Tuesday, 15 October 2013

Borderline

Vanaf mijn prille jeugd heb ik begrepen dat er 1 ding erg belangrijk is en dat is : jezelf zijn.
Overal werd mij dit advies geboden: op school, thuis, door betweterige familieleden, in de boeken die ik las en in bladen als de VIVA en de Cosmopolitan. En nog later in therapie.
In genoemde bladen stonden vaak tests die eenvoudig uitwezen of jij wel echt jezelf was. Door simpelweg een stuk of 12 vragen te beantwoorden dmv A, B of C aan te kruisen kreeg je een analyse van hoe goed jij jezelf was. Of dat je eigenlijk alsof deed. En hoe je overkwam op anderen.
Als klein meisje heb ik altijd moeite gehad met dat te begrijpen. Het kwam op mij over als een volkomen overbodige raad. Hoe kan je anders dan niet jezelf zijn?
Als klein meisje wilde ik stiekem dolgraag een ander zijn, of een ander worden, maar voor mij was het zo klaar als een klontje dat er niets te willen of te wensen viel: Ik was nu eenmaal opgezadeld met mezelf en niemand anders.
Met afgunst keek ik naar de andere meisjes in de klas. Allen mooie ongecompliceerde vanzelfsprekende figuren die, zo op het eerste gezicht prima in hun eigen vel zaten, zonder twijfel.
Als buitenbeentje beschouwde ik mezelf als een raar meisje, een vreemde eend. Een vogel die niet mee kon snateren met de rest van de groep. Ik vond het niet leuk om mezelf te zijn.
Toen ik eenmaal van de lagere school afging was ik doodsbang voor de rest van de wereld.
Gelukkig was de middelbare school een verademing. Er was hier meer diversiteit  dan op de lagere school en het viel mij op dat sommige personen er prat op gingen anders te zijn en zichzelf durfden te zijn, ook al waren ze duidelijk raar, anders dan de groep. Een stukje herkenning betekende dat voor mij.
In de pauze stond ik temidden van punkers, alternatieve skaters, een klein restant hippies, disco's en kakkers.
Ineens zag ik dat de wereld om mij heen bestond uit individuen. Allemaal personen die druk bezig waren hun eigen identiteit te ontdekken. Die net als ik met zichzelf geconfronteerd werden.
Geleidelijk begon ik te begrijpen wat mijn ouders bedoelt hadden met die dooddoener: WEES JEZELF.
Ze bedoelden kennelijk dat je genoegen moet nemen met wie je bent, jezelf moet accepteren en vertrouwen moet hebben in de persoon die je bent. Niemand anders leeft je leven voor je. Leven is niet zo makkelijk, teleurstellingen liggen op de loer. Liefdesverdriet, frustraties en een hele hoop andere onbegrijpelijke dingen zullen de revue passeren. Daarom kun je maar beter op een lijn liggen met degene die je bent.
Ontsnapping is niet mogelijk:
Niet in een burgerlijk huwelijk met een koophuis en een glanzende auto voor de deur. Niet in drugs en drank. Niet in een baan die al je energie opslokt. Niet in religie of in een sekte, Niet in health food of detoxing, Niet in meditatie, niet in geld, niet in verre reizen, niet in seks.
Degene die je uiteindelijk aanstaart ben je zelf, naakt en kwetsbaar.
Deal with it!
Ik ben op de helft van mijn leven. Ik heb mijn grootste angsten overwonnen. Ik ben tevreden en soms zelfs gelukkig. Ik heb mijn leven in kunnen richten.
Ik ben nu zelf moeder van drie kinderen. Twee kinderen die tamelijk soepel in het leven staan en 1 kind wat moeite met leven heeft. Van het prille begin af aan. Van een boze baby die altijd huilde, groeide ze op tot een onaangepaste boze jonge vrouw.
Ik heb de formule van het opvoeden nooit helemaal begrepen, net zo min als mijn ouders waarschijnlijk. Maar ik heb oprecht mijn best gedaan.
Ik heb altijd geprobeerd te accepteren dat mijn kinderen individuen zijn en niet alleen maar producten van hun opvoeding.
Mijn middelste dochter is een zorgeloze prinses. Met lange gouden lokken en een haarscherp verstand. Soms word ik een beetje bang als ik naar haar kijk; bang dat de het leven haar zal besmeuren, ze haar onschuld en haar schoonheid ooit moet prijsgeven, of dat het van haar gestolen zal worden.
Mijn zoontje is een gepassioneerde hartebreker. Nu al, met z'n elf jaar is hij charmant, origineel en heeft hij een geraffineerd gevoel voor humor. En hij kan goed dansen.
Ik heb ze nog thuis. Dicht bij me in de buurt en dat is heerlijk. Het contrast met hun oudere zus is enorm groot. Met haar samenleven was de laatste jaren een vreselijke strijd.
Ze is al een paar jaar bij ons weg. Ze kon niet meer bij ons blijven.
Ik heb haar, net als de twee jongere kinderen zekerheid, liefde en houvast gegeven. Ik heb het geprobeerd. Overal, op alle mogelijke manieren.
Zij is degene die altijd alle aandacht opeiste. Ruzie maakte, drama, theater. Het ging vaak ten koste van de andere twee.
De ruzies werden te erg, het dreigde echt fout te gaan. Het kon niet meer.
Stilletjes heb ik wel gehoopt dat ze terug zou komen. Dat het "goed" zou komen.
Maar dat wilde ze zelf niet.
Het verdriet is allesomvattend. Het knaagt, ook op de momenten dat ik blij ben.
Het vreet aan me.
Ik heb keer op keer geprobeerd hulp voor haar te zoeken.
Niet omdat ze zichzelf niet mag zijn, maar omdat ze zo'n moeite heeft met haar leven. Omdat ze zo verdrietig is en boos.
Omdat ze zichzelf vergiftigd met drugs en medicijnen.
Omdat ze met mensen omgaat die van haar profiteren en haar gebruiken.
Omdat ze zoveel talenten heeft die ze nooit heeft uitgebuit.
Maar misschien moet ik haar loslaten en haar zelf haar weg laten zoeken.
Niet meer krampachtig blijven proberen mijn invloed uit te oefenen.
Misschien moet ik haar laten zoals ze is. Omdat zij dat recht heeft. Te zijn wie ze zelf wil zijn.

Gisteren zag ik haar. In de supermarkt. Ik herkende haar gestalte, haar manier van lopen.
Haar schichtige blik met de grote blauwe ogen.
In een impuls verstopte ik me een beetje achter een groot schap met enorme flessen wasmiddel.
Ik was bang dat ze mij zou zien. dat ze weer kwetsende dingen tegen me zou zeggen. Dat ze me weg zou duwen of uit zou lachen. Ik durfde niet naar haar toe te gaan.
Niet naar mijn eigen kind.
Ik ben huilend naar huis gelopen. Door de druilerige regen.
Dacht weer even terug aan de tijd dat ze nog klein was en troost zocht in mijn armen.
Hoe we met z'n tweetjes samen woonden in ons kleine huisje in Amsterdam.
Hoe ze 's avonds stiekem tegen mij me aan in bed kroop en in mijn oor fluisterde:
Slaap maar lekker schat.












Tuesday, 1 October 2013

Ochtendlicht

Het is acht uur 's ochtends en nog steeds bitterkoud , toch is het al bijna Mei. Luca, mijn elfjarige zoon trekt een moeilijk gezicht. We stappen op de fiets.
Op school aangekomen staan de meeste kinderen al te wachten. Ze hebben oranje verkeersvestjes aan. Als de meester een teken geeft vertrekken we in een lange colonne naar de schooltuintjes.
Het is een flink stuk fietsen en ondanks mijn leren handschoenen kan ik mijn vingers bijna niet meer voelen.
De dag heeft moeite met het verjagen van de nacht. Het sikkeltje van de maan hangt nog boven de huizen. Een waterig zonnetje klimt moedig omhoog.
Chagrijnige automobilisten wachten geirriteerd tot de fietsende kinderen gepasseerd zijn. Een man toetert en gebaart met zijn handen. Dan trekt hij met grote snelheid op.
Het maakt geen indruk op de uitgelaten kinderen die enthousiast naar hem zwaaien.
Dan zijn we er. Een kleine groene oase midden in de stad. Boven op het hek zit een indrukwekkende meeuw die naar ons knipoogt.
De grond is weliswaar nog kaal en er ligt zelfs nog een flinterdun laagje ijs op de sloot rond de kinderboerderij. Toch hangt er iets veelbelovends in de lucht. Een vaag voorteken dat de lente op komst is.Het licht lijkt anders. Een lichte schittering die door de bomen en struiken valt.
Op een stukje weidegrond staat een enorme kudde schapen driftig te grazen.
In de sloten zijn eenden bezig met hun ochtendtoilet; ze badderen en snateren. Eentje lacht me luidkeels uit als ik langsloop.
Binnen een omheining zitten drie Vlaamse reuzen. Ze steken hun gevoelige neusjes omhoog als ik mijn hand naar hen uitsteek, maar als ik ze probeer te aaien hobbelen ze weg.  Midden op het terrein is een grote bak gevuld met water en oud brood. Er omheen is het een drukte van belang.
Er loopt, trippelt en waggelt van alles voor mijn voeten.
Ganzen, rare loopeenden, zwanen, grote imposante kippen met harembroeken van veren, een enkele kalkoen en hier en daar een loslopend konijn eten gezamelijk uit de grote bak en maken een gezellige kliederboel.
Als ik plaats neem op een bankje voel ik een zacht doch dwingend duwtje tegen mijn arm. Ik kijk op en zie een grote rood met witte kater met een oog. Spinnend kijkt hij me aan, hij lijkt te glimlachen.
Dan komt voor mij een pauw staan. In een kort ritselend gebaar schudt hij uitdagend zijn imposante verentooi  omhoog, als een dame in avondtoilet die haar waaier opent. Ik voel me vereerd met deze prachtige revueshow. Voor mij alleen opgevoerd.
Verderop strooien de kinderen een handvol zaden in de droge grond.

Elke dinsdag fiets ik glimlachend mee.De temperatuur wordt langzaam iets beter maar nog altijd is het niet echt warm. Ik wordt verliefd op het kleine harmonieuze wereldje. Raak elke keer opnieuw betoverd door het gemoedelijke ritueel waarmee de dag hier begint. Met rustig badderen, uitgebreid ontbijten en heel wat gekakel, gekraai en gesnater. Maar ik geniet ook van de kinderen die serieus aan hun tuintje werken en opgetogen raken van de eerste plukjes tuinkers. Het opgetogen koppie van mijn zoontje wanneer ik naast hem kom fietsen. De verhalen die hij verteld over wat hij heeft geleerd vandaag.

Maar dan gebeurt er iets waardoor mijn leven plotseling stil komt te staan. Ik ga nog een keertje mee en dan bereid ik me voor op een twijfelachtige periode. Het is nu voorjaar en de zon staat al flink hoog.

Mijn ziekenhuisbed staat voor het raam. De zon is tijdelijk afwezig. Het waait heel hard. Grote,oude bomen wuiven in de wind.
Ik lig alleen op zaal en het is heel stil.
Als ik naar huis mag wordt het eindelijk zomer en ontzettend heet. De kinderen hebben nu vakantie.
Overdag zwemmen ze in de Zaan.
Ondanks het warme weer heb ik het koud. Ik krijg een extra deken en een kruik. Ik leg de kruik op de koude en lege plek.
Het duurt lang, maar gek genoeg heb ik nauwelijks besef van tijd. Het voelt rustig. Niets hoeft. Ik slaap of lig gewoon in bed, met de katten. En soms met een van de kinderen tegen mij aan. Het voelt heel vredig. Ik realiseer me dat ik me volkomen kalm voel.Kalm en verdrietig.
Geleidelijk begint het leven langzaam weer. Ik sta steeds vaker op. Ik ga weer naar buiten. De wond heelt.

Als de zomer op zijn einde loopt begint de school weer.
De kalmte is weer over. Ik wil weer van alles.
Op dinsdagmiddag komt Luca thuis met een bos Dahlia's. Het lijken enorme gekleurde spinnen. Ik zet ze in een vaas en ruik de buitenlucht.
Dan besluit ik weet voor de eerste keer mee te gaan naar de schooltuinen.
Vreemd genoeg ben ik een beetje gespannen. Samen fietsen we de bekende weg. In het centrum staat de kermis. Zoals elk jaar in September. Vroeg in de ochtend fietsen we langs de stilstaande attracties. Het ziet er eenzaam en verlaten uit. Griezelig zelfs.

Dan komen we aan bij de kinderboerderij. De schapen zijn verhuisd.
Maar alle andere dieren zijn er nog. Het is fantastisch om ze allemaal weer terug te zien. Families zijn uitgebreid, kleintjes zijn groot geworden.
Luca wijst enthousiast naar de tuintjes. Ik ben totaal overdonderd. Een grote zee van huizenhoge planten, bloemen, reusachtige pompoenen, courgettes en maiskolven met blonde pluimen. Sommige planten zijn gekapseisd in de wind. Het is net of ik een versnelde opname van een film heb bekeken.
Ik heb het groeiproces grotendeels gemist, maar mag nu wel het eindresultaat aanschouwen.
Ik ben verrukt.
Het is het einde van het seizoen. Het zal niet lang duren of de tuintjes zullen weer gerooid worden. Dan is er straks weer niets meer over dan droge grond.
Het is een einde en tegelijk een nieuw begin.

















Thursday, 19 September 2013

Zoete koekjes

Mijn oma rook naar eau de cologne. Naar eau de cologne en naar poeder. Mijn oma was slechts een meter zesenvijftig en ze was bijzonder ijdel. Ze had altijd een tas bij zich met daarin een handspiegeltje, een poederdoos en zakdoekjes die besprenkelt waren met Boldoot.
Als ik was gevallen en snikkend bij haar op schoot zat kreeg ik soms zo'n zakdoekje aangeboden.
Mijn oma had schoenmaat 36. Toen ze heel oud was waren haar voeten zo verzakt door het dragen van hoog gehakte pumps, dat ze een grotere maat nodig had. Ze vond dat zelf verschrikkelijk en ontkende dat altijd. Zodoende liep het bijna op een meningsverschil uit met de keurige meneer van de schoenwinkel, die haar alleen maar op de juiste wijze wilde adviseren. Mijn vader wist op slimme wijze de boel te sussen door  de meneer van de schoenwinkel te vragen haar nieuwe pumps maat 37, in een schoenendoos te stoppen waar maat 36 op stond. Zonder dat oma er erg in had.
Oma kon zodoende gerustgesteld de schoenwinkel verlaten, met kleine parmantige pasjes. Haar tas met de zakdoekjes onder haar arm geklemd.
Mijn oma is er al heel lang niet meer.Mijn kleine parmantige oma. Ze droeg mooie jurken die ze japonnen noemde, en haar jassen heetten mantels.  Op haar truitjes zat vaak een broche gespeld.
In de Jan Evertsenstraat, waar ze dichtbij woonde, bestelde ze haar hoeden bij een hoedenmaakster. De enige hoedenwinkel die er nu na al die jaren nog zit.
Als ik langs die winkel kom zeg ik altijd in gedachten: dag oma! Precies zoals we deden als we op zondagmiddag wegreden en zij met opa zwaaiend op het balkon stond.
Soms ruik ik onverwachts weer die geur. De geur van eau de cologne en poeder. Dan zie ik mijn oma weer voorbij trippelen. Dan ga ik even terug.
Geuren kunnen op magische wijze een flasback bij mij veroorzaken. Ze kunnen mij onverwacht overvallen en me in een klap weer terug brengen bij een moment, een gevoel of een persoon. Herinneringen tot leven brengen.
De geur van mijn kinderen toen ze nog baby's waren; een heel subtiel warme, veilige geur is dat. Ik ruik hem zelden maar hij is overweldigend en kan me tot tranen roeren.
Ik voel de warme zachtheid van hun huid, voel de dunne donzige plukjes haar op hun bolletje en voel weer hoe hun lijfjes in mijn armen liggen.
Het gelukzalige gevoel van een warme slapende baby in je armen. Dan is niets meer van belang.
Niets is zoeter en liever dan dat.
Zoveel uiteenlopende emoties die wakker geschud kunnen worden in een enkel onverhoeds moment.
De geur van avontuur en romantiek. Jaren geleden. Een vakantie in Spanje. Ik was weer vrijgezel. Dit was de tijd van avontuur. Van met volle teugen adem halen en zo hoog mogelijk op de puntjes van mijn tenen proberen te staan om de toekomst tegemoet te zien. leven! Verliefd worden!
En verliefd werd ik. Het leven was nog nooit zo licht geweest. Eten en slapen was volstrekt onnodig.
Ik ontmoette een Franse jongen. Als hij me in mijn ogen keek veranderde mijn bloed in hete lava, mijn gedachten losten op in de Middelandse zeebries en mijn hart veranderde in suikergoed.
Zijn naam kan ik me niet meer herinneren, maar zodra ik later weer zijn geur rook hoefde ik alleen maar mijn ogen te sluiten om me de aanraking van zijn huid te herinneren. De zwoelheid van zijn stem te horen die onverstaanbaar Franse woordjes in mijn oor fluisterde.
De geur van zijn parfum roept in een klap een flasback op van hoe het toen was, hoe het voelde, en doet me nog steeds naar adem happen. Een kort moment. Het doet me even stilstaan midden op een regenachtige dag in een winkelstraat. En dan, in een flits is alles weer bij het oude.
Geuren zijn voor mij meer dan herinneringen, het zijn herbelevingen. Weer even terug zijn in dat ene moment.

De winter komt er weer aan. Als ik met de fiets de straat uit rijd probeer ik over de dwarrelende herfstblaadjes heen te rijden die onder mijn wiel zachtjes kraken. Het ritselende geluid van opwaaiende blaadjes hoort bij het einde van de zomer. De winter die met langzame zware stappen onderweg is als een grote reus. De aanblik van de kaler wordende bomen en de sterker wordende wind duidt hierop.Maar nog vele malen sterker dan deze aanblik is de geur. De typische geur die me elk jaar rond deze tijd overvalt.
Een gevoel van melancholie omsluit mijn hart en grijpt me even bij de keel. Afscheid nemen van de zomer doet mij altijd een klein beetje pijn.
Als ik langs de Verkadefabriek fiets vult mijn neus zich met de zoete geur van Sultana koekjes.
In gedachten zie ik hoe in de fabriek de koekjes uit de oven komen. Op grote lopende banden. Meisjes met witte handschoentjes pakken de koekjes zorgvuldig in.
Maar dan vallen er grote regendruppels uit de hemel naar beneden en onderbreken mijn gemijmer.
Mijn vingers worden koud en mijn haren worden nat.
Ik ben weer terug in het heden.




Tuesday, 27 August 2013

Ter overname aangeboden

Het is een prachtige ochtend. Ik besluit de fiets te nemen.
Zeven kilometer, naar het huis van mijn moeder.
Onderweg zie ik dingen die me nog nooit zijn opgevallen.
Ik kijk verwonderd om me heen.
Verbaas me over het pittoreske Nederland wat me normaal enigszins ontgaat wanneer ik er met de auto doorheen rijd.
Al die keren dat ik hier voorbij kwam en me zoveel ontging. Het is zonde.
Het zonlicht legt de nadruk op al het groen. Groen dat fijn is om naar te kijken, troostend, weldadig, haast dorstlessend groen. Weidegroen, groepjes bomen met grote groene pruiken, onkruidgroen dat een kans heeft gekregen wild en onstuimig te groeien in de berm waar de trein voorbij raast. Donkergroen water van de sloot naast het fietspad en Zaans groen op de houten huisjes.
Er zijn veel fietsers. Bejaarde echtparen, scholieren, moeders met kinderen achterop. Niemand draagt een jas, het is immers eind augustus. Het maakt een zorgeloze indruk.
Het landschap ruikt naar cacao.
De brug gaat open. Duiven vliegen verschrikt op. Tientallen kleine zeiltjes komen langzaam in beweging. Zonlicht reflecteert op het aluminium dek van de bootjes.
Een scheepshond blaft en kwispelt.
Twee zwoegende molens staan parralel aan elkaar. De een aan de Westzijde, de andere aan de Oostzijde van het water. De wieken draaien net niet gelijk .
Ik ben er nu bijna.
Het is de laatste keer dat ik er naar toe ga. De sleutels rammelen in mijn zak.
Als ik de hoek omsla en de straat inrijd voel ik me ineens verdrietig. Het is een korte vlaag die me even de adem beneemt. Ik slik en zet mijn fiets tegen de gevel.
Er hangen geen gordijnen meer. Iedereen kan naar binnen kijken. Het huis lijkt naakt.
Ik open het krakende houten hekje en loop naar de voordeur.
De kat van de buren staat meteen naast me en kijkt hoopvol omhoog.
Samen lopen we naar binnen, de kat en ik.
Het huis is leeg. Wat lijkt het groot.
Door het raam aan de achterzijde kijk ik de tuin in. De tuin waarvan ik ooit zei dat ik die zo mooi vond.
De tuin waar mijn moeder een opblaasbadje neerzette die eerste zomer, voor mijn kinderen.
Het is onvoorstelbaar dat het huis zo leeg is. Het was zo vol. Vol met kastjes, tafeltjes en stoelen. Krukjes, lampen en allerlei decoratie.
Mijn moeder vond steeds weer iets nieuws om mee te nemen. Iets "nieuws", wat ze op straat had gevonden, van iemand had gekregen of voor een paar centen op de kop getikt had. Iets wat vast wel een keer van pas zou komen.
Naast spullen had mijn moeder katten. Vier stuks die "officieel" van haar waren plus een groep buurtkatten die bij mijn moeder een hapje mee aten voor de gezelligheid.
De laatste tijd dat ze hier woonde ging het niet zo goed met mijn moeder.
Ze was niet lekker en voelde zich ontzettend alleen.
Ook al was ik vlakbij.
Toch ging het niet meer.
Ik voel me schuldig omdat ze er niet meer is.
Misschien is het beter zo, waar ze nu woont. Op het echte platteland. In een verzorgd aanleun flatje. Dicht bij mijn zus.
We deden iedere week samen boodschappen mijn moeder en ik. Ze at elke week een paar keer bij ons. Ze paste een paar dagen per week op mijn kinderen.
Ik check nog even de wanden en ontdek hier en daar nog een spijker die ik uit de muur trek.
Een van de spijkers valt op de grond en wanneer ik hem opraap zie ik een klein kaartje liggen.
Een klein verdwaald kaartje in een volkomen leeg huis.
Hoe onwaarschijnlijk ook, ik ben niet verbaasd.
Dat kaartje is vast voor mij bedoeld.
Een woord staat er op het kaartje geschreven.
Vrede.
Ik stop het kaartje in mijn tas en sluit de deur achter mij.
Het is mooi geweest.







Monday, 19 August 2013

Vakantie

Ik houd niet van vliegen.
Natuurlijk realiseer ik me best dat vliegen een "comfortabele" manier van reizen is.
Maar toch.
Ik ben een ongeduldig type. Ik houd niet van wachten. Toch hoort dat er bij. Wanneer we onze bagage naar de check in balie gezeuld hebben begint het.
Maar eerst moeten we langs de douane.
Wanneer er zoveel norse in uniform gestoken figuren naar me kijken, voel ik me meteen verdacht. Ik weet niet waarvan, maar toch.
Ik moet mijn tas in een bak zetten en door een electronisch controle poortje duwen.
Aan de andere kant zitten twee heel serieuze, humeurige figuren op een scherm naar de inhoud van mijn tas te kijken.
Ik word al meteen apart genomen. Iemand pakt me bij mijn arm, dat vind ik erg onaangenaam.
Ik moet mijn tas openmaken en vertellen wat er in zit.
Weet ik veel wat er in zit. Ik heb een veel te grote tas waar ik allerlei spullen in heb gestopt die op allerlei momenten in het leven van een moderne vrouw van pas kunnen komen. Bovendien hebben zij toch net op dat scherm kunnen zien wat er in mijn tas zit?
Zuchtend rits ik de tas open. Bij elk voorwerp benoem ik het. Het lijkt wel Sesamstraat.
Een pakje zakdoekjes.
Twee pakjes kauwgum.
Autopapieren.
Een toilettasje met inhoud.
Een zonnebril.
Een flesje rescue remedy (voor de vliegangst)
Een flesje neusspray.
Een telefoon.
Een portemonnee.
Een condoom.
En tenslotte....
een zakmes.

Een swiss army knife om precies te zijn.
Reuze handig.

Maar meteen begint de mevrouw van de douane met haar hoofd te schudden.
Ze grijpt het zakmes aslof het een moordwapen is en even ben ik bang dat ik wijdbeens tegen een muur gegooid zal worden.

Wanneer ik weer verder mag lopen ben ik het zakmes kwijt. Mijn lief zegt dat het mijn eigen schuld is, maar ik ben behoorlijk gepikeerd.
Dan lopen we het winkelparadijs van Schiphol binnen. Waarom weet ik niet, maar mijn al niet zo geweldig ontwikkelde orientatie is altijd op zijn ergst op vliegvelden. Daarom volg ik mijn lief. Blindelings. Terwijl ik de handen van mijn kinderen goed vast houd.
We drinken hele dure koffie en eten hele dure broodjes. We wachten.
Dan gaan we inchecken en wachten we opnieuw.
Dan worden we door een slurf het vliegtuig binnen geleid. Sommige mensen proberen elkaar in te halen. Iemand stoot hardhandig tegen mijn arm.
Bij de ingang van het vliegtuig staan twee stewardessen die heel enthousiast naar ons lachen. We worstelen ons een weg naar de stoelen.
Het duurt een tijdje, maar dan lijkt iedereen zijn stoel gevonden te hebben.
Ik houd er niet van om met een grote groep mensen in een kleine ruimte te zitten.
Sommige mensen zien er onsmakelijk uit.
Ik trek mijn riem strak aan en controleer de riem van mijn kinderen.
Dan volgt er een welkomstpraatje en veiligheidsintructies.
Daarna marcheert een van de stewardessen door het vliegtuig en controleert of we onze riemen echt wel dichtgeklikt hebben. Ze lacht onophoudelijk. Het is heel irritant.
Ik weet niet of ze het expres doet maar in het voorbij marcheren stapt ze heel hard op mijn voet.
De stewardess benadrukt dat "vliegen de veiligste manier van reizen" is.
Ik vraag me af waarom. In de trein of bus is er nog nooit zoiets geruststellends tegen me gezegd. Is dat omdat reizen per trein of bus levensgevaarlijk is? Of is vliegen stiekem wel eng?
Ik snap het niet.
Bovendien lijk ik de enige aan boord die vliegangst heeft.
Al halverwege de startbaan kunnen de meeste mensen hun ogen al niet meer open houden.
Om mij heen hangen diverse mensen ontspannen snurkend in hun stoel.
We hangen scheef in de lucht en het vliegtuig maakt een hels kabaal.
Mijn hart bonst en tranen springen in mijn ogen.
Dan pakt mijn elfjarige zoontje mijn hand en vraagt mijn 15 jarige dochter; gaat het mama?
Ik slik en knik heldhaftig.
Dan mogen we onze riemen weer los maken en ontvouwen tv schermpjes zich  boven onze hoofden.
De speelfilm begint. Helaas zonder geluid. Een koptelefoontje kan je echter aanschaffen bij een van de glimlachende stewardessen.
Ik moet plassen maar ik durf niet. Bovendien wordt het gangpad versperd door twee stewardessen met een kar waar je tegen betaling cup a soup en oploskoffie kunt bestellen.
Later komen de stewardessen en een heel erg nichterige steward breed glimlachend langs met luxe artikelen.
Bijna besluit ik om iets te kopen, maar ik zou niet weten wat en waarom, alles is namelijk heel duur en de sieraden zijn echt verschrikkelijk lelijk.
Als de gezagvoerder tegen ons spreekt luister ik heel goed om zijn stem te analyseren. Hij klinkt nuchter en hij spreekt goed Nederlands. Dat is geruststellend. Wanneer hij echter vertelt hoe hoog we nu vliegen en hoe extreem koud het is op zo'n enorme hoogte luister ik niet meer mee.
Ik adem diep in door mijn mond en uit door mijn neus.
Het duurt heel lang. Vooral het laatste uur.
Dan hangen we weer schuin. Het vliegtuig maakt weer enorm veel kabaal.
Ik ben er ineens van overtuigd dat we gaan neerstorten.
En dan zijn we in Spanje.

"Dat viel best mee he schatje?" zegt mijn lief.










Tuesday, 30 July 2013

Reunie

Even gaat er een rilling door mijn lijf.
Op het moment dat ik hoor dat ik ze allemaal terug zal zien.
De kwelgeesten van de lagere school.
En reunie, zeg ik geschrokken. leuk! zegt mijn vriendin.

Misschien was ik er nog niet aan toe om de kleuterschool te verlaten. Was ik nog te klein, te kwetsbaar.
Ik zat nog aan mijn moeder en de kleuterjuf vast gekleefd.
Mijn kleuterjuf heette Juffrouw Polak. Ze had dik krullend haar en een bril met dikke glazen. Om haar ene been zat een vreemde constructie van leren riemen. Juffrouw Polak sleepte een beetje met dat been.
Juffrouw Polak praatte heel zacht en gaf mij vaak een aai over mijn hoofd. Ik mocht bij haar op schoot als ze ging voorlezen. Dat voelde veilig.

Het was een stuk lopen naar de lagere school. Ver van onze straat, mijn moeder, de kleuterschool en alles wat bekend was. En nieuwe wereld. Te groot en volkomen onoverzichtelijk.

Mijn ouders waren vreemde vogels in de ogen van mijn klasgenoten. Rare, alternatieve figuren.
Ze bedoelden het goed maar hadden geen benul van de codes die op school golden. Mijn moeder knipte zelf mijn pony. Ze vloekte een beetje als ze dat deed; verdomme, nog steeds scheef! en dan knipte ze er nog maar een stukje af, en nog een stukje. Dan moest ik de volgende ochtend naar school met een belachelijk kapsel.
Ze kleedde mij "net even anders dan de meisjes uit mijn klas". Dat vond ze leuk. Bloesjes van India katoen bijvoorbeeld, die ze op het Waterlooplein kocht of bij een winkel waar je ook wierook en tamboerijnen kon kopen. Als mijn broeken te kort werden zoomde  mijn moeder ze af met een gebloemd stuk stof.
Als ik dan naar school ging, lagen mijn klasgenoten in een deuk.
We hadden twee honden thuis, en drie of vier katten. Daarom zeiden mijn klasgenoten waarschijnlijk dat ik vlooien had en begonnen ze zich altijd overdreven te krabben als ik in de buurt kwam.
Op vrijdagmiddag kwam mijn vader mij vaak wat eerder uit school halen. Dat mocht van de meester. Dan gingen we een weekend naar de boerderij, ons tweede huisje.
Hij wachtte bij de deur van de klas, die open stond. Mijn vader had een baard en droeg een spijkerpak. De meisjes aan mijn tafel grinnikten en fluisterden in mijn oor: Jouw vader is een hippie.
De kinderen uit mijn klas hadden bijna allemaal een plat Amsterdams accent. Daarom vonden ze waarschijnlijk dat ik niet zo idioot moest praten. Ze vonden het grappig om mij na te doen of net te doen alsof ze me niet verstonden: "Met je rollende Rrrrrr"
De meester was altijd op de hand van de kinderen die het hardst schreeuwden en de stomste grapjes maakten. Ook als ze grapjes om mij maakten lachte hij hard mee, maar soms hield hij dan wel beschaamd zijn hand voor zijn gezicht. Of hij draaide zich proestend om.
De meester schepte er genoegen in me voor de klas te halen als we rekenen hadden.
Dan schreef hij een som op het bord en gaf mij het krijtje.
Omdat ik getallenblind was durfde ik niets op te schrijven. Ik kon niet rekenen.
Ik was doodsbang om een fout te maken terwijl iedereen toekeek.
De meester liet mij af en toe voor de grap wel een half uur of langer voor de klas staan, met het krijtje in mijn hand. Tot ik op een gegeven moment onzichtbaar was geworden. en ergens verdween in een donker gat.

Bij gym, of zwemmen was het meestal het ergste. Dan liepen kinderen expres tegen mij aan, of ze gooiden met mijn tas.
Een keer hadden ze een liedje voor mij gemaakt. Toen ik begon te huilen zei een meisje op verwijtende toon: "Het is als grapje bedoelt hoor"
De kinderen uit mijn klas waren gemeen en de meesten waren dom en kortzichtig. En als ze niet gemeen waren dan waren ze laf, en verschuilden ze zich achter de groep.

De ochtend van de reünie ben ik nerveus. Maar ook strijdlustig. Ik adem diep in door mijn neus en kijk op de klok.

Als ik het oude lokaal inloop bekruipt me een bekend gevoel. Het knabbelt aan mijn tenen en aan mijn vingertoppen en kriebelt op mijn huid. Het zijn de paniek kriebels. Ik schud ze van mij af en stap kordaat naar binnen.
Ik heb een zwart mantelpakje aan. Een strakke kokerrok en een getailleerd jasje. Ik heb hele hoge hakken aan van zwart fluweel. Ik heb parfum op van Chanel en rode lippenstift. Ik heb deze keer mijn best gedaan om op te vallen, niet bij de groep te horen.

Het is een armzalig groepje mensen. Ik herken ze niet. Ze zijn nog jong, net als ik, maar ze zien er afgepeigerd uit, verslagen. Grijze kleding, grijze gezichten, armzalig, verpietert. Ik heb met de meesten te doen. Ik had geen moeite hoeven doen. Iedereen kijkt me aan, niemand durft iets te zeggen.
Eentje is plotseling dapper genoeg en zegt:  Wie ben jij?  Ben jij dat rare meisje wat altijd gepest werd? Wat ben jij een mooie vrouw geworden! Ik slik. Even ben ik bang dat ik niet echt ben; dat ze mijn pantser straks zullen doorzien, en dat het onzekere, onaantrekkeijke meisje tevoorschijn zal komen.

Dan zie ik hem staan: de meester. Naast hem staan drie jonge vrouwen; mijn aartsvijanden; de populairste meisjes van de klas. Ze lijken om zijn aandacht te bedelen, net als vroeger.
Hij kijkt me verbaasd aan, herkent me niet. Ook niet als ik mijn hand naar hem uitsteek.
Ik vertel hem wie ik ben, en dat ik blij ben dat ik hem nu, na al die jaren eindelijk kan zeggen dat hij me rottig heeft behandelt. dat hij het erger heeft gemaakt. Dat hij beter een ander beroep had kunnen kiezen. Dat hij een slechte meester was.
Ik zeg nog een paar dingen, en dan draai ik me om en ik loop naar de deur.
En van de drie jonge vrouwen zegt hardop: Ik heb haar altijd vreemd gevonden, en ik vind haar nog steeds vreemd".

Even blijf ik staan, maar dan haal ik mijn schouders op en laat alles achter me.

Monday, 15 July 2013

Verandering

Het is nu acht jaar geleden.
Er is ontzettend veel veranderd in die tijd. Ontzettend veel. Je zou de wereld op veel punten al niet meer herkennen. Verdwalen in je eigen stad. Mensen niet herkennen.
Nog steeds zie ik af en toe een blonde vrouw lopen, en dan denk ik dat jij het bent. Mijn hart gaat even sneller kloppen.
Het gaat altijd heel snel; die herkenning en meteen daarop de wetenschap dat jij het natuurlijk nooit kan zijn.
Toch zou het me niet verbazen als je enthousiast op me af zou stappen en me om de hals zou vliegen. Er is een klein sprankje onnozele hoop wat ik niet los kan laten.
Ook al weet ik wel beter.
Hoe vaak kijk ik naar het huis waar je gewoond hebt. Dan zie ik je in gedachten op het grasveld ervoor staan met Luna, de kleine hond. Je wenkt me. lacht breeduit.

Weet je nog Kitty?
Weet je nog hoe de stad er uit zag? Zou je het nog herkennen? Zou je mij nog herkennen? Zou je schrikken als je ziet wat de tijd met ons gedaan heeft? Hoe ik ouder word zonder jou terwijl we even oud waren.
Je drie dochters zijn zo goed als volwassen. Je hebt afscheid van ze moeten nemen toen ze nog meisjes waren.
Een van hen heeft twee kinderen. 
Er is nu een speeltuin gekomen in de wijk waar we wonen. Het station is veranderd, het centrum is helemaal nieuw en er zijn een paar hele leuke nieuwe winkels gekomen. Weet je dat ze de gedempte gracht weer open gegraven hebben? 
Je zou bijna denken dat ik het verzin, maar het is echt waar; er stroomt weer water door de gedempte gracht en toch hebben ze besloten de naam niet te veranderen. Er zitten zelfs eendjes.
De notenkraam op de markt waar je altijd kwam is er gelukkig nog wel, en de bakker en de fourniturenkraam.
Jij woonde hier eerst, jij wist de weg. Ik was een vreemde. Jij wist de beste adresjes voor verse groente, goed passende beha's en de voordeligste fietsenmaker. Je kende iedereen. Je zwaaide naar de buren, of maakte een kort praatje met ze.
Ik stond er bij en glimlachte maar een beetje. Ik voelde me een vreemde. Jij was er altijd al beter in, kon gemakkelijk met iedereen overweg. Ik was altijd de vreemde eend.
Toen ik net de sleutels van ons nieuwe huis had moest ik meteen naar jouw huis komen kijken, wat grappig genoeg uitkeek op het mijne. "Het is een kast van een huis" zei je. "Een kasteel". En inderdaad, je huis was enorm. Je woonkamer was ingericht zoals jij dat mooi vond: porseleinen beeldjes, kristallen vazen, twee Romeinse zuilen met varens erop.
Weet je nog dat ik je toen die glazen eend heb gegeven die ik afschuwelijk vond? Als mijn tante dan langs kwam die me die eend gegeven had haalde ik hem even bij je op. Daar hebben we enorm om gelachen.
" Ik heb nog nooit z'n mooi huis gehad" zei je trots. "Ze zullen me hier in een kist weg moeten dragen".
 De ironie van die woorden.
Weet je nog Kitty?
Dat we beste vriendinnen waren in Amsterdam?
Hoe we samen buiten speelden?  Hoe we met jongens flirten? Hoe we stiekem de deur uitslopen om samen uit te kunnen? Hoe we samen onze verjaardag vierden? De logeerpartijtjes, de verboden feestjes waar we dronken werden, de dansjes die we instudeerden, de platen die we beluisterden, de lachbuien.
En hoe de tijd voorbij ging en we in jonge vrouwen veranderden, kinderen kregen. Hoe we soms bij elkaar moesten vluchten, hoe bang we zijn geweest, hoe we gehuild hebben. We deden het licht uit en de deur op slot en kropen tegen elkaar aan.Lang geleden.
Weet je nog Kitty?
Hoe je negen jaar geleden in paniek bij me langs kwam. Huilend. Jammerend.
Hoe ik moest voelen aan dat rare kleine harde knobbeltje op je borst.Hoe je mijn hand vastpakte.
Hoe we elkaar omarmden. Hoe ik probeerde je te troosten.Hoe zwak ik me voelde, stom en onmachtig. De pijn die later volgde. De onmacht, de woede.
De vreselijke laatste weken.
De ironie van de woorden die je ooit uitsprak.
Een van de ergste dingen die me altijd bij zal blijven is het beeld van die grote zwarte Amerikaanse auto met chauffeur die me passeerde op de brug. Die grote auto die ik bij jou de hoek om zag slaan.
Sindsdien word ik bijna misselijk als ik een begrafenisauto zie.

Vier weken geleden begreep ik pas goed je angst. Toen ik zelf werd geconfronteerd met bedreigend nieuws over mijn gezondheid.
In stilte heb ik het je toen maar verteld.
En in stilte heb ik je ook mijn blijdschap gedeeld toen ik na de operatie hoorde dat ik weer verder kan met mijn leven.
Weet je nog Kitty?
Hoe close we waren? Weet je dat ik je nog steeds mis?