Thursday, 4 August 2022

Op een mooie Pinksterdag.

Wat is hij oud en wat oogt hij fragiel. Zijn heup is zo slecht dat hij een stok moet gebruiken. 
Hij hoort ook slecht en zet (als niemand kijkt) zijn bril op als hij in de auto stapt. Vervolgens rijdt hij met 60 km per uur de snelweg op.
Soms denk ik terug aan hoe ik me hem herinner. Lang, slank en nonchalant gekleed. Een jonge held met een wilde krullenbos en een baardje. Hij oogt ietwat onverschillig, maar niet ongeïnteresseerd. Mijn moeder is smoorverliefd op hem.     Tot zijn vijftigste blijft hij een jongensachtige uitstraling houden die in de smaak valt bij veel vrouwen.
Als ik een jaar of vijftien ben gaat hij zijn eigen weg. Vanaf dat moment ben ik "groot". 
Een moment blijft me bij. Wanneer hij me 's avonds naar het noodspreekuur brengt met een onstoken kaak.  Ik ben dan al volwassen.
Bij het oversteken pakt hij mijn hand. Het is een flashback naar mijn kinderjaren. In mijn gedachten zing ik dat liedje dat mijn moeder altijd zong: 
"Op een mooie pinkster dag. Als het even kon. Liep ik met mijn dochter aan het handje in het parikie te kuieren in de zon"      Eigenlijk konden mijn vader en ik het altijd goed met elkaar vinden. Hij leerde me van jazzmuziek houden, en van discussiëren. En van Monthy Python en Gerard Reve.
Mijn vader kon heel veel dingen goed; zoals vertellen en piano spelen, grapjes maken en helpen met huiswerk. Ik vond het altijd heerlijk om naar zijn verhalen te luisteren.
Maar hij vond het soms ook moeilijk om vader te zijn, en opa. 
Ik heb hem vaak gemist, zeker toen hij met zijn huidige vrouw naar Frankrijk verhuisde.
"Dat kutwijf" zoals mijn moeder haar noemde, die "het helemaal voor elkaar had". 
Een prachtig huis in de Franse bergen zonder kinderen, kleinkinderen en een zeurende exvrouw.

Maar  ze worden ouder en de situatie wordt alsmaar grimmiger. Het lijkt alsof ze elkaar in de weg zitten.
Ze verblijven een tijdje in Amsterdam. Corona isoleert ze. En dan krijgt zij een ernstig ongeluk.
Daarna besluiten ze echter samen de benen te nemen en wederom naar Frankrijk te gaan.
Ze vertrekken tegen het advies van de doktoren in.
Ze nemen de benen.
 Als een opstandig stel pubers dat er stiekem tussenuit knijpt.
Mopperend, vloekend en verwijtend gaan ze op weg.

Het is 36 graden in Frankrijk. De oude dikke natuurstenen muren van het huis bieden Goddank wat beschutting tegen de nietsontziende hitte. Mijn vader die schuifelend in de moestuin werkt, zo doof als een kwartel.  En zijn vrouw, die steeds harder tegen hem schreeuwt, voortdurend boos is en alles vervolgens vergeet.
Aan de telefoon zegt hij dat het beter gaat. Ik ga er maar niet over met hem in discussie.

Morgen komt mijn zoon met zijn meisje aan in Brassac. dat is zo'n beetje het kleinste treinstation van de Auvergne, vlak voordat je het hooggebergte ingaat waar mijn vaders huis staat.
In the middle of nowhere.
Mijn vader kijkt er enorm naar uit. Hij kan niet wachten om zijn kleinzoon weer te zien. Familie betekent veel voor hem tegenwoordig.
Ik hoop dat het goed gaat. Voor mijn vader en mijn zoon.     Dat het een mooie laatste keer is dat opa zijn kleinzoon over de geschiedenis van het gebied kan vertellen: 
Over de oude Romeinse munt  die hij ooit in het raamkozijn vond.
Over het opstel dat op zolder lag, geschreven rond 1920.
Over de watermolen, de beek, de roofvogels en de wolven die er ooit leefden.
Al die mooie verhalen.

Net zoals vroeger, toen hij mij verhalen vertelde en nog jong en onverschillig was. 


Het liedje "Op een mooie Pinksterdag" , werd geschreven door Annie MG Schmidt en gezongen door Andre van den Heuvel en leen Jongewaard.
 








Wednesday, 20 April 2022

De vrouw van mijn vader

Ze ligt onderuitgezakt in het ziekenhuisbed. Geknakt. Kwetsbaar en hulpeloos als een klein kind. Ik schrik ervan. Omdat mijn vader niet goed lijkt te weten wat hij moet doen, help ik met het opschudden van het kussen en geef haar slokjes drinken. Even opent ze haar ogen en kijkt me op een vreemde doordringende manier aan. Dan zakt ze weer weg. Ik ben bang voor haar. Altijd al geweest. Zelfs nu ze broos en afhankelijk is. Ik breek de chocoladecake die ik voor haar heb gehaald, in kleine stukjes en stop ze in haar mond. In plaats van het zakdoekje, veegt ze haar mond af met een plastic tas die toevallig op het bed ligt. Ik pak hem voorzichtig van haar af.

Op de zaal, waar nog drie andere patiënten scheef in bed hangen, heerst een beklemmende, uitzichtloze sfeer. Een sfeer waarin niemand nog enige hoop lijkt te hebben.  De vreugdeloze, afgematte stemming hangt als een broeierig, klam laken over de aanwezigen. Als een besmettelijke ziekte. 

Ze wil ook wel een chocolaatje, maar als ze er met gesloten ogen eentje neemt blijkt dat ik de verkeerde mee heb genomen. Ze houdt alleen van puur. Ik begin me te verontschuldigen met de opmerking dat ik het doosje zo mooi vond. En dat ze er nog wat aan heeft als het leeg is. "Het is een heel bijzonder doosje" .Niemand lijkt het te horen.

Het is alsof ik het altijd verkeerd doe bij haar. Ik koop de verkeerde chocola, kies juist de bloemen die ze vreselijk vindt, praat te hard, ben te uitgesproken, vraag teveel aandacht van mijn vader, laat haar niet uitpraten, kleed me vreemd, praat te veel.  Eigenlijk wek ik altijd alleen maar irritatie bij haar op.   

Puur mijn aanwezigheid, mijn manier van praten en lachen, mijn rode lippenstift, mijn persoonlijkheid, mijn mening. Het irriteert haar.

Mijn moeder is nu vijf jaar dood. Ze kan het nog steeds niet verdragen wanneer haar naam valt. Dan zucht ze, of ze begint te hoesten. Vaak loopt ze demonstratief de kamer uit. Mijn vader wekt ook voortdurend haar ergernis. Om zijn doofheid, zijn onzekere manier van lopen, zijn geklaag, zijn politieke standpunten, zijn eigenwijze gedrag. Al een paar keer heeft ze tevergeefs geprobeerd de huisarts ervan te overtuigen dat mijn vader aan het dementeren is. Mijn vader geneert zich ervoor. Maar boos wordt hij eigenlijk nooit.

Hij irriteert haar en ze steekt haar ergernis niet onder stoelen of banken. Maar hij koos uiteindelijk altijd voor haar en kocht een huis in Frankrijk om met haar te gaan wonen. Om haar gelukkig te maken. De scheiding tussen mijn ouders was verschrikkelijk. Mijn moeder kwijnde weg. 

Vanwege verbittering, vervlogen hoop, verbolgenheid en ontevredenheid, of, ja wat eigenlijk? drinkt ze al jaren zoveel, dat ze nu speciale medicatie krijgt vanwege de ontwenningsverschijnselen.     Mijn vader houdt vol dat ze toch echt is gaan minderen.    Ook heeft mijn vader haar nooit zover gekregen om met roken te stoppen.  De vreselijke hoestbuien, de kortademigheid, het is ergens een wonder, dat het altijd goed is blijven gegaan.

Altijd. Tot afgelopen donderdag. Toen ze de vuilniszak buiten ging zetten. Ze viel en klapte met haar hoofd tegen de grond. De buren vonden haar. Ze lag tussen de auto's in het donker.

s' Middags had ze met vriendinnen zitten drinken. Het was zo gezellig geweest. En nu gebeurde er dit.

Wanneer ik haar in het ziekenhuisbed zie liggen denk ik, dat het misschien slecht afloopt. Dat de bloeding in haar hoofd haar fataal zal worden. Maar nu lijkt het toch de goede kant op te gaan. Dat denkt de dokter ook, die mij, tijdens het familiegesprek, tot grote hilariteit haar dochter noemt. 

Nee. Het lijkt mee te vallen. Ze komt er wel weer bovenop, de vrouw van mijn vader.     

En alles komt weer goed.





Tuesday, 8 March 2022

Edward

In de straat waar ik ben opgegroeid in Amsterdam, kenden alle mensen elkaar.     Mijn ouders, die er als jong gehuwden kwamen wonen waren goed bevriend met de buren. Mijn moeder was met name close met twee jonge buurvrouwen die beiden (en dat was nog ongewoon voor die tijd) gescheiden waren en hun kinderen (ze hadden er allebei drie) zelfstandig opvoedden.
Ik noemde ze allebei "tante". En ondanks dat ik wist dat ze geen echte tantes waren, waren ze toch een soort familie.
Met de kinderen van tante Dinie speelde ik het meest.  Met de twee jongens dan. Niet met het meisje dat wat ouder was.
Ik was jongensachtig en deed graag wilde spelletjes.  Vaak kwam ik met gescheurde of smerige kleren thuis.
Edward, was het jongste zoontje van tante Dinie. We waren even oud.
Mijn moeder, die verpleegkundige was, had nog geassisteerd bij zijn geboorte, aangezien de vroedvrouw net iets te laat kwam. 
Hij en ik speelden altijd samen. Vaak speelde Edwards grote broer Arno ook mee. Maar Edward was mijn favoriet.
Edward was een lief jochie om te zien. Hij had iets zachts over zich, met bolle wangetjes en een plukje haar dat altijd overeind stond.
Omdat Edward als tienjarige moeite had met de "R" uitspreken, kwam hij mij altijd ophalen om te gaan "lolschaatsen". Iets waar mijn ouders stiekem om moesten lachen. 
Er was een tijd dat Edgar en ik elke dag samen speelden. We waren een jaar of elf en Edward kreeg de baard in de keel. Ondanks zijn lieve uiterlijk produceerde hij nu ineens een diep stemgeluid. Wat wel eens tot hilariteit leidde wanneer hij bij de voordeur vroeg of ik kwam spelen.

Gedurende mijn hele jeugd heb ik met Edward gespeeld. We bouwden hutten, vormden de een na de andere "club", waar ik de leidster van wilde zijn en Edward dan maar weer penningmeester werd. We verzonnen dansjes en playbackten.
Op school werd Edward, net als ik, gepest. We werden buitengesloten omdat we "anders" waren. 

Op een middag namen we afscheid van elkaar. Ik weet het nog goed. We stonden in de gang wat na te praten, toen Edward plotseling heel stil werd en zei:
"Houd jij ook van mij?"
Geschrokken werkte ik hem de deur uit. "Daar zijn we toch veel te jong voor Edward" riep ik hem na.

Mijn moeder, die meegeluisterd had zei: "Edward valt toch niet op meisjes?" 
Ik bleef in verwarring achter, met blozende wangen.

Tijdens de puberteit verloren we contact.
Pas vele jaren later spraken we weer af en keken samen een film. We ontdekten dat we allebei een crush op de mannelijke hoofdrolspeler hadden.
Het leven ging zo snel, er gebeurde zoveel. Er was nog maar sporadisch contact tussen Edward en mij. Maar soms belden, of schreven we elkaar.
We werden allebei verliefd.  Edward ging samenwonen en was gelukkig. Ik werd moeder van een klein meisje.
Kort daarna sloeg het noodlot toe.

Edward's vriend werd ziek. Misschien had ik me niet gerealiseerd dat ik nog iets voor hem kon betekenen. We hadden immers niet meer zoveel contact.
Achteraf heb ik daar veel spijt van gehad.

Toen zijn vriend na een kort ziekbed aan aids stierf brak er iets in Edward.
Hij kon een tijdje niet spreken en was depressief.
Daarna was hij het liefste alleen.
Hij kreeg nooit meer een andere partner en ging veel reizen.
Ook het contact tussen hem en mij werd nooit hersteld.

Heel af en toe zie ik Edward nog wel eens. Maar de bijzondere vriendschap die we hadden, is voorbij.

Soms heb ik spijt dat ik op die ene middag, toen we nog kinderen waren niet terug gezegd  heb:
"Ik houd ook van jou"! En hem een knuffel heb gegeven.

Ik wou dat ik dat toen gedurfd had. 
Had ik dat toen maar gewoon gedaan.










  








Thursday, 2 December 2021

Kippen in de tuin.

Ikzelf ben een katten mens. Maar mijn moeder was een hondenmens. Elke dag nam ze de honden mee naar het park. Of ging ze, als het even kon, met de honden naar het bos. In gedachten zie ik haar binnenkomen. Een frisse bries volgt haar en verspreid zich door de warme woonkamer. Ze heeft haar jas en haar leren handschoenen nog aan. De honden volgen nonchalant. Ze kijken blij. Wist je dat honden blij kunnen kijken? 

Eigenlijk was mijn moeder een dierenmens. En een plantenmens. En een mensenmens. Een natuurmens. Mijn moeder hield van alles wat om haar heen bewoog, zong, blafte, bloeide en lachte.

Mijn moeder kende de namen van alle vogels en wist hoe je een plant moest stekken en een appelboom moest snoeien. Zij was het soort mens dat elk hondje op straat begroette. Dat zomaar in verwondering stil kon blijven staan, als ze een vogeltje hoorde ritselen in een struik.  Ze registreerde elk torretje en kon, zittend achter het stuur van de auto vaststellen dat er een roofvogel in de lucht hing. Ook wist ze welke paddenstoel giftig was, en welk plantje geschikt was om thee van te trekken. Als (stads) kind vond ik dat allemaal wat overdreven. 

Mijn moeder was verpleegkundige, en, wanneer zij dienst had, klampten de patiënten zich vast aan het leven. Mensen voelden zich beter in haar aanwezigheid. En wanneer er mensen overleden, was het meestal, en tot grote frustratie van haar collega's, wanneer zij net de dienst overgedragen had. Mijn moeder droeg een levensenergie bij zich, die aanstekelijk was.

Dieren speelden een belangrijke rol in mijn jeugd. In ons huis in Amsterdam woonden er, naast ons gezin, dat uit vier personen bestond, een steeds wisselend aantal katten, twee honden en om de zoveel tijd een dier in nood; zoals een vleugellamme ekster, een kreupele eend en een zieke duif. Ook hield mijn zus er ooit een kleine verstoten spitsmuis in een schoenendoos. Rond Pasen adopteerden mijn ouders ooit kuikens die in de tuin in een ren werden gezet. Gewoon, in onze stadstuin, waar de balkons van de etagewoningen op uitkeken. Onze stadstuin die bij de vierkamerwoning hoorde en waar je het getoeter van de auto's kon horen. Op een steenworp afstand van het Leidseplein. De kuikens scharrelden er vrolijk op los en groeiden gestaag. Pas toen er een luidruchtige haan tussen bleek te zitten werden ze door mijn vader naar de boerderij gebracht.

Daar, in Groningen, waar we onze vakanties doorbrachten, had ik een geit, mijn zus had er een paard en hield mijn vader nog veel meer kippen. Ook hadden we er ooit ganzen, konijnen en varkens.

Mijn jeugd was niet standaard. Zeker niet voor een Amsterdams meisje. Maar ik ben mijn moeder dankbaar dat ik een stukje van haar levensenergie heb mogen erven. En dat ik, ondanks dat ik een kattenmens ben, van alle levende wezens heb leren houden.  





   


Tuesday, 28 September 2021

Woelmuizen.

"Het gaat goed hoor" zegt mijn vader. Ik schrik een beetje van zijn stem. Hij klinkt anders. Moe. Misschien zelfs wat ongelukkig. Maar als ik hem nogmaals vraag of hij zich een beetje redt, daar in Frankrijk, begint hij over het weer.
Dat het wat tegenvalt voor de tijd van het jaar. Dat er nog geen paddenstoelen zijn in het bos. En dat hij dat jammer vindt.
Als ik hem naar de kat vraag, licht zijn stem wat op. Ja die kan niet meer zonder ons. Het is zo'n aandoenlijk beest. Ze volgt Lottie nu ook de hele dag. Normaal kan ik zelfs niet telefoneren want dan probeert ze de hoorn uit mijn handen te duwen, want, aandacht he. Het is zo'n aandachtsdier. 
Naarmate hij langer over de kat praat begint zijn stem vrolijker te klinken. "Maar het is ook een krankzinnige rover" zegt hij nu lachend. De hele moestuin zit vol woelmuizen. "Weet je wat dat zijn? Dat zijn eigenlijk gewoon een soort muizen, maar dan met een stompe snuit. Die hele tuin zit vol met gangen. Daar wonen dus hele families woelmuizen. En elke keer weet die kat er 's nachts weer eentje af te slachten. Die brengt ze dan als trofee mee naar mijn slaapkamer en dan verstopt ze de restjes onder het bed. Ze is al flink op leeftijd, maar het is nog steeds een moordmachine hoor.
Hij lacht weer. 
Wanneer ik hem vraag of hij van plan is snel naar Amsterdam terug te keren, aangezien de winter in aantocht is, slaat zijn stem weer om. Bedrukt zegt hij:
Ja, het is lastig. Vroeger reed ik dat hele stuk in een dag. En nu zie ik er zo tegenop.
Het is niet eens het autorijden. Het is de drukte he. Ik zie zo tegen die drukte op in België en Nederland. 

Voor ik mijn vader te spreken krijg, , heb ik Lottie even aan de lijn, omdat zij de de telefoon opneemt. Ik maak even een praatje met haar, voordat mijn vader de tocht naar het toestel gemaakt heeft:
Hoi, ja ach, het gaat... ik kan nu niks zeggen. Ja ik ga hem roepen. Hij is zo doof he. Verschrikkelijk. Nee, ik ga ook niet meer met een oude man die niet kan lopen op vakantie. Nee, daar begin ik niet meer aan. Maar ik zal hem even roepen: PEEEEETER! JE DOCHTER AAN DE TELEFOON!!!!

Wanneer ik mijn vader vraag of hij nog op vakantie naar Spanje wil, antwoordt hij wat twijfelend: 
 "Ja, misschien wel hoor. Ik ben er nog niet uit". 
Misschien is het toch fijn als je toch zo langzaamaan maar weer naar Nederland komt, herhaal ik weer. Eventueel rijd je dat stuk toch in een paar etappes.
Het is even stil en ik roep: "Ben je er nog? Hoor je me nog?".
Ja, ja ik ben er nog zegt hij. Zijn stem klinkt weer ietwat bedroefd.
Weet je wat het is. Zegt hij.
Ik kan die kat niet alleen laten. Die kat hangt echt aan mij. Ik weet wel dat ze goed verzorgd wordt door de buurvrouw, maar ik kan dat beest eigenlijk niet meer alleen laten. 
En wie weet. Misschien kom ik wel nooit meer terug. 
"Weet je dat ik daar vreselijk mee in mijn maag zit?".
Ja, dat snap ik. Zeg ik. Dan weet even niks meer te zeggen.
"Ik bel je gauw weer oké?"
Ja, zegt mijn vader. Tot gauw. Dag meisie.



Monday, 2 August 2021

Het medaillon

Ze draagt het medaillon om haar hals. Het glinstert in de zon. Ik zit op haar schoot. Het liefste zou ik in haar kruipen en verdwijnen. Ik begraaf mijn neus in de dikke, donkere haardos, snuif die fijne, veilige geur van haar op. De geur van warmte, van intimiteit, van vers gebakken brood en zonlicht. Van liefde en van geborgenheid. Van zelfsprekendheid en van rust.
Het medaillon om haar hals. Het is van goud en er zijn krullen op gegraveerd. "Kijk" zegt mijn moeder.
Ze klapt het deurtje voor mij open en laat me de fotootjes zien die er in zitten. Eentje van mij, en eentje van mijn grote zusje. Ze draagt de foto's dicht op haar warme huid. Voordat ze de foto's van ons tweeën erin deed, droeg ze er een foto van mijn opa in. Mijn opa uit Limburg. De mysterieuze opa die pijn weg kon nemen en kwalen kon genezen. De opa ik nooit gekend heb, maar die mijn moeder ontzettend mist. "Ik mis mijn vader nog elke dag" zegt ze vaak. 
Op een dag, als ik ouder ben,  realiseer ik me dat dit gemis heel erg lang geduurd heeft. Onvoorstelbaar lang. 
Een gemis dat onverwacht begon, toen zij een meisje van veertien jaar oud was en dat altijd voortduurde. Het bleef een leven lang knagen. 
Heel lang droeg ze de foto van haar vader dicht bij haar hart. Tot wij, haar twee dochtertjes, een klein beetje het gemis weg konden nemen en ze de foto verving. 
Op een dag waren we te groot om nog op haar schoot te kruipen en in haar hals te snuffelen. En toen nam het gemis weer toe.
Dat vond ik heel erg.
Ik heb mijn moeder altijd willen troosten, ervoor willen zorgen dat het gemis wegging, dat de pijn wegging. Maar ik wist dat het niet kon. Het hoorde bij mijn moeder. 
Nu is het medaillon van mij. Ik houd het in mijn handen en ik denk aan mijn moeder. Aan hoe ik haar mis, elke dag opnieuw. 
Het medaillon schittert in de zon
Ik draag het dicht op mijn huid, waar het nu hoort.
 


 


Tuesday, 13 July 2021

Duif

De duif. Ze is er weer. Kwam ze eerst alleen aan het einde van de middag, nu komt ze ook 's ochtends. Ze neemt plaats op het dak van de schuur en fladdert dan omslachtig naar beneden. Ze let wel op maar is duidelijk niet echt bang voor mijn katten. Ze is zelfs zo aan ze gewend, dat ze, met haar kopje alert gedraaid, op korte afstand van het tweetal de graantjes van de voedertafel en de grond pikt. De katten zijn inmiddels ook aan haar gewend. Lui, doch geamuseerd kijken ze toe en trekken soms wat met hun bek zonder dat er geluid uit komt. 

Het is een gezonde duif, lekker mollig en puntgaaf. Een heel ander beest dan de sloebers die zich in het Amsterdamse straatbeeld bevinden: verminkte, verpieterde figuren die ook wel vliegende ratten worden genoemd. Mijn duif is mooi en fris. Een onaangetast, blakend wezen. Als dank voor de graantjes roe-koet ze elke dag op de schutting. Ik vind dat een gezellig geluid.

Ik ben me meer dan ooit bewust wat zich bij mij in de tuin afspeelt. Sinds ik met voederen ben begonnen toen het hartje winter was, zijn er nu het zomer is nog altijd een aantal vaste bezoekers: De eerder genoemde duif, die vaak in gezelschap is van een kennis, een stel eksters, kauwtjes, spreeuwen en groene papegaaien. In de kersenboom bij de buren zitten vaak koolmeesjes. Het roodborstje heb ik na het verdwijnen van de nachtvorst niet meer gezien. Aangemoedigd door deze vaste groep bezoekers, strooi ik nu dagelijks voer dat ik speciaal bij de dierenwinkel koop. "Voer voor siervogels", staat er op de verpakking. Ik vraag me af wat dat precies zijn. 

Ik heb de planten in de tuin laten woekeren en de vogels aangemoedigd te blijven komen. Elke ochtend voer ik de vissen in de vijver. "Kijk!" Ze weten al dat ik er aankom. Elke ochtend zwemt de hele school licht onder het wateroppervlak op een en dezelfde plek. Hier laat ik een ruisende hand voer neerkomen. Sommige van de fel gekleurde vlokjes worden door de wind meegenomen en belanden op het ongeremde groen in de tuin. 

Het is anders, nu ik niet meer de deur uit hoef voor mijn werk. Rustiger, bedaard. Ik slaap langer en heb zelfs de tijd gevonden om een boek uit te lezen. Ik heb weer tijd om uitgebreid te koken, boodschappen te doen en de was te sorteren. Ik eet weer elke dag samen met mijn gezin .Maar het is vreemd. Het is vreemd om na ruim zes jaar niet meer naar mijn werk te hoeven. Niet meer de trein te hoeven nemen naar Amsterdam Centraal en het vaste stukje naar de Wallen te wandelen. Had ik soms geen zin om naar mijn werk te gaan, dat kleine wandelingetje van het Centraal naar de Zeedijk, dat mis ik oprecht. Een kort intiem samenzijn met de stad waar ik geboren ben (en die ik stiekem mis). 

Onderweg naar mijn werk groet ik de postbode, de pakketbezorger, de man achter de toonbank van de Chinese elektra winkel en het groepje stoere jongens dat rondhangt bij de hippe modezaak.  De buurvrouw van de overkant roept naar mij: "Straks samen koffie"?  Dan begint mijn werkdag.

Mijn tuin. Het is een magisch lapje grond waar kleine wondertjes gebeuren. Zo zag ik er gisteren een goudkleurige kikker. Ik was de kat te slim af en collaboreerde met de kikker door hem "hup!" het water in te bonjouren. Met grote slagen zwom hij de diepte in. Tere libellen raakten heel kort het wateroppervlak aan.

Wanneer de zon schijnt, verschijnen er ook ineens, uit het niets, vlinders. Vogels tjilpen en kinderen lachen, iets verderop. Dan trekt er een schaduw over de zon en is het weer rustig. Ook in huis lijkt het ineens stil geworden. Alles staat weer even stil. Afgezien van de duif op het dak van de schuur, die aanstalten maakt om naar beneden te fladderen.