Tuesday, 27 August 2013

Ter overname aangeboden

Het is een prachtige ochtend. Ik besluit de fiets te nemen.
Zeven kilometer, naar het huis van mijn moeder.
Onderweg zie ik dingen die me nog nooit zijn opgevallen.
Ik kijk verwonderd om me heen.
Verbaas me over het pittoreske Nederland wat me normaal enigszins ontgaat wanneer ik er met de auto doorheen rijd.
Al die keren dat ik hier voorbij kwam en me zoveel ontging. Het is zonde.
Het zonlicht legt de nadruk op al het groen. Groen dat fijn is om naar te kijken, troostend, weldadig, haast dorstlessend groen. Weidegroen, groepjes bomen met grote groene pruiken, onkruidgroen dat een kans heeft gekregen wild en onstuimig te groeien in de berm waar de trein voorbij raast. Donkergroen water van de sloot naast het fietspad en Zaans groen op de houten huisjes.
Er zijn veel fietsers. Bejaarde echtparen, scholieren, moeders met kinderen achterop. Niemand draagt een jas, het is immers eind augustus. Het maakt een zorgeloze indruk.
Het landschap ruikt naar cacao.
De brug gaat open. Duiven vliegen verschrikt op. Tientallen kleine zeiltjes komen langzaam in beweging. Zonlicht reflecteert op het aluminium dek van de bootjes.
Een scheepshond blaft en kwispelt.
Twee zwoegende molens staan parralel aan elkaar. De een aan de Westzijde, de andere aan de Oostzijde van het water. De wieken draaien net niet gelijk .
Ik ben er nu bijna.
Het is de laatste keer dat ik er naar toe ga. De sleutels rammelen in mijn zak.
Als ik de hoek omsla en de straat inrijd voel ik me ineens verdrietig. Het is een korte vlaag die me even de adem beneemt. Ik slik en zet mijn fiets tegen de gevel.
Er hangen geen gordijnen meer. Iedereen kan naar binnen kijken. Het huis lijkt naakt.
Ik open het krakende houten hekje en loop naar de voordeur.
De kat van de buren staat meteen naast me en kijkt hoopvol omhoog.
Samen lopen we naar binnen, de kat en ik.
Het huis is leeg. Wat lijkt het groot.
Door het raam aan de achterzijde kijk ik de tuin in. De tuin waarvan ik ooit zei dat ik die zo mooi vond.
De tuin waar mijn moeder een opblaasbadje neerzette die eerste zomer, voor mijn kinderen.
Het is onvoorstelbaar dat het huis zo leeg is. Het was zo vol. Vol met kastjes, tafeltjes en stoelen. Krukjes, lampen en allerlei decoratie.
Mijn moeder vond steeds weer iets nieuws om mee te nemen. Iets "nieuws", wat ze op straat had gevonden, van iemand had gekregen of voor een paar centen op de kop getikt had. Iets wat vast wel een keer van pas zou komen.
Naast spullen had mijn moeder katten. Vier stuks die "officieel" van haar waren plus een groep buurtkatten die bij mijn moeder een hapje mee aten voor de gezelligheid.
De laatste tijd dat ze hier woonde ging het niet zo goed met mijn moeder.
Ze was niet lekker en voelde zich ontzettend alleen.
Ook al was ik vlakbij.
Toch ging het niet meer.
Ik voel me schuldig omdat ze er niet meer is.
Misschien is het beter zo, waar ze nu woont. Op het echte platteland. In een verzorgd aanleun flatje. Dicht bij mijn zus.
We deden iedere week samen boodschappen mijn moeder en ik. Ze at elke week een paar keer bij ons. Ze paste een paar dagen per week op mijn kinderen.
Ik check nog even de wanden en ontdek hier en daar nog een spijker die ik uit de muur trek.
Een van de spijkers valt op de grond en wanneer ik hem opraap zie ik een klein kaartje liggen.
Een klein verdwaald kaartje in een volkomen leeg huis.
Hoe onwaarschijnlijk ook, ik ben niet verbaasd.
Dat kaartje is vast voor mij bedoeld.
Een woord staat er op het kaartje geschreven.
Vrede.
Ik stop het kaartje in mijn tas en sluit de deur achter mij.
Het is mooi geweest.







Monday, 19 August 2013

Vakantie

Ik houd niet van vliegen.
Natuurlijk realiseer ik me best dat vliegen een "comfortabele" manier van reizen is.
Maar toch.
Ik ben een ongeduldig type. Ik houd niet van wachten. Toch hoort dat er bij. Wanneer we onze bagage naar de check in balie gezeuld hebben begint het.
Maar eerst moeten we langs de douane.
Wanneer er zoveel norse in uniform gestoken figuren naar me kijken, voel ik me meteen verdacht. Ik weet niet waarvan, maar toch.
Ik moet mijn tas in een bak zetten en door een electronisch controle poortje duwen.
Aan de andere kant zitten twee heel serieuze, humeurige figuren op een scherm naar de inhoud van mijn tas te kijken.
Ik word al meteen apart genomen. Iemand pakt me bij mijn arm, dat vind ik erg onaangenaam.
Ik moet mijn tas openmaken en vertellen wat er in zit.
Weet ik veel wat er in zit. Ik heb een veel te grote tas waar ik allerlei spullen in heb gestopt die op allerlei momenten in het leven van een moderne vrouw van pas kunnen komen. Bovendien hebben zij toch net op dat scherm kunnen zien wat er in mijn tas zit?
Zuchtend rits ik de tas open. Bij elk voorwerp benoem ik het. Het lijkt wel Sesamstraat.
Een pakje zakdoekjes.
Twee pakjes kauwgum.
Autopapieren.
Een toilettasje met inhoud.
Een zonnebril.
Een flesje rescue remedy (voor de vliegangst)
Een flesje neusspray.
Een telefoon.
Een portemonnee.
Een condoom.
En tenslotte....
een zakmes.

Een swiss army knife om precies te zijn.
Reuze handig.

Maar meteen begint de mevrouw van de douane met haar hoofd te schudden.
Ze grijpt het zakmes aslof het een moordwapen is en even ben ik bang dat ik wijdbeens tegen een muur gegooid zal worden.

Wanneer ik weer verder mag lopen ben ik het zakmes kwijt. Mijn lief zegt dat het mijn eigen schuld is, maar ik ben behoorlijk gepikeerd.
Dan lopen we het winkelparadijs van Schiphol binnen. Waarom weet ik niet, maar mijn al niet zo geweldig ontwikkelde orientatie is altijd op zijn ergst op vliegvelden. Daarom volg ik mijn lief. Blindelings. Terwijl ik de handen van mijn kinderen goed vast houd.
We drinken hele dure koffie en eten hele dure broodjes. We wachten.
Dan gaan we inchecken en wachten we opnieuw.
Dan worden we door een slurf het vliegtuig binnen geleid. Sommige mensen proberen elkaar in te halen. Iemand stoot hardhandig tegen mijn arm.
Bij de ingang van het vliegtuig staan twee stewardessen die heel enthousiast naar ons lachen. We worstelen ons een weg naar de stoelen.
Het duurt een tijdje, maar dan lijkt iedereen zijn stoel gevonden te hebben.
Ik houd er niet van om met een grote groep mensen in een kleine ruimte te zitten.
Sommige mensen zien er onsmakelijk uit.
Ik trek mijn riem strak aan en controleer de riem van mijn kinderen.
Dan volgt er een welkomstpraatje en veiligheidsintructies.
Daarna marcheert een van de stewardessen door het vliegtuig en controleert of we onze riemen echt wel dichtgeklikt hebben. Ze lacht onophoudelijk. Het is heel irritant.
Ik weet niet of ze het expres doet maar in het voorbij marcheren stapt ze heel hard op mijn voet.
De stewardess benadrukt dat "vliegen de veiligste manier van reizen" is.
Ik vraag me af waarom. In de trein of bus is er nog nooit zoiets geruststellends tegen me gezegd. Is dat omdat reizen per trein of bus levensgevaarlijk is? Of is vliegen stiekem wel eng?
Ik snap het niet.
Bovendien lijk ik de enige aan boord die vliegangst heeft.
Al halverwege de startbaan kunnen de meeste mensen hun ogen al niet meer open houden.
Om mij heen hangen diverse mensen ontspannen snurkend in hun stoel.
We hangen scheef in de lucht en het vliegtuig maakt een hels kabaal.
Mijn hart bonst en tranen springen in mijn ogen.
Dan pakt mijn elfjarige zoontje mijn hand en vraagt mijn 15 jarige dochter; gaat het mama?
Ik slik en knik heldhaftig.
Dan mogen we onze riemen weer los maken en ontvouwen tv schermpjes zich  boven onze hoofden.
De speelfilm begint. Helaas zonder geluid. Een koptelefoontje kan je echter aanschaffen bij een van de glimlachende stewardessen.
Ik moet plassen maar ik durf niet. Bovendien wordt het gangpad versperd door twee stewardessen met een kar waar je tegen betaling cup a soup en oploskoffie kunt bestellen.
Later komen de stewardessen en een heel erg nichterige steward breed glimlachend langs met luxe artikelen.
Bijna besluit ik om iets te kopen, maar ik zou niet weten wat en waarom, alles is namelijk heel duur en de sieraden zijn echt verschrikkelijk lelijk.
Als de gezagvoerder tegen ons spreekt luister ik heel goed om zijn stem te analyseren. Hij klinkt nuchter en hij spreekt goed Nederlands. Dat is geruststellend. Wanneer hij echter vertelt hoe hoog we nu vliegen en hoe extreem koud het is op zo'n enorme hoogte luister ik niet meer mee.
Ik adem diep in door mijn mond en uit door mijn neus.
Het duurt heel lang. Vooral het laatste uur.
Dan hangen we weer schuin. Het vliegtuig maakt weer enorm veel kabaal.
Ik ben er ineens van overtuigd dat we gaan neerstorten.
En dan zijn we in Spanje.

"Dat viel best mee he schatje?" zegt mijn lief.










Tuesday, 30 July 2013

Reunie

Even gaat er een rilling door mijn lijf.
Op het moment dat ik hoor dat ik ze allemaal terug zal zien.
De kwelgeesten van de lagere school.
En reunie, zeg ik geschrokken. leuk! zegt mijn vriendin.

Misschien was ik er nog niet aan toe om de kleuterschool te verlaten. Was ik nog te klein, te kwetsbaar.
Ik zat nog aan mijn moeder en de kleuterjuf vast gekleefd.
Mijn kleuterjuf heette Juffrouw Polak. Ze had dik krullend haar en een bril met dikke glazen. Om haar ene been zat een vreemde constructie van leren riemen. Juffrouw Polak sleepte een beetje met dat been.
Juffrouw Polak praatte heel zacht en gaf mij vaak een aai over mijn hoofd. Ik mocht bij haar op schoot als ze ging voorlezen. Dat voelde veilig.

Het was een stuk lopen naar de lagere school. Ver van onze straat, mijn moeder, de kleuterschool en alles wat bekend was. En nieuwe wereld. Te groot en volkomen onoverzichtelijk.

Mijn ouders waren vreemde vogels in de ogen van mijn klasgenoten. Rare, alternatieve figuren.
Ze bedoelden het goed maar hadden geen benul van de codes die op school golden. Mijn moeder knipte zelf mijn pony. Ze vloekte een beetje als ze dat deed; verdomme, nog steeds scheef! en dan knipte ze er nog maar een stukje af, en nog een stukje. Dan moest ik de volgende ochtend naar school met een belachelijk kapsel.
Ze kleedde mij "net even anders dan de meisjes uit mijn klas". Dat vond ze leuk. Bloesjes van India katoen bijvoorbeeld, die ze op het Waterlooplein kocht of bij een winkel waar je ook wierook en tamboerijnen kon kopen. Als mijn broeken te kort werden zoomde  mijn moeder ze af met een gebloemd stuk stof.
Als ik dan naar school ging, lagen mijn klasgenoten in een deuk.
We hadden twee honden thuis, en drie of vier katten. Daarom zeiden mijn klasgenoten waarschijnlijk dat ik vlooien had en begonnen ze zich altijd overdreven te krabben als ik in de buurt kwam.
Op vrijdagmiddag kwam mijn vader mij vaak wat eerder uit school halen. Dat mocht van de meester. Dan gingen we een weekend naar de boerderij, ons tweede huisje.
Hij wachtte bij de deur van de klas, die open stond. Mijn vader had een baard en droeg een spijkerpak. De meisjes aan mijn tafel grinnikten en fluisterden in mijn oor: Jouw vader is een hippie.
De kinderen uit mijn klas hadden bijna allemaal een plat Amsterdams accent. Daarom vonden ze waarschijnlijk dat ik niet zo idioot moest praten. Ze vonden het grappig om mij na te doen of net te doen alsof ze me niet verstonden: "Met je rollende Rrrrrr"
De meester was altijd op de hand van de kinderen die het hardst schreeuwden en de stomste grapjes maakten. Ook als ze grapjes om mij maakten lachte hij hard mee, maar soms hield hij dan wel beschaamd zijn hand voor zijn gezicht. Of hij draaide zich proestend om.
De meester schepte er genoegen in me voor de klas te halen als we rekenen hadden.
Dan schreef hij een som op het bord en gaf mij het krijtje.
Omdat ik getallenblind was durfde ik niets op te schrijven. Ik kon niet rekenen.
Ik was doodsbang om een fout te maken terwijl iedereen toekeek.
De meester liet mij af en toe voor de grap wel een half uur of langer voor de klas staan, met het krijtje in mijn hand. Tot ik op een gegeven moment onzichtbaar was geworden. en ergens verdween in een donker gat.

Bij gym, of zwemmen was het meestal het ergste. Dan liepen kinderen expres tegen mij aan, of ze gooiden met mijn tas.
Een keer hadden ze een liedje voor mij gemaakt. Toen ik begon te huilen zei een meisje op verwijtende toon: "Het is als grapje bedoelt hoor"
De kinderen uit mijn klas waren gemeen en de meesten waren dom en kortzichtig. En als ze niet gemeen waren dan waren ze laf, en verschuilden ze zich achter de groep.

De ochtend van de reünie ben ik nerveus. Maar ook strijdlustig. Ik adem diep in door mijn neus en kijk op de klok.

Als ik het oude lokaal inloop bekruipt me een bekend gevoel. Het knabbelt aan mijn tenen en aan mijn vingertoppen en kriebelt op mijn huid. Het zijn de paniek kriebels. Ik schud ze van mij af en stap kordaat naar binnen.
Ik heb een zwart mantelpakje aan. Een strakke kokerrok en een getailleerd jasje. Ik heb hele hoge hakken aan van zwart fluweel. Ik heb parfum op van Chanel en rode lippenstift. Ik heb deze keer mijn best gedaan om op te vallen, niet bij de groep te horen.

Het is een armzalig groepje mensen. Ik herken ze niet. Ze zijn nog jong, net als ik, maar ze zien er afgepeigerd uit, verslagen. Grijze kleding, grijze gezichten, armzalig, verpietert. Ik heb met de meesten te doen. Ik had geen moeite hoeven doen. Iedereen kijkt me aan, niemand durft iets te zeggen.
Eentje is plotseling dapper genoeg en zegt:  Wie ben jij?  Ben jij dat rare meisje wat altijd gepest werd? Wat ben jij een mooie vrouw geworden! Ik slik. Even ben ik bang dat ik niet echt ben; dat ze mijn pantser straks zullen doorzien, en dat het onzekere, onaantrekkeijke meisje tevoorschijn zal komen.

Dan zie ik hem staan: de meester. Naast hem staan drie jonge vrouwen; mijn aartsvijanden; de populairste meisjes van de klas. Ze lijken om zijn aandacht te bedelen, net als vroeger.
Hij kijkt me verbaasd aan, herkent me niet. Ook niet als ik mijn hand naar hem uitsteek.
Ik vertel hem wie ik ben, en dat ik blij ben dat ik hem nu, na al die jaren eindelijk kan zeggen dat hij me rottig heeft behandelt. dat hij het erger heeft gemaakt. Dat hij beter een ander beroep had kunnen kiezen. Dat hij een slechte meester was.
Ik zeg nog een paar dingen, en dan draai ik me om en ik loop naar de deur.
En van de drie jonge vrouwen zegt hardop: Ik heb haar altijd vreemd gevonden, en ik vind haar nog steeds vreemd".

Even blijf ik staan, maar dan haal ik mijn schouders op en laat alles achter me.

Monday, 15 July 2013

Verandering

Het is nu acht jaar geleden.
Er is ontzettend veel veranderd in die tijd. Ontzettend veel. Je zou de wereld op veel punten al niet meer herkennen. Verdwalen in je eigen stad. Mensen niet herkennen.
Nog steeds zie ik af en toe een blonde vrouw lopen, en dan denk ik dat jij het bent. Mijn hart gaat even sneller kloppen.
Het gaat altijd heel snel; die herkenning en meteen daarop de wetenschap dat jij het natuurlijk nooit kan zijn.
Toch zou het me niet verbazen als je enthousiast op me af zou stappen en me om de hals zou vliegen. Er is een klein sprankje onnozele hoop wat ik niet los kan laten.
Ook al weet ik wel beter.
Hoe vaak kijk ik naar het huis waar je gewoond hebt. Dan zie ik je in gedachten op het grasveld ervoor staan met Luna, de kleine hond. Je wenkt me. lacht breeduit.

Weet je nog Kitty?
Weet je nog hoe de stad er uit zag? Zou je het nog herkennen? Zou je mij nog herkennen? Zou je schrikken als je ziet wat de tijd met ons gedaan heeft? Hoe ik ouder word zonder jou terwijl we even oud waren.
Je drie dochters zijn zo goed als volwassen. Je hebt afscheid van ze moeten nemen toen ze nog meisjes waren.
Een van hen heeft twee kinderen. 
Er is nu een speeltuin gekomen in de wijk waar we wonen. Het station is veranderd, het centrum is helemaal nieuw en er zijn een paar hele leuke nieuwe winkels gekomen. Weet je dat ze de gedempte gracht weer open gegraven hebben? 
Je zou bijna denken dat ik het verzin, maar het is echt waar; er stroomt weer water door de gedempte gracht en toch hebben ze besloten de naam niet te veranderen. Er zitten zelfs eendjes.
De notenkraam op de markt waar je altijd kwam is er gelukkig nog wel, en de bakker en de fourniturenkraam.
Jij woonde hier eerst, jij wist de weg. Ik was een vreemde. Jij wist de beste adresjes voor verse groente, goed passende beha's en de voordeligste fietsenmaker. Je kende iedereen. Je zwaaide naar de buren, of maakte een kort praatje met ze.
Ik stond er bij en glimlachte maar een beetje. Ik voelde me een vreemde. Jij was er altijd al beter in, kon gemakkelijk met iedereen overweg. Ik was altijd de vreemde eend.
Toen ik net de sleutels van ons nieuwe huis had moest ik meteen naar jouw huis komen kijken, wat grappig genoeg uitkeek op het mijne. "Het is een kast van een huis" zei je. "Een kasteel". En inderdaad, je huis was enorm. Je woonkamer was ingericht zoals jij dat mooi vond: porseleinen beeldjes, kristallen vazen, twee Romeinse zuilen met varens erop.
Weet je nog dat ik je toen die glazen eend heb gegeven die ik afschuwelijk vond? Als mijn tante dan langs kwam die me die eend gegeven had haalde ik hem even bij je op. Daar hebben we enorm om gelachen.
" Ik heb nog nooit z'n mooi huis gehad" zei je trots. "Ze zullen me hier in een kist weg moeten dragen".
 De ironie van die woorden.
Weet je nog Kitty?
Dat we beste vriendinnen waren in Amsterdam?
Hoe we samen buiten speelden?  Hoe we met jongens flirten? Hoe we stiekem de deur uitslopen om samen uit te kunnen? Hoe we samen onze verjaardag vierden? De logeerpartijtjes, de verboden feestjes waar we dronken werden, de dansjes die we instudeerden, de platen die we beluisterden, de lachbuien.
En hoe de tijd voorbij ging en we in jonge vrouwen veranderden, kinderen kregen. Hoe we soms bij elkaar moesten vluchten, hoe bang we zijn geweest, hoe we gehuild hebben. We deden het licht uit en de deur op slot en kropen tegen elkaar aan.Lang geleden.
Weet je nog Kitty?
Hoe je negen jaar geleden in paniek bij me langs kwam. Huilend. Jammerend.
Hoe ik moest voelen aan dat rare kleine harde knobbeltje op je borst.Hoe je mijn hand vastpakte.
Hoe we elkaar omarmden. Hoe ik probeerde je te troosten.Hoe zwak ik me voelde, stom en onmachtig. De pijn die later volgde. De onmacht, de woede.
De vreselijke laatste weken.
De ironie van de woorden die je ooit uitsprak.
Een van de ergste dingen die me altijd bij zal blijven is het beeld van die grote zwarte Amerikaanse auto met chauffeur die me passeerde op de brug. Die grote auto die ik bij jou de hoek om zag slaan.
Sindsdien word ik bijna misselijk als ik een begrafenisauto zie.

Vier weken geleden begreep ik pas goed je angst. Toen ik zelf werd geconfronteerd met bedreigend nieuws over mijn gezondheid.
In stilte heb ik het je toen maar verteld.
En in stilte heb ik je ook mijn blijdschap gedeeld toen ik na de operatie hoorde dat ik weer verder kan met mijn leven.
Weet je nog Kitty?
Hoe close we waren? Weet je dat ik je nog steeds mis?

Sunday, 30 June 2013

Goudvis

De winkel is op de hoek van de Eerste Helmersstraat. Mijn moeder vind het niet goed als ik er alleen heen ga want ik moet de drukke Jan Pieter Heije straat oversteken en dat mag ik nog niet alleen.
Dus gaat ze met me mee. Samen met mijn grote zus.
De deur zwaait open en er klinkt een ouderwetse deurbel. Vervolgens hoor ik niets anders dan gezoem. Om mij heen staan de aquaria hoog opgesteld. In de winkel is het licht gedempt en daardoor wordt het mysterieuze gevoel versterkt. Grote bassins gevuld met water. Ik kijk om me heen en bevind me in een wondere wereld van diepzeewezens. Ik loop stilletjes langs de verschillende bakken en weet niet of ik het mooi of eng moet vinden.
Ik raak met mijn handen het glas aan en als ik dat doe zwemmen tientallen kleine visjes dwarrelend in een uiteenvallende wolk bij mijn vingers vandaan.
Zoveel visjes. Lichtgevend, met sluiersstaarten, met bolle ogen en dikke lippen waarme ze zich vastzuigen aan het glas. Blauw met parelmoerachtige vissen, en vissen die doorzichtig zijn zodat je hun skelet kunt zien.
Ook is er een gedeelte met bakken die half gevuld zijn met water. Daar zitten schildpadden in. sommigen lijken al heel oud en zitten verfomfaaid en roerloos op een stuk steen. Anderen zijn minuscuul en hebben felgroene kleurtjes en rode wangetjes. Ze zitten met tientallen tesamen in een grote bak vanwaar voortdurend luchtbelletjes omhoog borrelen.
Ik mag een vis uitkiezen. Een goudvis. Ademloos kijk ik toe hoe de mevrouw van de aquariumwinkel op een ladder gaat staan en de deksel van het bassin verwijderd. Met een schepnetje roert zij door de grote watermassa. Waterplanten wuiven voorbij en vissen zwemmen verschrikt weg. Mijn grote zus kijkt toe.
Dan, ineens zit er iets oranje kleurigs in het kleine fijnmazige netje.
Ik slik en mijn hart gaat tekeer van de opwinding.
De mevrouw haalt een plastic zakje over het netje heen en knoopt het handig dicht.
'Hier is jouw vis' zegt ze.
Met trillende handen pak ik het zakje water aan met de vis. Het voelt vreemd aan.
Mijn moeder koopt ook nog een zakje met een waterplant en dan wandelen we naar huis. De deurbel rinkelt en we zijn weer in de gewone wereld.
De weg naar huis besef ik me dat het leven van de vis in mijn handen ligt. Het is zo breekbaar. Een kwetsbaar levend wezen in een zakje water met een kleine luchtbel.
Als ik haar binnen tien minuten in een kom doe is er niets aan de hand. Ik heb dus tien minuten. Maar stel je voor dat ik haar uit mijn handen laat vallen. In gedachten zie ik hoe het zakje uiteen spat op de stoeptegels.
Ik zie de vis spartelen. Haar mondje gaat open en dicht.
Ik kan haar laten vallen. Die gedachte bezorgt me de kriebels. Waarom zou ik dat doen? Ik probeer maar even nergens aan te denken en loop haastig door. Naar huis, waar de vissenkom staat.

De telefoon gaat en ik schrik wakker. Nu anderhalve week na de operatie ben ik nog steeds zo moe dat ik middagdutjes doe. Het is alsof mijn batterij leeg is.
Geblokkeerd geeft het display aan. Ik vraag me even af wie mij op zondag belt met een geblokkeerd nummer en dan hoor ik mezelf braaf mijn naam zeggen.
Het is de dokter. Mijn specialist. Mijn specialist. Het klinkt een beetje als mijn personal trainer, maar dan anders.
Nu is het dus zover, klinkt een stem in mijn hoofd. Het moment van de waarheid. Het moment waar ik de afgelopen dagen continu aan heb gedacht. Goed nieuws of slecht nieuws. Zo simpel is het. Gezond of ziek. Vakantie of thuis blijven. Misere of blijdschap.
De stem van de dokter klinkt opgelucht, ik weet zeker dat hij opgelucht klinkt.
En dan brengt hij me het nieuws:' De uitslag is goed. We hebben nog wel een stukje aangetast weefsel gevonden, maar dat hebben we helemaal weg kunnen halen'. Het was dus een goede beslissing en de operatie is niet voor niets geweest.
Ik ben blij, opgelucht en ik voel me rijk, dankbaar en in een fractie ook weer sterk en gezond.
Ik sluit even mijn ogen terwijl ik 'dankuwel voor dit goede nieuws' zeg.
In gedachten zie ik de goudvis in haar nieuwe kom glijden. Zij zwemt.
In nieuw helderblauw water. Het is een prachtig gezicht.

Monday, 10 June 2013

Onrust

"Onrustige cellen" zegt de gynaecoloog door de telefoon.
"Zorgwekkend" zegt de gynaecoloog. "Preventief opereren" zegt de gynaecoloog.
"Niet te erg schrikken" zegt hij tenslotte nog, en komt u morgen even tussendoor bij mij langs. Misschien is het verstandig als uw man meekomt"
Dan hangt hij op.
De dag ziet er ineens anders uit. De zon schijnt anders, de tuin oogt anders, de muziek klinkt anders
 en mijn koffie smaakt anders.
Ik voel me niet ziek. Ik zie er gezond uit. Al een beetje gebruind omdat het eindelijk zomer is geworden. Nog maar vier weken en dan gaan we op vakantie. Drie weken naar Griekenland met twee van onze kinderen.
Of.. misschien gaan we niet meer op vakantie. Ik denk eigenlijk van niet, want de gynaecoloog had het over "er op tijd bij zijn".
Ik bel mijn lief, dan bel ik mijn vader en mijn moeder en mijn beste vriendinnen.
Als mijn zoontje binnenkomt zit ik ineens te huilen en heel raar te trillen. Ik weet niet waarom. Ik weet namelijk niet precies wat ik voel of wat ik moet denken.
Drie zwangerschappen heeft mijn lijf doorstaan. Mijn kleine lijf. Alle drie keer was ik kogelrond. Zo rond dat men steeds vroeg: hoeveel kindjes zitten er eigenlijk in jouw buik?
Ik vond het vreselijk om zo uit te dijen. Ik kon niet wachten tot ik mocht gaan bevallen. Drie keer was ik de gelukkigste persoon op aarde op het moment dat ik mijn baby vasthield.
Zij heeft haar dienst bewezen, die baarmoeder van mij. Ze is niet meer nodig. Ze moet er uit want anders gaat het misschien helemaal verkeerd. Dat zeg ik maar tegen mezelf.
"Wat gaat u allemaal weghalen?" vraag ik de dokter. "In principe halen we alles weg, maar we laten een gedeelte van de eierstokken zitten, anders komt u plotseling in de overgang".
In een kort ogenblik zie ik mezelf als een verschrompeld oud vrouwtje. Uitgehold van binnen.Mijn gedachten dwalen af.
Maar dan zegt de dokter weer iets en luister ik aandachtig naar wat hij me nog meer te vertellen heeft. Ik wil wel overkomen als een oplettende patiente.
Het is een hoop informatie en het is onwerkelijk, maar mijn mentale opname apparatuur staat op scherp en ik registreer alles wat me wordt medegedeeld.
Eenmaal thuis lees ik op internet dat de verwijdering van de baarmoeder "meestal" niet leidt tot een veranderde seksualiteit.
"Sommige vrouwen kunnen het samentrekken van de baarmoeder missen tijdens het orgasme"
Ik weet niet goed wat ik met deze informatie aan moet.
Er worden nog veel meer twijfelachtige voorspellingen gedaan. Ik word er een beetje misselijk van. Ik klik de site weg en probeer mijn verstand op nul te zetten.
Nadat we het nieuws min of meer verwerkt hebben, besluiten mijn lief en ik nog even een weekend weg te gaan met z'n tweetjes. We zijn bovendien 13 jaar getrouwd. Dertien jaar.
Het is prachtig weer en gedurende de autorit kijk ik naar buiten. Ik word stil van alles wat ik voorbij zie komen. Schapen met kleine wollige lammetjes. Koeien die rare bokkesprongetjes maken met zwabberende uiers. Tientallen schakeringen groen. Sappig gras en fladderende blaadjes aan struiken en bomen. En op een bepaald moment zie ik zelfs een paar hertjes tussen de bomen.
De wereld buiten ziet er vrolijk uit. Het leven gaat gewoon door. Ik ben er bijna verbaasd over.
Mijn lief en ik. We hebben samen al veel doorstaan.
En nu dit.
Er is geen waarom. Er is geen gelegenheid tot vragen stellen. Het is zoals het is.
Dit afgelopen weekend. Ik was me zo bewust van alles dat ik er al bijna op terug keek.
Nu is het maandag, ik tel de dagen nog een keer tot de operatie.
Nog even en dan is het ergste voorbij.




Friday, 31 May 2013

Meisje

Ze lijkt zo klein en zo kwetsbaar als ik haar achterlaat.
Mijn hart wiebelt even.Ik kijk om en zie haar zitten. Ze steekt haar hand op en wuift naar me; dag mama!
Die grote blauwe ogen die me even onzeker aankijken en dan dapper de andere kant opkijken.

Ik denk aan vroeger.
Ik kam haar haren, we eten samen Brinta.
Een zonnige ochtend in Amsterdam. Haar kleine zachte mollige handje in de mijne, haar eend in de andere.
We trekken de voordeur dicht en zeggen dag tegen de katten. Dan gaan we op weg.
Zij heeft rode wangen en ze zingt.Het is een zelf bedacht liedje.
Bij de deur van het ouderwetse schoolgebouw kijkt ze me wantrouwend aan. "Mama blijft bij je?" zegt ze terwijl ze mij vragend aankijkt.
Ik slik en we lopen de trap op waar de peuterspeelzaal is.. Het ruikt hier naar potloden, die typische geur van school.
Bij het lokaal aangekomen begint ze onhandig haar jasje uit te trekken. "Mama ook" zegt ze terwijl ze aan mijn mouw trekt.
Dan lopen we het lokaal in.
Ik ga even bij haar zitten en we maken samen haar favoriete puzzel. Het is een puzzel met circusdieren; een zeehond met een bal op zijn neus, een raar aapje met een hoed op en een circuspaardje met een clown op zijn rug.
Zij vindt de aap het leukste en ze moet lachen als ze hem herkent.
Dan rinkelt er een belletje. Dat betekent dat de mama's en papa's weg moeten. Meteen schuif je de puzzel weg en klemt jezelf tussen mijn benen. Je grijpt je vast aan mijn jas en duwt je gezichtje tegen mij aan.
De peuterjuf ziet het gebeuren en probeert je bij je handje te pakken. Ik moet je van me losscheuren. Ik voel me vreselijk. Tranen lopen over je nu vuurrode wangen en je stikt bijna in je geschreeuw:" Mama, mama!!" Ik twijfel.
"Je moet nu gaan", zegt de peuterjuf streng tegen mij.
"Mama komt je zo weer halen schatje" zeg ik en dan loop ik weg. Met tegenzin.
Ik loop de trap af en ga naar buiten. Voor de deur blijf ik staan en ik kijk omhoog.
Je staat voor het raam en steekt dapper je handje in de lucht en zwaait. Ik blijf even staan en pink een traantje weg.

Het gevoel is hetzelfde gebleven. Het brok in mijn keel zit er weer, net als vijftien jaar geleden.
Ik wil het liefste blijven. Maar toch ga ik weg, net als vroeger.
Ik heb jou altijd het vertrouwen willen geven dat ik weer terug zou komen.
Tot je op een dag zelf wegging en ik niet wist waar je was of dat je ooit nog terug zou komen.
Maar niet al te lang geleden was je ineens niet meer boos op me. Ineens was je er weer.
Al die jaren die we verloren hebben, al die gaten die er zijn gevallen. Dingen die we vergeten zijn. Hele weken, maanden zijn verdwenen. Herinneringen zijn als heliumballonnen de lucht in gedwarreld.
Hier en daar is soms nog een gekleurd stipje te zien.
Maar de herinnering aan dat kleine blonde meisje is altijd zo sterk gebleven.
Dat kind wat ik mijn hart zit. Dat kind wat mijn dromen beheerste.
Ik ben bijna dood gegaan van verdriet omdat ik haar kwijt was.
Durfde geen fotoalbum in te kijken omdat het zoveel pijn deed.
Vandaag weet ik dat ze er nog steeds is. Dat ze nooit echt weg zal gaan. Ze kan mij immers net zo min missen als ik haar.
Ik heb lang gedacht dat ik haar verloren had. Dat ik een hele slechte moeder was.
Maar ze is weer bij me terug gekomen.
En ik hoop dat ze nu zal blijven.