Thursday, 4 August 2022
Op een mooie Pinksterdag.
Wednesday, 20 April 2022
De vrouw van mijn vader
Ze ligt onderuitgezakt in het ziekenhuisbed. Geknakt. Kwetsbaar en hulpeloos als een klein kind. Ik schrik ervan. Omdat mijn vader niet goed lijkt te weten wat hij moet doen, help ik met het opschudden van het kussen en geef haar slokjes drinken. Even opent ze haar ogen en kijkt me op een vreemde doordringende manier aan. Dan zakt ze weer weg. Ik ben bang voor haar. Altijd al geweest. Zelfs nu ze broos en afhankelijk is. Ik breek de chocoladecake die ik voor haar heb gehaald, in kleine stukjes en stop ze in haar mond. In plaats van het zakdoekje, veegt ze haar mond af met een plastic tas die toevallig op het bed ligt. Ik pak hem voorzichtig van haar af.
Op de zaal, waar nog drie andere patiënten scheef in bed hangen, heerst een beklemmende, uitzichtloze sfeer. Een sfeer waarin niemand nog enige hoop lijkt te hebben. De vreugdeloze, afgematte stemming hangt als een broeierig, klam laken over de aanwezigen. Als een besmettelijke ziekte.
Ze wil ook wel een chocolaatje, maar als ze er met gesloten ogen eentje neemt blijkt dat ik de verkeerde mee heb genomen. Ze houdt alleen van puur. Ik begin me te verontschuldigen met de opmerking dat ik het doosje zo mooi vond. En dat ze er nog wat aan heeft als het leeg is. "Het is een heel bijzonder doosje" .Niemand lijkt het te horen.
Het is alsof ik het altijd verkeerd doe bij haar. Ik koop de verkeerde chocola, kies juist de bloemen die ze vreselijk vindt, praat te hard, ben te uitgesproken, vraag teveel aandacht van mijn vader, laat haar niet uitpraten, kleed me vreemd, praat te veel. Eigenlijk wek ik altijd alleen maar irritatie bij haar op.
Puur mijn aanwezigheid, mijn manier van praten en lachen, mijn rode lippenstift, mijn persoonlijkheid, mijn mening. Het irriteert haar.
Mijn moeder is nu vijf jaar dood. Ze kan het nog steeds niet verdragen wanneer haar naam valt. Dan zucht ze, of ze begint te hoesten. Vaak loopt ze demonstratief de kamer uit. Mijn vader wekt ook voortdurend haar ergernis. Om zijn doofheid, zijn onzekere manier van lopen, zijn geklaag, zijn politieke standpunten, zijn eigenwijze gedrag. Al een paar keer heeft ze tevergeefs geprobeerd de huisarts ervan te overtuigen dat mijn vader aan het dementeren is. Mijn vader geneert zich ervoor. Maar boos wordt hij eigenlijk nooit.
Hij irriteert haar en ze steekt haar ergernis niet onder stoelen of banken. Maar hij koos uiteindelijk altijd voor haar en kocht een huis in Frankrijk om met haar te gaan wonen. Om haar gelukkig te maken. De scheiding tussen mijn ouders was verschrikkelijk. Mijn moeder kwijnde weg.
Vanwege verbittering, vervlogen hoop, verbolgenheid en ontevredenheid, of, ja wat eigenlijk? drinkt ze al jaren zoveel, dat ze nu speciale medicatie krijgt vanwege de ontwenningsverschijnselen. Mijn vader houdt vol dat ze toch echt is gaan minderen. Ook heeft mijn vader haar nooit zover gekregen om met roken te stoppen. De vreselijke hoestbuien, de kortademigheid, het is ergens een wonder, dat het altijd goed is blijven gegaan.
Altijd. Tot afgelopen donderdag. Toen ze de vuilniszak buiten ging zetten. Ze viel en klapte met haar hoofd tegen de grond. De buren vonden haar. Ze lag tussen de auto's in het donker.
s' Middags had ze met vriendinnen zitten drinken. Het was zo gezellig geweest. En nu gebeurde er dit.
Wanneer ik haar in het ziekenhuisbed zie liggen denk ik, dat het misschien slecht afloopt. Dat de bloeding in haar hoofd haar fataal zal worden. Maar nu lijkt het toch de goede kant op te gaan. Dat denkt de dokter ook, die mij, tijdens het familiegesprek, tot grote hilariteit haar dochter noemt.
Nee. Het lijkt mee te vallen. Ze komt er wel weer bovenop, de vrouw van mijn vader.
En alles komt weer goed.
Tuesday, 8 March 2022
Edward
Thursday, 2 December 2021
Kippen in de tuin.
Ikzelf ben een katten mens. Maar mijn moeder was een hondenmens. Elke dag nam ze de honden mee naar het park. Of ging ze, als het even kon, met de honden naar het bos. In gedachten zie ik haar binnenkomen. Een frisse bries volgt haar en verspreid zich door de warme woonkamer. Ze heeft haar jas en haar leren handschoenen nog aan. De honden volgen nonchalant. Ze kijken blij. Wist je dat honden blij kunnen kijken?
Eigenlijk was mijn moeder een dierenmens. En een plantenmens. En een mensenmens. Een natuurmens. Mijn moeder hield van alles wat om haar heen bewoog, zong, blafte, bloeide en lachte.
Mijn moeder kende de namen van alle vogels en wist hoe je een plant moest stekken en een appelboom moest snoeien. Zij was het soort mens dat elk hondje op straat begroette. Dat zomaar in verwondering stil kon blijven staan, als ze een vogeltje hoorde ritselen in een struik. Ze registreerde elk torretje en kon, zittend achter het stuur van de auto vaststellen dat er een roofvogel in de lucht hing. Ook wist ze welke paddenstoel giftig was, en welk plantje geschikt was om thee van te trekken. Als (stads) kind vond ik dat allemaal wat overdreven.
Mijn moeder was verpleegkundige, en, wanneer zij dienst had, klampten de patiënten zich vast aan het leven. Mensen voelden zich beter in haar aanwezigheid. En wanneer er mensen overleden, was het meestal, en tot grote frustratie van haar collega's, wanneer zij net de dienst overgedragen had. Mijn moeder droeg een levensenergie bij zich, die aanstekelijk was.
Dieren speelden een belangrijke rol in mijn jeugd. In ons huis in Amsterdam woonden er, naast ons gezin, dat uit vier personen bestond, een steeds wisselend aantal katten, twee honden en om de zoveel tijd een dier in nood; zoals een vleugellamme ekster, een kreupele eend en een zieke duif. Ook hield mijn zus er ooit een kleine verstoten spitsmuis in een schoenendoos. Rond Pasen adopteerden mijn ouders ooit kuikens die in de tuin in een ren werden gezet. Gewoon, in onze stadstuin, waar de balkons van de etagewoningen op uitkeken. Onze stadstuin die bij de vierkamerwoning hoorde en waar je het getoeter van de auto's kon horen. Op een steenworp afstand van het Leidseplein. De kuikens scharrelden er vrolijk op los en groeiden gestaag. Pas toen er een luidruchtige haan tussen bleek te zitten werden ze door mijn vader naar de boerderij gebracht.
Daar, in Groningen, waar we onze vakanties doorbrachten, had ik een geit, mijn zus had er een paard en hield mijn vader nog veel meer kippen. Ook hadden we er ooit ganzen, konijnen en varkens.
Mijn jeugd was niet standaard. Zeker niet voor een Amsterdams meisje. Maar ik ben mijn moeder dankbaar dat ik een stukje van haar levensenergie heb mogen erven. En dat ik, ondanks dat ik een kattenmens ben, van alle levende wezens heb leren houden.
Tuesday, 28 September 2021
Woelmuizen.
Monday, 2 August 2021
Het medaillon
Tuesday, 13 July 2021
Duif
De duif. Ze is er weer. Kwam ze eerst alleen aan het einde van de middag, nu komt ze ook 's ochtends. Ze neemt plaats op het dak van de schuur en fladdert dan omslachtig naar beneden. Ze let wel op maar is duidelijk niet echt bang voor mijn katten. Ze is zelfs zo aan ze gewend, dat ze, met haar kopje alert gedraaid, op korte afstand van het tweetal de graantjes van de voedertafel en de grond pikt. De katten zijn inmiddels ook aan haar gewend. Lui, doch geamuseerd kijken ze toe en trekken soms wat met hun bek zonder dat er geluid uit komt.
Het is een gezonde duif, lekker mollig en puntgaaf. Een heel ander beest dan de sloebers die zich in het Amsterdamse straatbeeld bevinden: verminkte, verpieterde figuren die ook wel vliegende ratten worden genoemd. Mijn duif is mooi en fris. Een onaangetast, blakend wezen. Als dank voor de graantjes roe-koet ze elke dag op de schutting. Ik vind dat een gezellig geluid.
Ik ben me meer dan ooit bewust wat zich bij mij in de tuin afspeelt. Sinds ik met voederen ben begonnen toen het hartje winter was, zijn er nu het zomer is nog altijd een aantal vaste bezoekers: De eerder genoemde duif, die vaak in gezelschap is van een kennis, een stel eksters, kauwtjes, spreeuwen en groene papegaaien. In de kersenboom bij de buren zitten vaak koolmeesjes. Het roodborstje heb ik na het verdwijnen van de nachtvorst niet meer gezien. Aangemoedigd door deze vaste groep bezoekers, strooi ik nu dagelijks voer dat ik speciaal bij de dierenwinkel koop. "Voer voor siervogels", staat er op de verpakking. Ik vraag me af wat dat precies zijn.
Ik heb de planten in de tuin laten woekeren en de vogels aangemoedigd te blijven komen. Elke ochtend voer ik de vissen in de vijver. "Kijk!" Ze weten al dat ik er aankom. Elke ochtend zwemt de hele school licht onder het wateroppervlak op een en dezelfde plek. Hier laat ik een ruisende hand voer neerkomen. Sommige van de fel gekleurde vlokjes worden door de wind meegenomen en belanden op het ongeremde groen in de tuin.
Het is anders, nu ik niet meer de deur uit hoef voor mijn werk. Rustiger, bedaard. Ik slaap langer en heb zelfs de tijd gevonden om een boek uit te lezen. Ik heb weer tijd om uitgebreid te koken, boodschappen te doen en de was te sorteren. Ik eet weer elke dag samen met mijn gezin .Maar het is vreemd. Het is vreemd om na ruim zes jaar niet meer naar mijn werk te hoeven. Niet meer de trein te hoeven nemen naar Amsterdam Centraal en het vaste stukje naar de Wallen te wandelen. Had ik soms geen zin om naar mijn werk te gaan, dat kleine wandelingetje van het Centraal naar de Zeedijk, dat mis ik oprecht. Een kort intiem samenzijn met de stad waar ik geboren ben (en die ik stiekem mis).
Onderweg naar mijn werk groet ik de postbode, de pakketbezorger, de man achter de toonbank van de Chinese elektra winkel en het groepje stoere jongens dat rondhangt bij de hippe modezaak. De buurvrouw van de overkant roept naar mij: "Straks samen koffie"? Dan begint mijn werkdag.
Mijn tuin. Het is een magisch lapje grond waar kleine wondertjes gebeuren. Zo zag ik er gisteren een goudkleurige kikker. Ik was de kat te slim af en collaboreerde met de kikker door hem "hup!" het water in te bonjouren. Met grote slagen zwom hij de diepte in. Tere libellen raakten heel kort het wateroppervlak aan.
Wanneer de zon schijnt, verschijnen er ook ineens, uit het niets, vlinders. Vogels tjilpen en kinderen lachen, iets verderop. Dan trekt er een schaduw over de zon en is het weer rustig. Ook in huis lijkt het ineens stil geworden. Alles staat weer even stil. Afgezien van de duif op het dak van de schuur, die aanstalten maakt om naar beneden te fladderen.