Tuesday, 29 August 2017

Helden voor een dag


Het hotel staat in een drukke straat in Cambodja. Er zijn twintig verdiepingen in het gebouw. De kamer waar jij ligt te slapen is summier ingericht. Er is een klein bureautje met een oude tv. Op het nachtkastje ligt naast een volle asbak een bijbel. De vloerbedekking vertoont slijtageplekken en de deur naar de douche staat half open.  Het is hier warm want de air conditioning laat het af en toe afweten. De deuren van het balkon zijn gesloten en de gordijnen zijn dicht.
Het is bijna zeven uur in de ochtend. Door een kier in het gordijn schittert wat zonlicht. Tedere schitterende stofkorreltjes dansen in de lichtval.
Sterrenstof. Goudstof.
Jullie liggen in elkaars armen te slapen. Jouw ademhaling is diep en onregelmatig. Af en toe stopt je ademhaling helemaal. Je lijf ligt akelig stil. Maar dan neemt je ademhaling een aanloop en komt het schokkend weer op gang.
Het bed, de lakens, de sprei die aan het voeteneind ligt. Het karige interieur van de kamer. Dit is jouw veilige haven. Jouw stille laatste toevluchtsoord.
Beneden op straat raast het verkeer. Het geluid stijgt op.Het kaatst tegen de ramen van de hotelkamer  maar is niet in staat de stilte te verbreken.
Jouw armen liggen losjes naast je lichaam. je hoofd ligt op zijn schouder. Hij houdt zijn arm om je heen geslagen. Beschermend.
Zo zijn jullie samen in slaap gevallen . Twee verliefde jongens.

Tien jaar geleden. Het is hartje winter in Nederland. Partners in crime zijn jullie. Allebei pas vijftien jaar oud. Kinderen met een gebruiksaanwijzing. Kwetsbare kinderen. Prachtige kinderen. Stoere, jonge helden op ontdekkingsreis.Pubers op het randje van volwassenheid.
Het leven lijkt een bizarre grap waar jullie samen het plot van zoeken.Mijn dochter Robina en jij: Damien. Beste vrienden die samen de wereld aan kunnen.
Het is geen gemakkelijke tijd: Liefdesverdriet en euforie, vreugde en verdriet, wisselen elkaar af.
Onbegrip, boosheid, vertwijfeling , ruzies thuis die escaleren. Er zijn volop feestjes en veel geëxperimenteer met geestverruimende middelen. Jullie nemen soms grote risico's. Maar houden elkaar overeind.
Door de jaren heen blijven jullie close. ook als jij besluit verre reizen te gaan maken.

 Het is bijna middag in Cambodja. De zon is verstikkend heet. De drukte op straat neemt toe.
Je geliefde opent zijn ogen.Dan is er ineens paniek.
Je bent nu zo diep in slaap dat hij je niet kan wekken.Dan gebeurt er van alles in de hotelkamer.
Het stof stormt in het felle licht. Iemand bonst op de deur. Vreemden rennen de kamer in.
Er wordt geschreeuwd.
Iemand roept jouw naam.
Jij bent al ver weg.

In gedachten ga ik terug in de tijd. Robina woont nog thuis. Op een grijze kille winterochtend loop je me tegemoet op de brug.
Ik herken meteen je smalle, sombere gestalte. Het is bitter koud en ik heb de verwarming in de auto hoog aan gezet. Jij draagt geen jas. Je loopt met je handen diep in je zakken en gebogen hoofd richting ons huis.
Ik stop en laat je instappen.
Je glimlacht blij.

Het verkeer raast verder in de straten van Phnom Penh. Iemand opent de balkondeuren en het geluid stroomt naar binnen.
Het is oorverdovend.

Ik ben boodschappen aan het doen als Robina mij in tranen belt.
Huilend rijd ik naar huis.
Wanneer ik over de brug rijd zie ik je in gedachten weer lopen.
Een jongen op weg naar zijn beste vriendin.
Ik kijk je na tot je gestalte oplost in het zonlicht.




Damien 11 Juli 1992-10 Juli 2017.















Monday, 19 June 2017

Warmte

Het is zwaar om toerist in Amsterdam te zijn vandaag.
Een echtpaar van een jaar of zestig met korte broek, bezweet poloshirt en Nike airs komt zwoegend voorbij. Ze dragen hun rugzak op de buik wat er stompzinnig uitziet.De blik is ernstig en vermoeid. De wangen rood en de mouwen opgestroopt. Ze moeten door want ze zijn op vakantie. er is nog veel te zien.
Het is geen lolletje met meer dan dertig graden in de stad. De straten zijn heet. Het wegdek glimt. Zelfs de duiven hebben er last van. Met hun verminkte poten hobbelen ze door de stad. Scharrelend naar voedsel. Ze fladderen lichtjes geïrriteerd op wanneer een auto ze maar net ontwijkt. Dan landen ze weer zorgelijk op het zinderende asfalt van de straat en gaan onvermoeibaar door met pikken.

Echt, ik houd van de stad. Maar zo nu en dan irriteert ze me. Zeker wanneer het zo warm is en ze er afgepeigerd, slonzig en lusteloos uitziet.
Ik vind de stad niet lekker zo. Ik vind haar stom en lelijk.
Winkeliers zitten op klapstoeltjes voor hun etalages, ze kijken voor zich uit. Er is niets te doen want klanten zijn er niet.Vandaag doet niemand boodschappen. Laat staan dat men de moeite neemt om kleding te gaan passen of zomaar te winkelen.
"We eten wel een broodje vanavond" Hoor ik een moeder vermoeid tegen twee kinderen zeggen. Ze hebben een ijsje in hun hand en zitten verhit, verfomfaaid en plakkerig in een bakfiets.
Het is vuilnis ophaaldag en de stoepranden zijn bezaaid met stinkende zakken, stukken karton en etensresten. Een weeïge misselijkmakende geur verspreidt zich door de buurt. Meeuwen met gemene snavels maken duikvluchten tussen het vuil.
De winkeliers kijken chagrijnig op.
Het is te heet om vrolijk te zijn. Het is te heet om te eten, te heet om te winkelen en te heet om de toerist uit te hangen.

Ik stel voor dat we de stad vandaag sluiten en er op uit trekken. Naar buiten! Naar malse groene weides,drassige polders en velden vol korenbloemen en klaprozen.
Weg van de stad. Op naar eindeloze uitgestrekte natuur. Naar schone lucht en blauwe hemel.

Maar 's avonds, wanneer het wat is afgekoeld roept de stad me weer terug.
In het donkerblauwe schemerdonker van de zomernacht is de stad weer mooi, sensueel en geheimzinnig. Ze lonkt naar me en ik kan er niets aan doen: plotseling houd ik weer van haar als nooit tevoren..
De stad. Mijn stad. Ze heeft zich gehuld in een mysterieuze nachtelijke sluier die ik niet kan weerstaan.
Mijn stad.Ze is een wellustige verleidster.
Ze brengt me weer in vervoering. Met lichtjes op de gracht, terrassen waar gelachen en geroezemoesd wordt en muziek die door café deuren naar buiten stroomt.
Ik houd van de stad. Hoe erg ik haar soms ook kan haten. Hoe schunnig, smoezelig en haveloos ze soms mag zijn.
En ook al vervloek ik haar soms overdag.
's Nachts maak ik het altijd weer goed.











Tuesday, 6 June 2017

Bespiegelingen.

Gisteren hebben we je binnen gezet. Ik zat al een paar weken op je te wachten en had me al vaak afgevraagd of je wel in mijn interieur zou passen. Het oude hout tussen de moderne meubels,  het glanzende wit en het zwarte leer.
En nu was het dus zover. Het voelde haast als een ritueel.Je bent al jaren in onze familie, maar voor mijn ouders je kregen was je het pronkstuk van een ander gezin. Van mensen die ik nooit gekend heb. Eigenlijk was je al oud toen je in ons ouderlijk huis kwam te staan.
Als kind heb ik altijd al van je gehouden. Ik vond je mooi en indrukwekkend. Ook bij ons thuis was je het middelpunt. Mijn moeder hield niet van "prullaria" en al teveel decoratie, maar ze was wel gek op haar antieke meubels. Teveel spulletjes betekenden in haar ogen alleen maar meer afstoffen en opruimen. Iets waar ze geen groot liefhebster van was. En dat is een understatement.
Wellicht dat ik daarom totaal tegenovergesteld ben. Als kind al hing ik enorm aan de geringe opsmuk die we in bezit hadden: Elk vaasje, ieder beeldje, elk spaarzaam ornament dat ik kon vinden stofte ik af en koesterde ik.Toen ik eenmaal volwassen was en zelfstandig woonde had dat een obsessieve verzameldrang tot gevolg. Die uiteindelijk resulteerde in een imposante verzameling glaswerk en curiosa waar de gemiddelde handelaar zelfgenoegzaam mee zou koketteren.

De kast waar ik zo dol op ben is met ambachtelijk vakmanschap vervaardigd en bestaat uit twee losse delen: Vier kromme poten waarop  een dikbuikig onderstel rust:twee smalle kastjes aan weerszijden en een brede in het midden. Daarboven een lade. De deurtjes bevatten allen sleutelgaten waarvan -wonderlijk genoeg- de sleutels allemaal nog aanwezig zijn. .Aan de sleutelgaten hangen koperen druppels, ter versiering. 
Bovenop het onderstel bevindt zich een los opzetgedeelte waar twee glazen vitrinekastjes een geslepen spiegel omlijsten. Een spiegel waar je even achteloos een blik in kunt werpen wanneer je de tafel aan het dekken bent. Ik zie in gedachten hoe mijn moeder nonchalant haar kapsel in model duwt wanneer ze in de spiegel kijkt. 
Wie zouden door de jaren heen nog meer in de spiegel in hebben gekeken? Zoveel verschillende gezichten, zoveel herinneringen liggen er in de kast verborgen. Wellicht ligt de schaduw van de afbeeldingen nog achter het spiegelglas verborgen. En misschien, wanneer het onweert en bliksem de kamer verlicht komt zo'n gezicht even tevoorschijn. Heel kort. Een fragiele schaduw.
De beeltenis van mijn moeder, die even haar haren schikt.
Even tersluiks, voor ze weer verder gaat met de dingen die ze moet doen.

Het oude hout vertoont hier en daar wat slijtage. Onverhoeds zijn er ooit te hete potten en pannen bovenop gezet, of vazen met natte voeten. De kast heeft het allemaal gelaten ondergaan. Gelaten en liefdevol. 
Net zoals ze nu haar plaats in het nieuwe huis inneemt. Mijn huis. Aanvankelijk als een vreemde. Een op het eerste gezicht zonderlinge figuur uit een ander tijdperk. Maar geleidelijk zal zij haar plek vinden. Zal ze vertrouwd raken in de nieuwe omgeving.
Die eerste nacht staat de kast onwennig in mijn kamer. Ze is helemaal ingericht, gepoetst en gedecoreerd. Het hout zucht. Het spiegelglas licht even op. De poten kraken. 
Ze staat er wat weemoedig bij.







Monday, 22 May 2017

Jonge poesjes

Sinds mijn moeder dood is droom ik bijna elke nacht van haar.
Zodra ik mijn ogen sluit start er een wonderlijk avontuur, een reis naar het verleden; een kleurrijke tijdloze film.
Steeds speelt zij een rol.
Ik zie haar telkens op een andere manier. Ik zie haar leven, veranderen, evolueren, groeien.
Ik zie haar in alle facetten van haar leven. Niets staat meer vast nu ze er niet meer is. Mijn moeder is kind, jonge vrouw, moeder, vijftiger, zestiger. Maar nooit is ze de oude, zieke vrouw die ze op het einde van haar leven was. Als een vis zwemt ze heen en weer door de verschillende fasen van haar bestaan.
Ze fladdert van kind naar volwassene, Tijd speelt geen rol meer.
Mijn moeder is onsterfelijk geworden in de dood.  Ze is alles dat ze ooit was. Ze is alles dat ze ooit zal worden. Haar cyclus is geëindigd en tegelijkertijd oneindig.
In sommige van mijn dromen is mijn moeder op haar mooist: slank, stralend, met glanzend zwart haar, gekleed in haar lievelingskleren. Ze lacht gul en strekt haar armen naar mij uit.
Een andere nacht zie ik haar als kind. Ze is nog erg klein. Met mollige beentjes en schattige appelwangetjes.Ik kan zien dat ze net gehuild heeft. Ze is alleen in het ziekenhuis en ze mist haar vader en moeder.
Een ander moment verschijnt ze voor mij als jonge vrouw van een jaar of twintig. Trots, levenslustig en vastberaden.
En weer een andere nacht komt ze aangefietst met twee grote boodschappentassen aan haar stuur. Door de straat waar we woonden toen ik een kind was. Ik ben er ook. Misschien zit ik voor het raam op haar te wachten. Ik kan het niet zo goed zien.
En dan is er die terugkerende droom dat ik naar huis loop en haar in de verte zie aankomen.
Ik ben met de juf en de kinderen van mijn kleuterklas naar huis gelopen. We hebben jonge poesjes thuis en we mogen met z'n allen komen kijken. Dat heeft de juf met mijn moeder afgesproken.
De juf belt aan maar mijn moeder doet niet open.
We wachten een minuut of tien.
Dan zegt de juf dat we moeten gaan.
Ik wijs naar het einde van de straat.
"Kijk daar is ze al" roep ik blij.
"Daar komt ze aan!"
"Dat is mijn moeder" zeg ik tegen de juf.
Maar de juf zegt "Nee hoor".
Ik weet dat zij het is. Natuurlijk weet ik dat. Het is immers mijn moeder.
Een van de kinderen pakt mijn hand en huilend loop ik mee.Twee aan twee, netjes op een rij. Terug naar school.
Het heeft geen zin om te protesteren.
Ik draai me om en in de verte zie ik de gestalte van mijn moeder langzaam vervagen.
Het doet zeer.
Heel erg zeer.
Dan word ik wakker.






Saturday, 22 April 2017

Reizen

Vanaf nu reis ik zonder jou. Het kleine meisje moet alleen verder.
Je hebt definitief mijn hand los gelaten. Even voel ik me ontheemd, bijna wanhopig. 
Ik voel me weer kind. 
Dat kleine meisje dat de hele dag aan jou hing. Ik volgde je door het huis en hing aan je rokken. Op jouw schoot voelde ik me pas veilig, warm en compleet. Zo dicht mogelijk bij jou, met mijn neus in je hals en mijn wangen tegen je huid die naar warm brood  en Maja zeep rook.
De kleuterschool leek onmetelijk ver en de afstand naar jou oneindig groot.
Ik kan me nog herinneren hoe ik er huilend in de zandbak zat. Mokkend en grienend, omdat ik naar jou wilde.
Je was mijn verlengstuk, mijn basis, mijn fundament.
Wat hield ik van jou, en wat vond ik je mooi.
Vooral als je 's avonds naar het ziekenhuis ging. Gekleed in het witte verpleegstersuniform met je dikke zwarte haren onder het kapje. Ik kon verliefd naar je kijken. En ondanks dat ik het vreselijk vond om niet door jou in bed gestopt te worden moest jij naar je werk. Want als jij in het ziekenhuis was ging er niemand dood.
Je was mijn heldin. Mijn wereld, mijn alles. 
Ik hield ervan om thuis te zijn met jou. Ik,spelend op mijn kamer, jij zingend in de keuken.
Genietend van die rare, magische sfeer in ons huis in Amsterdam.
De radio stond aan en jij zong. 
Thuis was alles vanzelfsprekend en rustig. En jij was degene die daar voor zorgde.
De lagere school was de eerste jaren een griezelig en ver oord waar ik vooral jouw aanwezigheid miste.
Mijn hart maakte elke keer een sprongetje wanneer ik jouw geruststellende gedaante op het schoolplein ontwaarde om me weer mee te nemen naar huis.
Toen ik de puberteit bereikte kostte het me moeite om me los van je te maken. De strijd die we voerden was soms heftig. Het was een heus gevecht om mijn eigen identiteit te vinden.
Maar we vonden elkaar weer terug toen ik zelf moeder werd.
Het was zwaar om alleen voor een baby te zorgen maar gelukkig was jij er.
Je hielp me wanneer ik volledig radeloos was. Jij zorgde voor de baby zodat ik af en toe wat slaap kreeg.
Onze band werd weer sterk en ik keek er telkens naar uit om je te zien en je aanwezigheid te voelen.

Ik ben geen klein meisje meer, maar ik kan zo weer terug kruipen in de warme veiligheid van vroeger.In de basis die jij me gegeven hebt.

Twee weken geleden belde ik je op vanuit de auto. Je lag al een week in het ziekenhuis en je keek graag naar buiten, naar de rivier De Maas, naar de boten en naar de lucht.
"Wat is het  prachtig" zei je. "Het is ongelooflijk, zo'n mooie, dramatische lucht heb ik zelden gezien".
Ook de lucht die ik zag door het raam van de rijdende auto was spectaculair.
Samen keken we omhoog. "Mooi hé," zei ik tegen je.
"Ja" zei jij. "Ongelooflijk mooi".
In gedachten hield ik jouw hand vast. Samen keken we omhoog.
Onze reis samen was bijna ten einde.
















Sunday, 16 April 2017

Slaap

Het regent met Pasen. Hoe kan het ook anders. De narcissen en hyacinten laten hun kopjes hangen. Dikke druppels hangen aan de seringen en aan de appelbloesem. De wereld huilt hartstochtelijk mee met mij. Want mijn moeder is er niet meer.

Wanneer mijn zus en ik de kamer binnengaan lijkt het alsof ze rustig ligt te slapen. We naderen hand in hand het bed. Haar dochters.
Haar gezicht is zo glad. Haar ogen zijn ontspannen gesloten. 
Dag mam, zeg ik. Dag mama.
Het is voor het eerst in jaren dat ik haar weer zo noem. Waarom heb ik daar zo lang mee gewacht. 
Even zie ik haar adem halen. Ze opent haar ogen en begroet ons. Er is niets aan de hand.
Ik buig me over haar heen en omhels haar. 

Het is even na 13.00 u op 13 april. Mijn moeder is zojuist gestorven.
De dood. Ik heb haar veracht, gehaat en vervloekt. Maar vandaag heb ik toch ook sympathie voor haar. Mijn moeder slaapt rustig in haar armen. Vandaag is de dood genadig en teder.

Mijn moeder was een vechter. Ze kon niet anders. Het begon al bij haar geboorte toen ze moest vechten voor haar leven.
Vechten leerde dit Limburgse meisje daarna als geen ander.
Ze vocht tegen het verdriet om haar vader. Ze vocht tegen de boosheid van haar moeder.
Ze vocht om te kunnen studeren, om te worden waar zij van droomde. om te geloven wat zij wilde. Om te trouwen met de jongen van wie ze hield. Om kinderen te krijgen.
En later, toen ze alleenstaand was, om verre reizen te maken.

Mijn moeder: de vechter, de verpleegkundige, de dierenvriend, de oma.
De mooie, bijzondere, grappige, eigenzinnige vrouw.
Ik zal haar zo missen, maar ik moet haar laten gaan.

Dag lieve mama. Dag mam.












Thursday, 6 April 2017

Woensdag

Woensdagochtend gaat de wekker vroeg. Vannacht heb ik gedroomd dat ik danste met tante Mien. Ik was twaalf jaar. De hele Limburgse familie was er. Iedereen lachte. Ik had nog nooit zo gedanst.
Tante Mien pakte me bij mijn middel en zwierde de zaal met mij rond. Het was alsof ik zweefde.
Tante Mien was mijn moeders oudste zus. Ze had altijd voor iedereen gezorgd. Voor haar tien jongere broertjes en zusjes. En later voor haar eigen elf kinderen.
Tante Mien leeft niet meer.
Maar vannacht zwierde ik in haar armen rond en dat voelde heel veilig.
Het is dag. Woensdag. De droom vervliegt snel.
Ik pak mijn telefoon. Ik heb 18 ongelezen berichtjes van mijn oudste dochter. De paniek slaat toe wanneer ik  ze lees. Ik ben bang en boos tegelijk. Ik voel een gat in mijn maag en een gat in mijn hart.
 "Ik wist wel dat het mis zou gaan" zeg ik hardop tegen mezelf alsof ik mijn gelijk wil halen. Ik heb sterk de neiging in bed te gaan liggen en me onder het dekbed te verstoppen.
Maar ik loop naar beneden en stap onder de douche.
Ik ril.
Onder het warme water voel ik dat de contouren van mijn lichaam zich weer af beginnen te tekenen.
Ik voel dat ik weer besta. Dat ik nog besta. Althans, ik heb nog een lichaam. En ik voel vooral mijn hart. Mijn hart doet zo'n zeer.
Aankleden en naar beneden dan maar. Mijn veertienjarige zoon gaat vandaag met school naar de Ardennen. Ongelooflijk ver weg dus.
Ik heb Axe douchegel voor hem ingepakt, heel veel schone sokken, twee pakken granenrepen, crackers, roze koeken en een grote zak snoep van Jamin. Tenslotte nog een lunchpakket met zes broodjes, krentenbollen en twee flesjes Ice tea. 
Pubers moeten eten.
Het is hem inmiddels gelukt een kop boven mij uit te groeien (wat op zich nu ook weer niet zo'n prestatie is, gezien mijn 1.60 m)
Ik ga hem missen.
Gelukkig is mijn jongste dochter thuis.Ze ligt nog in bed en ik doe zachtjes om haar niet te wekken. Ze slaapt zo licht. Mijn prinses op de erwt.
Mijn telefoon piept weer. en ik schrik.
Ik krijg een berichtje van een goede vriend:."Hij is er hoor".
Daarna stuurt hij een foto van zichzelf:  Een jonge man met een slapend kindje op schoot. Zijn gezicht glanst van trots.
"Je bent vader, wat fantastisch!"stuur ik terug.

Wat voor dag is het eigenlijk vandaag? Het is woensdag. Gewoon woensdag. Voor mijn vriend de dag dat zijn zoon geboren werd. Voor mij de de dag dat mijn oudste dochter een psychose kreeg en mijn jongste kind alleen op kamp ging.