Misschien dat ik hier daarom ook niet graag kom. Omdat deze plek me altijd herinnert aan ons afscheid.

Omdat ik hier niet zo vaak kom moet ik goed nadenken hoe ik moet lopen. Na een paar minuten herken ik de andere namen. Ik weet nu dat ik goed loop.
Het witte graf is van jou. Ik zie het van een afstandje al liggen.
Er staan engelen en er liggen witte kiezelstenen.
Lieve moeder en vrouw staat er op de steen.
Ik voel een pijnscheut in mijn buik als ik het lees.
Nu ik hier sta voelt het weer alsof  ik je verraden heb. Het is een raar gevoel  maar het lijkt nog altijd niet eerlijk dat jij alleen weg moest.
Ik vind het niet eerlijk dat ik wel mocht blijven.
Waarom weet ik niet precies, maar als ik hier sta, zie ik altijd jouw voetjes.
Je had zulke mooie voetjes. ze leken heel teer. Zeker toen je in het ziekenhuisbed lag.
Blote voetjes met een restje roze lak op de nageltjes. Ontroerende voetjes.
Het is tijd om te gaan.
Ik zeg; Kitty, ik moet weg. Slaap maar lekker. Tot gauw.
Dan loop ik langzaam naar huis.
Als ik bijna bij mijn auto ben zie ik een grijs konijn voor me uit rennen. Zijn staart wipt vrolijk omhoog. Dan verdwijnt het konijn in de struiken.
"Dag konijn" fluister ik zachtjes.