Wednesday, 30 July 2014

Delicatessen

Ik ben niet zo'n snoepkont. Eigenlijk ben ik iemand die zichzelf alleen bij hoge uitzondering iets lekkers gunt; dit ook met het oog op de slanke lijn; ik eet liever een hele lekkere luxe Belgische bonbon, dan een kilo zeevruchten van Jamin.
Bonbons smaken het beste als je in de verpakking een handleiding aantreft die je kunt raadplegen. Zo'n glanzend foldertje met foto's van de bonbons die zich in het doosje bevinden. Naast de afbeelding wordt in sierlijke letters de naam vermeldt, plus een beschrijving van de ingredienten : Ierse room, exotische likeur, rauwe cacao, delicaat fruit, gezouten caramel en verse boter.
Goede bonbons prop je niet zomaar in je mond, die neem je waar je met al je zintuigen. Dat is een ritueel, een belevenis. Het begint bij het openen van het doosje waar de bonbons keurig op rijtjes gerangschikt liggen, twee verdiepingen, gescheiden door een flinterdun cellofaantje. Ze zijn zorgvuldig in het doosje gestopt door een keurige dame met een porseleinen huid en katoenen handschoentjes.
Alvorens de bonbon in de mond te steken dient men de beschrijving aandachtig te bestuderen zodat een weloverwogen keuze gedaan kan worden. Heeft men die gemaakt, dan volgt het proces van het verwijderen van de fragiele goudkleurige wikkel. Bonbons eten is een serieuze aangelegenheid waarbij men niet gestoord dient te worden.
Bij het kopen van bonbons moet ik vaak denken aan de "Crunchy Frog", een legendarische sketch van Monthy Python. Daar beschrijft de eigenaar van The Whizzo chocolate company met geaffecteerde stem zijn "Whizzo quality assortment". Het water loopt je al snel in de mond, ware het niet dat de vulling van sommige bonbons nogal ongewoon is. Met name de crunchy frog zelf, waarvoor alleen de fijnste baby kikkertjes worden gebruikt die een voor een met de hand worden uitgezocht en speciaal worden ingevlogen vanuit Irak. Vervolgens worden zij schoon gespoeld in het fijnste bronwater, lichtelijk gedood en verzegeld in  sappige, Zwitserse triple melkchocolade en liefdevol berijpt met fijne kristalsuiker.
Een zeer exquise bonbon dus en ongetwijfeld bestaan er individuen die -mits het hier niet scherts betrof- bereid zouden zijn enkele tientallen of wellicht honderden euro's voor deze lekkernij neer te tellen. Een mals kikkertje gehuld in romige Belgische chocolade; knisperig en vol van aroma.
Dit genot is uiteraard slechts weg gelegd voor echte connaisseurs die zowel het geld als de uitgelezen smaak hebben om zich exclusieve delicatessen te veroorloven..
Eten. Niet alleen een noodzakelijke levensbehoefte maar tevens een quasi nonchalante must voor de levensgenieter. Mits het op de juiste wijze wordt gedaan.
Daarbij is kennis van de beste restaurants, de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van food en de know how van de juiste keuken equipment onontbeerlijk. Een Le Creuset pan of een Global messenset is een even belangrijk status symbool als een Gucci tas of een paar Louboutin schoenen en zodoende een belangrijk gespreksonderwerp tijdens het tafelen met vrienden of collega's. Bovendien is het lang niet zo riskant als politiek.
Lekker eten en de gecompliceerde wereld eromheen is een way of life, een quasi nonchalante joie de vivre.
Maar het is zelfs meer dan dat.
Lekker eten is erotiek.
Een van de meest romantische avonden die ik als twintiger ooit beleefde, was geensceneerd door mijn toenmalige tot over zijn oren verliefde vriendje.
Geheimzinnig glimlachend stond hij op een mooie zomeravond voor mijn deur. Op zijn rug hield hij een bos vuurrode rozen en in zijn handen hield hij een tot op de rand gevulde boodschappentas.
Ik opende de deur voor hem en hij dirigeerde mij onmiddellijk naar de slaapkamer. Zelf stevende hij vastberaden op het aanrecht af.
"Trek jij maar iets moois voor mij aan"sprak hij, terwijl hij intussen naar me knipoogde.
Vanuit mijn ooghoek zag ik hoe hij aardbeien, slagroom, ganzenlever, een doos raketjes en een fles champagne voor zich uitstalde.
Voor ik met mijn ogen kon knipperen werd ik, zo goed als naakt geblinddoekt vastgezet op een keukenstoel, de handen op de rug gebonden. Met de mededeling mijn mond geopend te houden en mijn tong zo ver mogelijk uit te steken.Ik rilde van opwinding.
Toen ik uiteindelijk, emigszins besmeurd los gemaakt werd mocht ik in bed gaan liggen en werd mijn hele lijf (met speciale aandacht voor bepaalde kwetsbare delen) versierd met slagroom, en vervolgens schoon gespoeld met champagne. 's Ochtends waren de lakens ranzig en plakkerig en roken naar zure room.
De katten waren niet meer uit de slaapkamer weg te slaan.
Het deed mij denken aan het hilarische verjaardagsspelletje waarbij je als kind geblinddoekt werd en gedwongen werd te proeven wat er in je mond werd gepropt. Meestal was dat achtereenvolgens suiker, sambal en groene zeep.
Ook toen al vond ik het spannend. Dingen opeten die je niet lust, kent of die je griezelig vindt; dat is eng.
Zijn we allemaal als kind niet in min of meerdere mate getraumatiseerd door onze vaders en moeders? Gekweld met tot de rand gevulde borden en de bijbehorende boodschap: Je blijft maar net zo lang aan tafel zitten tot je het op hebt!
Ik ken schokkende verhalen van kinderneusjes die hardhandig dicht geknepen werden en lepels met walgelijke groene smurrie die naar binnen werden geforceerd. "Denk aan de arme kindjes in Afrika!"
Enorme gevolgen hebben soortgelijke ervaringen op mij gehad.
Namelijk dat ik een zeer selectieve eetster ben geworden, een snob als u wilt. Ik lust geen Hollandse pot, geen stamppot en geen spruitjes, ik walg van draadjesvlees met vet en krijg braakneigingen van rode kool. Mijn eigen kinderen hebben zulks nog nooit gegeten, omdat ik het nooit op tafel heb gezet. Maar ik ben niet eenkennig.
Ik eet gewoon alleen wat ik lekker vind. Ik heb een goede neus en verfijnde smaakpapillen en ik vind ook dat een gerecht er op een bord mooi uit moet zien. Ook eet ik nooit voor de televisie, met mijn bord op schoot, maar dek altijd de tafel. Eten is voor mij iets wat leuk en lekker moet zijn. Een feest der zintuigen en een moment van ontspanning en samenzijn. Genieten.
Zo nu en dan overkomt het me wel eens dat ik buitenshuis iets voorgeschoteld krijg wat me even de adem beneemt. Een hapje wat zo bijzonder is dat het me de ogen doet sluiten en alles om me heen doet verdwijnen. Een extatische eetervaring, een smaakexplosie, foodporno.
Het komt niet vaak voor, maar wanneer het gebeurt is het een onverwachte, overweldigende ervaring.
Een geruststellende gedachte voor later. Dat op mijn oude dag, wanneer mijn ledematen broos zijn, mijn haren wit en mijn huid gerimpeld het genot van een orgastische belevenis nog tot de mogelijkheden behoort.



Wednesday, 18 June 2014

Warme melk

"Ik kan niet slapen!" klinkt het op klaaglijke toon.
"Ik kom er aan" roep ik naar boven. Ik hijs mezelf zuchtend van de bank en loop de keuken in, open de ijskast en vul een beker met melk, ik zet de beker in de magnetron en wacht lijdzaam tot hij warm is.
Intussen tuur ik om de hoek en probeer ingespannen het programma op de televisie te volgen.
Dan sjok ik de trap op met de beker in mijn hand.
Het licht van de gang valt even op het gezicht van mijn zoon als ik de deur van zijn slaapkamer open doe.
Een smal koppie met grote amberkleurige ogen die me treurig aankijken.
Ik zet de beker op het nachtkastje en ga op zijn bed zitten.
Wat is er aan de hand jongen? Ik schuif het gordijn een klein stukje open zodat ik zijn gezichtje weer een klein beetje kan zien. Onze schaduwen worden op de muur geprojecteerd door het strakke maanlicht.
Hij veegt zijn hand over zijn ogen om een paar opwellende tranen te slim af te zijn.
Ik weet het niet mama.
Kom eens even bij me, zeg ik en ik buig me over hem heen en pak hem vast.
Twaalf jaar  is hij en hij bevindt zich nog net in die bijzondere wereld. De wereld van kwetsbaar mogen zijn, gek mogen doen, afhankelijk en zorgeloos mogen zijn en op de vanzelfsprekenheid van het leven te vertrouwen. Een nog afgebakend bestaan.
Hij vind het nog net fijn om af en toe lekker ingestopt te worden, om geknuffeld te worden en doodgekieteld. Nog maar net. Maar het echte zorgeloze kinderbestaan is eigenlijk al over. Er is al huiswerk, er zijn al leuke meisjes die zich soms onbegrijpelijk gedragen en klootzakken van onderwijzers. Er wordt al behoorlijk geredeneerd en getwijfeld in zijn jongenskoppie. Langzaam begint zijn leven gecompliceerder te worden.
Een afscheidszoen op het schoolplein zit er niet meer in. Het zal waarschijnlijk niet lang meer duren of hij zal ook thuis mijn moederlijke knuffels en troostende armen afweren.
Maar nu houd ik hem stevig vast en voel hoe zijn onrust langzaam wegebt. Het komt wel goed jochie, fluister ik in zijn oor.
Ik voel hem langzaam tegen me aan smelten. Tot ik weet dat hij weer rustig is en in slaap kan vallen.
Drie kinderen heb ik en hij is de jongste. Twee meisjes die al onder de categorie "jonge vrouwen" vallen. Die op straat nagefloten worden. Die hun nagels in dezelfde kleur lakken als ik. Die dezelfde boeken lezen als ik en mij erop wijzen welke nieuwe muziek de moeite waard is om te beluisteren. Jonge vrouwen die hun eigen boontjes kunnen doppen.
Over drie weken is de lagere school verleden tijd. "Fijn" zegt men tegen mij, dan krijg je eindelijk "tijd voor jezelf". Kom je "eindelijk weer eens aan bepaalde dingen" toe.
Op zolder slingert hier en daar nog een half ontklede Barbie of een kapotte action man. Struikel ik bij het opruimen wel eens over een vergeten Lego blokje en vind ik ergens onder in een doos soms een Nijntje poppetje, een Jip en Janneke boek of een versleten knuffelbeer.
Het zijn al herinneringen.Getuigen van voorbije jaren.
Ik  sluit de deur van mijn zoons kamertje behoedzaam en duw de kat die opgetogen met opgeheven staart naar binnen wil glippen nog net weg.
Beneden is het tv programma reeds afgelopen en zoals te verwachten heb ik het plot gemist.
Ik vind het niet erg.
Dit zijn momenten die ik moet koesteren. Ik mag nog even moederen.

's Ochtends gaat de wekker vroeg. Ik smeer boterhammen met Nutella en zet een kopje thee en een kopje koffie.
Dan stappen we samen op de fiets.
Als snel komen we in een stroom fietsende scholieren terecht. Ze zijn stuk voor stuk erg lang en ze ogen volwassen.
Voor de poort van het lyceum stappen we af. We moeten oppassen niet door de fietsers geraakt te worden want we worden links en rechts gepasseerd.
Gelukkig komen we heelhuids aan bij de hoofdingang.
Hier is je tas, zeg ik met een geforceerde glimlach. Heel veel plezier op je eerste schooldag.
Hij loopt behoedzaam naar binnen, draait zich nog een keertje om en verdwijnt dan in de menigte.
Even sta ik verdwaasd op de stoep. In mijn eentje. Ik haal diep adem en stap op mijn fiets.
Maar voor ik weg kan fietsen staat er plotseling een jongetje voor mijn neus. Een heel klein jongetje met een hele grote tas op zijn rug.
Mevrouw zegt hij met een dun stemmetje, kunt u mij helpen?
Ik fiets met hem mee naar de stalling waar hij met enige moeite zijn veel te grote fiets op slot weet te zetten zonder om te vallen.
Dan volgt hij me terug naar de hoofdingang.
Dankuwel mevrouw, zegt hij tegen me. Zijn wangen zijn vuurrood.
Mijn moeder moest werken en mijn vader moest op de baby passen vertelt hij. Ik ben al groot genoeg om alleen te gaan.
Zijn blik is vol ongeloof.
Het jongetje bibbert een klein beetje als ik de deur voor hem openhoud. Het lukt hem met tas en al naar binnen te manoeuvreren zonder de zware deur tegen zich aan te krijgen.
Je bent zeker groot genoeg! Roep ik hem na. Het komt helemaal goed!
Opgelucht stap ik op mijn fiets en keer terug naar huis.
Ik kan een glimlach niet onderdrukken.


Tuesday, 27 May 2014

Copa cobana

Elke keer als ik het liedje van Barry Manilow hoor moet ik even aan jou denken.
"His name was Rico, he wore a diamond" Het is een geweldige evergreen; een kraker die nog regelmatig  op Sky radio of bij 's werelds langstlopende radioprogramma Arbeidsvitaminen te beluisteren is.
Muziek voor de huisvrouw en de stratenmaker. Voor wie wel wat muzikale afleiding kan gebruiken tijdens het ramen lappen of het loswrikken van oude stoeptegels.
Iedereen weet  wel een deel van de tekst; iedereen kent de melodie.
Voor mij is het liedje een aanknopingspunt naar een herinnering. Naar jou, mijn vriendje van vroeger. naar lang geleden.
We waren een jaar of vijftien toen we elkaar leerden kennen. Zaten allebei op dezelfde school; in de pauze stonden we altijd bij elkaar.
Al snel zagen we elkaar ook na school. Omdat jij iets ouder was dan ik keek ik een beetje tegen jou op.
We werden goede vrienden.
Vaak bleef je slapen, in het kleine benedenhuis in de Eerste Helmersstraat. Mijn ouders waren toen nog getrouwd. Jij sliep op de stretcher, ik in mijn eigen bed. We waren verbaasd toen mijn vader dat ineens niet meer toestond. Mijn oom Guus, die ook in de kamer zat, verklaarde:" Jullie zijn pas zestien jaar. Je kunt misschien al heel goed autorijden, maar dat mag je ook nog niet".
Ik was verontwaardigd; we waren immers maatjes, niets meer dan dat.
Je at ook zeer regelmatig mee. Mijn ouders vonden je aardig, je hoorde er een beetje bij.
Op mijn kleine kamertje luisterden we naar discomuziek. We rookten stiekem Marlboro's, ik vertelde jou prive dingen over mijn vriendjes, jij  over jouw vriendinnetjes. Soms ontsnapte ik van huis door het grote raam open te schuiven en stiekem de stad in te gaan. We dwaalden door het nachtelijk Amsterdam tot ik niet meer naar huis durfde.
Samen gingen we naar feestjes, naar het Vondelpark en naar onze vaste discotheek op de Prinsengracht. In de vakanties ging je  mee naar onze boerderij in Groningen. We waren altijd samen.
Er werden flauwe grapjes over gemaakt, maar we trokken ons er niets van aan.
Op een dag had ik zo'n ruzie met mijn ouders dat ik boos van huis wegliep. In paniek belde ik jou. Je wachtte me op voor  het Americain hotel en probeerde me te helpen onderdak te vinden.
Het Americain was de plek waar we altijd afspraken en waar we geintjes maakten over de ouderwetse obers. Harry Mulisch zat er vaak, en soms Simon Carmiggelt, dat vonden we wel interessant.
Een enkele keer gingen we ietwat gegeneerd naar Mac Donalds. "Als ik volwassen ben ga ik nooit meer naar Mac Donalds" beloofde je plechtig. "Dat kan dan echt niet meer".
Ik vond dat je gelijk had.
Je was mijn rots in de branding. je was mijn vriend.
Toen mijn ouders steeds vaker ruzie kregen besloot mijn moeder tijdelijk te verhuizen. Als reactie was mijn vader nauwelijks nog thuis. Dan zat ik alleen.
Gelukkig hield jij me vaak gezelschap. Samen zaten we in de woonkamer en we praatten. We beschouwden onszelf als jonge intellectuelen, we besloten te stoppen met luisteren naar discomuziek en draaiden de langspeelplaten van mijn vader: Nat King Cole, Sarah Vaughn en Billie Holiday.
We filosofeerden en beoordeelden het leven vanuit onze jeugdige en ietwat arrogante overmoed. Toch waren we ons ergens bewust van een sprankje bitterheid, een stukje onzekerheid wat we echter goed wisten te verbloemen als we samen waren.
We waren het meestal met elkaar eens. Naast een bijzonder wereldbeeld deelden we een stukje cynisme en een apart gevoel voor humor.
We spraken af dat als we kinderen zouden krijgen  we samen zouden gaan shoppen in de PC Hooftstraat. Ook zouden we ooit samen in de Eerste Helmersstraat gaan wonen. Maar eerst moesten mijn ouders het bijleggen en naar Groningen verhuizen.
We maakten samen veel plannen.
Maar op een onverwacht moment veranderde er iets tussen ons.
Op een vroege ochtend klopte je bij mij aan en ik liet je zachtjes binnen. Ik bood je de helft van mijn bed aan en een stukje van mijn hoofdkussen. Je schoof tegen me aan, en ineens voelde ik je strelende hand.
Die nacht veranderde onze vriendschap voorgoed.
Vanaf dat moment werd ik verlegen als ik je zag. Ik begreep niet meer wat ik voelde en ik durfde het niet tegen je te zeggen.
Ons contact veranderde. Vriendschap maakte plaats voor verlangen. Ik had nooit gedacht dat ik dat zou voelen bij jou.
Het voelde breekbaar en onzeker.
Een van de laatste keren dat we bij elkaar waren had ik het huis weer helemaal voor mij alleen.
We besloten in het grote bed van mijn ouders te gaan slapen. Ik weet nog goed hoe donker en stil het was.
Ik herinner me nog precies jouw woorden; dat ik het eerste meisje voor je was. En ik weet nog goed wat ik terug heb gezegd en hoe kwetsbaar we allebei waren.
Het was een mooie maar ook een tragische ruil.
Een gelijk oversteken: Mijn vriendschap voor jouw maagdelijkheid.
Een deal die de moeite waard was maar die mijn hart brak.
Een winst en een verlies.
Een einde.

Vorige week was ik voor het eerst sinds jaren weer terug in de Eerste Helmersstraat. Samen met mijn man en mijn kinderen.
Mijn oude straat. Het was allemaal nog even vertrouwd. Het kleine benedenhuis stond te koop.
Voorzichtig heb ik mijn neus tegen het raam aangeduwd en naar binnen gekeken.
Ik vond het dapper van mezelf. "Dit is oma's oude huis" heb ik tegen mijn kinderen gezegd.
Toen ben ik weer verder gegaan.


Tuesday, 6 May 2014

Terug naar Limburg

Het zilveren bruiloftsfeest was een indrukwekkende gebeurtenis. s' Middags moesten wij reeds aanwezig zijn in de prachtig versierde zaal waar het buffet opgediend zou worden. Mama parkeerde er vast de auto. Maar eerst gingen wij naar de kerk.
Ik herkende mijn moeder bijna niet. Hier in Limburg, tussen haar familieleden, leek ze zo anders. 
Ze keek blij en lachte aan een stuk, met een stralende met lipstick gestifte mond, maar haar hand klemde onzeker in de mijne en wanneer ze iets tegen mij zei  praatte ze te snel en te luid.
Ik vond het griezelig om de kerk binnen te stappen die voor deze speciale gelegenheid zijn grote deuren wagenwijd open had gezet. Het was er zo groot en het klonk er hol en leeg. het rook er net als bij ons thuis in de kelderkast.
Mijn moeder liep in het midden, mijn zusje aan de ene kant en ik aan de andere kant. Mijn vader was in Amsterdam gebleven. Zo met ons drieen voelde het veilig.
We moesten er "keurig netjes" uitzien had mama gezegd. Ze had onze haren geknipt en zelf onze jurkjes genaaid. Vanochtend had ze wat spuug in haar handen gedaan om een vlekje van mijn wang te poetsen. Ik had haar boos weggeduwd. Terwijl we de kerk inliepen voelde ik hoe een van mijn kniekousen geleidelijk naar beneden zakte.
Mijn moeder droeg een wollen rok met glanzende puntige lakschoenen waar ik mijn ogen niet van af kon houden. Op de stenen vloer van de kerk maakten ze een interessant klik klak geluid. Ik was trots op haar, maar ergens was ik ook teleurgesteld.Ik wist niet waarom.
De kerk was groot en mooi. Maar het was er koud en we mochten niets tegen elkaar zeggen.
Toen mijn tante begon te zingen begon ik zachtjes te beven. Zoiets moois had ik nog nooit gehoord.
Met mijn wang leunend tegen het bontjasje van mijn moeder spiedde ik luisterend om mij heen.
Het beeld van de huilende Jezus Christus probeerde ik te ontwijken. Smekend hing hij zijdelings aan een groot houten kruis. Bloed stroomde langs zijn ledematen. Ik vond het geen prettig beeld. 
Ik liet mijn blik rusten op de prachtige Maria. Devoot en gelukzalig keek ze omhoog, haar handen gevouwen. Een kleine naakte engel lag wenend in haar schoot. Een tweede engel stond hoopvol met geopende vleugels tegen haar aangeleund.  De serene, beeldschone Maria met haar opgeheven hoofd dwong bij mij meer respect af dan  de half ontklede Jezus die vol zelfbeklag jammerend aan zijn kruis hing.
"Ave Maria" fluisterde mijn moeder. "Zo heet dat liedje".
Mijn moeder sloot haar ogen en neuriede zachtjes mee met mijn tante. Ik hield mijn ogen op het Mariabeeld gericht en verdacht haar ervan ook stilletjes mee te luisteren, bevroren in het marmer.

In de zaal brak de feestvreugde los. Het was een vreemd contrast met de ijzige, gecontroleerde gebeurtenissen van die ochtend in de kerk.
Eerst werd er enorm veel gegeten en gedronken. En daarna was er zang en dans. Er waren verkleedpartijtjes, sketches en er waren liederen waar iedereen de woorden van kende.
Voor mij en mijn zusje was er enorm veel belangstelling; tantes en ooms die ik ik nauwelijks kende pakten ons stevig vast en drukten zoenen op wangen en voorhoofd. Ik werd een paar keer goedmoedig doch hardhandig heen en weer geschud, bij mijn kin gepakt en over mijn hoofd geaaid. Telkens werd er van mij verwacht dat ik vertelde of ik mijn best deed op school. 
Ik moest goed opletten om mijn tantes en ooms te verstaan en keek ze soms met grote ogen vragend aan. Dan gingen ze steeds harder tegen mij praten en duidelijker articuleren. Maar dat maakte geen verschil.

"Dat jij dat verstaat mama", zegt mijn zoon tegen mij. We zijn in Valkenburg en gaan de grotten bezoeken. Onze gids doet duidelijk zijn best om goed verstaanbaar te zijn en kijkt mijn kinderen glimlachend aan.
"Laten we naar Limburg gaan" had ik tegen mijn man gezegd. Het is zo lang geleden dat ik daar ben geweest.
Het Limburg van toen ik een kind was. het bestaat nog steeds. Zo intensief als Amsterdam aan verandering onderhevig is; zo lijkt de tijd hier stil te hebben gestaan.
Op een dikke boomstam is een bord gespijkerd met de letters: "Lunchroom".
Het is een jaren vijftig achtig bord, en de lunchroom zelf heeft ook een ouderwetse uitstraling. De ober die het terras bemand draagt een zwart tenue en een witte sloof. Hij loopt een beetje gebogen en maakt een vermoeide indruk, maar wanneer hij onze tafel weet te bereiken glimlacht hij professioneel en begroet hij ons vriendelijk en alsof hij het werkelijk meent. Zijn accent ontroert mij.
Op de tafel wappert een geplastificeerd kanten kleedje en er staat een bakelieten asbak. In een taartvitrine staan Limburgse vlaaien.
De keurig ogende gasten op het terras lijken allen afkomstig uit dezelfde provincie. Op een paar Duitse wielrenners na spreekt iedereen hier op dezelfde zangerige wijze.
Wanneer mijn moeder vroeger terugkeerde van een bezoek aan haar familie duurde het altijd een paar dagen voor ze weer "gewoon" sprak. Daar plaagden wij haar altijd mee. Het was alsof haar stem stiekem heimwee had. 

Toen ik wat ouder was bleef ik alleen in Limburg. dan bracht mijn moeder me naar een van haar zusters waar ik mocht blijven logeren. Zeven zusters had ze. En twee broers. Ik had dus een rijk aanbod aan tantes en ooms en een enorme hoeveelheid neven en nichten.
Bij tante Mien vond ik het misschien wel het leukst. Het was een huis als uit een kinderboek; er woonden zoveel kinderen dat het er altijd druk en gezellig was. Althans, dat vond ik als kind.
Het huis op de Boerendansweg was groot en als je de trap naar boven nam kwam je in de kinderslaapkamers die vol stonden met stapelbedden. Elf kinderen woonden er in het huis. Allemaal neefjes en nichtjes van mij. Ik vond het een groot feest.
Mijn vader dacht daar anders over en mopperde altijd een beetje over het katholieke geloof en meneer pastoor als dat grote kinderaantal ter sprake kwam. Ik geloof niet dat mijn vader graag in Limburg kwam. 
Op een avond, toen ik bij tante Mien logeerde vroeg een van mijn nichtjes: "Gaan jullie nooit naar de kerk?"
"Nee" zei ik. en ik schaamde mij er een beetje voor.
Mijn nichtje reageerde geschrokken. "Waar geloven jullie dan in?"
"Wij hebben geen geloof" antwoordde ik.
"Dat kan niet" zei mijn nichtje. "Iedereen heeft een geloof".
En daarmee was de discussie gesloten.

Het Limburg van vroeger. Ik wilde het weer zien en ervaren. maar ik denk dat het toch niet meer bestaat. En ik weet niet zeker of ik dat erg vind.

Tuesday, 1 April 2014

Vlinder

Daar gaat ze. Mijn kleine blonde meisje.
Ze is pas zestien jaar geworden. Ze is het meisje uit de liefdesliedjes. Het meisje uit de gedichten. Het meisje uit het prentenboek. Geheimzinnig glimlachend staat ze in een veld vol bloemen. Ze draagt een witte jurk van dunne katoen. Een stralende, beeldschone prinses.Ze kan communiceren met de dieren en alle kleuters zwaaien naar haar.
Ze staat te wankelen op de springplank naar volwassenheid.
Ze is nog niet van plan haar kinderlijkheid, die haar een speciale glans geeft, los te laten.Ze is zowel meisje als jonge vrouw.
Ze houdt haar kinderlijkheid geklemd in haar hand wanneer ze, zelfverzekerd en uitdagend over straat paradeert; jongens kijken smachtend toe. Ze kijkt niet op maar laat haar lange blonde haar wapperen en glimlacht stoicijns.
Niemand heeft nog recht op haar. Niemand eist haar nog op. Ze is nog vrij.
Ik denk aan zestien jaar geleden: de mooie baby die in mijn armen werd gelegd en niet huilde. Ze keek me aan, was stil en het leek alsof ze er altijd al was geweest. Ergens in mijn onderbewustzijn.
Toen ze een paar dagen oud was dacht ik dat ik haar zou verliezen. Haar lijfje hing slap in mijn armen. Van ons warme bed thuis, gehuld in een rozige zoete wolk bevond ik me plotseling in een ziekenhuisbed. Helemaal alleen op een stille zaal. Met borsten die pijn deden en een hart dat bijna scheurde van verdriet.
Maar ze vocht. Ze bleef. Ik mocht haar houden.
Vandaag doet ze een stapje bij mij vandaan. Een sprongetje maakt ze. Ik sluit even mijn ogen. Maar als ik ze open durf te doen zie ik haar vrolijk fladderen. Ze doet me denken aan de eerste vlinder van dit jaar.
Mooi en kleurrijk, onbevangen. In staat om elke argeloze voorbijganger een glimlach te ontfutselen. Een eigenzinnig sprookjesachtig wezen.
Gisteravond zat ze even alleen op de bank. Toen ik beneden kwam zag ik haar gezichtje betrekken. Ik schoof tegen haar aan op de bank, haar broertje schoof aan de andere kant. Ze huilde, maar ze wist niet precies waarom.
Misschien voelde zij ook dat ze weer een klein stukje afscheid  nam.
In het ziekenhuis toen zij een zieke baby was, moest ik na een paar dagen mijn ziekenhuisbed afstaan en kreeg ik een stretcher die de zuster in de babykamer neerzette.
Zij lag daar met vier andere kindjes. s' Nachts huilden ze allemaal op een ander moment. Sommigen hard, anderen zacht. Maar ik werd alleen wakker van haar gehuil.
Nu word ik nog steeds wakker als ze ziek is, of wanneer ze verdriet heeft.
Vanochtend heel vroeg is ze vertrokken naar Londen met school.
Ze gaat winkelen op Kings Road, scones eten in Harrods en wandelen langs de Thames. Ze gaat op avontuur.

De bus staat te wachten.Er gaat een rilling door mijn lijf als ik haar zie instappen. Daar gaat ze. Ik glimlach dapper en steek mijn hand naar haar op. Ze heeft het te druk en ziet mij niet. Ik draai me om en loop beteuterd terug naar mijn auto.
Als ik instap zie ik haar ineens rechtop in de bus staan. Ik zie hoe ze naar me lacht en zwaait. Ineens zie ik weer dat kleine meisje.

Vannacht zal ik waarschijnlijk even wat moeite hebben met inslapen.
Maar ik weet zeker dat ik wakker zal worden als ze me nodig heeft. Ook al is ze ver weg. En dan zal ik extra aan haar denken. Zodat ze voelt dat ze veilig is. Mijn vlinder.













Wednesday, 12 March 2014

Lente!

's Ochtends word ik wakker van jouw warme lichaam. Het is vroeg in de ochtend en de dag breekt aan. Het  licht spiedt glinsterend tussen de fijne kiertjes van de zware gordijnen door naar binnen. Alsof het ons uitdaagt om op te staan.
Ik knijp mijn ogen weer dicht en draai me tegen je aan. Je bent warm en klam.
Als mijn lippen jouw huid raken proef ik zoute drop. Dan maak jij je los uit mijn omhelzing en springt uit bed.
Je staat onder de douche. Ik ruik de geur van lavendel en warm water.
Pluche, de kat staat verwijtend naast het bed  en doet haar best zo hard mogelijk te miauwen. Het  is tijd, ik weet het. Ik moet opstaan en de slaap van me af schudden.
Mijn vaste traject loopt elke ochtend via de kinderkamers naar de woonkamer beneden. Ik draag de kat in mijn armen. Daar  zet ik de kat op de vloer,open de gordijnen en kijk naar buiten. De vlinderboom is groen, kleine crocusjes staan met hun paarse blaadjes wijd open en een enkele hyacint perst een groen kroontje omhoog. Gedurende de winter heeft de koude donkere grond allerlei kleurigs verborgen gehouden. Nu  lijkt de aarde plotseling enthousiast al dit moois aan de zon te willen tonen. Overal friemelt allerlei groens naar buiten.Insectjes die ik nooit eerder zag doorkruisen de tuin. Het is allemaal in een nacht veranderd. De winter is verjaagd.
We nemen de fiets naar school. Zonnestralen lijken door iemand  ergens boven aan de hemel met handenvol uitgestrooid te worden over het water van de Zaan. Op een grote houten boei bij de jachthaven zitten twee aalscholvers op te drogen met hun vleugels gespreid. Ze doen me altijd denken aan het beeld van Jezus die zijn armen opent voor de Katholieke gemeente.
Ik denk aan de zee die ik vorige zomer in Spanje heb gezien. De zee die zo fel schitterde dat ik het licht nauwelijks aan mijn ogen kon verdragen.
Onderweg kom ik een kleurrijke eendenkolonie tegen. Sommig eenden drijven nog slapend als in elkaar gevouwen bootjes op het water. Anderen doen kolderieke duikkunstjes. Ondersteboven in het water met de kop naar beneden en de staart en twee fel oranje poten in de lucht.
Er zijn twee eksters bezig met een nest. Een van de twee houdt een enorme tak in zijn snavel. Dan fladdert hij moeizaam omhoog. Gevolgd door de ander.
Ter hoogte van het bord: "Pas op schoolkinderen"  draai ik me zwaaiend om en fiets weer naar huis.
Langs de eendenkolonie, de eksters en de aalscholvers.
Als ik halverwege ben loopt mijn ketting van mijn fiets. Ik zet de fiets op zijn kop en doe vergeefse pogingen het te herstellen.
Uit het niets valt er een schaduw over mij heen die het zonlicht wegneemt. Een lange statige man met een hoed buigt zich over mij heen. "Kan ik helpen?"
De man is erg broos en is gekleed alsof hij zojuist van een ansichtkaart uit het begin van de vorige eeuw is gestapt.
Ik ben bang dat hem iets overkomt zodra hij zich teveel inspant, maar ik durf zijn aanbod uit beleefdheid niet af te slaan.
"Graag" zeg ik daarom en ik probeer mijn handen die onder de vettige olie te zitten af te vegen aan een stuk boomschors. De man zakt nu behoedzaam door zijn  knieen en steekt zijn bleke handen met lange, knokige vingers uit naar de roestige fietsketting. Om een van zijn vingers zit een zegelring met een groene steen.
Uit het niets begint de man nu te praten." Ik ben 91 jaar, zegt hij. Ik ben dus een hele oude man.
Maar ik ben ooit jong geweest. Ik heb gevaren vroeger. Vroeger lagen hier heel veel schepen. Ik wandelde hier graag met mijn vrouw. Ik had een hele knappe vrouw. Iedereen was jaloers op mij. Maar inmiddels zijn ze allemaal dood. Er is veel veranderd. teveel voor een mens om mee te hoeven maken.
Ik zie overal herinneringen. Het leven van vandaag laat me onberoerd.
Het enige wat niet veranderd is, is het water". Hij  haalt zijn neus op. Die is een beetje rood van de frisse ochtendlucht.Zijn droevige ogen zijn vochtig en hij heeft borstelige wenkbrauwen waar lange witte haren uit steken.
De man doet mij aan mijn opa denken.
Hij zegt nog wat dingen. Over vroeger, over zijn vrouw die hij mist. Over oude mensen die alleen maar klagen.
Dan probeert hij weer overeind te komen. Het kost wat moeite, maar dan staat hij weer rechtop. Statig rechtop. Hij vist een keurige zakdoek uit zijn binnenzak en veegt zijn handen er aan af.
"Dan ga ik maar weer verder" zegt de man.
Ik steek mijn hand naar hem uit en bedank hem voor het repareren van mijn fiets.
De man glimlacht. Dan, voordat hij zijn weg vervolgd, wenkt hij me even kort met zijn hand. Ik beweeg me wat dichter naar hem toe en hij fluistert in mijn oor: "De Lente is vandaag begonnen. Geniet er maar van, want voor je het weet is het weer voorbij".
Dan vervolgt de man zijn weg.


Thursday, 20 February 2014

Mooie jongens.

Vroeger had ik een vriendin die Sabina heette. Volgens mijn moeder was Sabina jongensgek. Ze had het inderdaad erg vaak over jongens.
We waren vijftien en beste vriendinnen. We verveelden ons vaak, zoals het echte pubers betaamd.  We waren er van overtuigd dat we van onze ouders niet veel mochten. Eigenlijk mocht Sabina NIKS van haar ouders, daarom was ze ook vaak bij mij. Maar als ik eerlijk ben waren mijn ouders erg redelijk.
Ik werd door mijn vrienden en vriendinnen bij mijn achternaam genoemd: Dekker. In het begin vond dat ik dat helemaal niet leuk, maar op een gegeven moment was ik er aan gewend.
Mijn vrienden zeiden vaak:" Jouw ouders zijn wel oke Dekker".
Dat vond ik niet. Ik vond mijn ouders erg onredelijk en bovendien ouderwets. Dat was nu eenmaal zo met ouders.

Als Sabina bij ons op de boerderij logeerde verveelden wij ons het aller- allerergst. De zomervakanties duurden eindeloos en er viel niets te beleven op het saaie platteland. Gelukkig mochten we in het weekend naar discotheek "Night Fever" in Winschoten, waar we als Amsterdamse meisjes behoorlijk opvielen, vooral bij de jongens. Maar door de week hingen we rond op het erf van de boerderij waar we ons te pletter verveelden. Regelmatig fietsten we naar het zwembad in het dorp waar zich volgens Sabina hopelijk de "mooie jongens" bevonden.
Meestal was dat helaas niet het geval.
Sabina was een expert in subtiel oogcontact met jongens maken. Ze kon haar haren nonchalant doch sexy uit haar gezicht  laten wapperen, verleidelijk met haar ogen knipperen en heel sexy dansen.
Hoewel ik lang niet zo geraffineerd was bleken er toch jongens geinteresseerd in mij.
Toen ik twaalf was en een tamelijk onzekere puber, was ik er van overtuigd dat ik hoogstwaarschijnlijk als verstokte oude vrijster mijn graf in zou gaan, maar vanaf mijn dertiende ging het onverwacht de goede kant op.
Jongens vonden mij leuk en al spoedig passeerden er een aantal de revue. Allerlei jongens.

Zo was er de jongen die Sander heette. Hij had een bruin en een blauw oog. Hij was verliefd op mij en hij was punker.Een hele lieve, schattige punker.
Toen ik op vakantie was stuurde hij me een kaart met de tekst: Een twee drie, raad eens van wie?
Dat was heel wat, als een jongen je een kaartje stuurde. Een Twee Drie was trouwens de punkband waarin hij speelde dus dat was een originele hint.
Met vriendje Vincent heb ik zeker een half jaar verkering gehad. Hij kwam uit Utrecht en werkte in een modezaak. Hij was fan van David Bowie. We ontmoetten elkaar op Texel waar ik met mijn vriendinnen Antoinette en Tanja kampeerde.
Het was een heftige vakantie die gekenmerkt werd door drama's van allerlei aard  zoals ruzie, dronkenschap, fietsendiefstal, lekke luchtbedden, vermeende zwangerschap en liefdesperikelen. Het ontmoeten van Vincent was voor mij het absolute hoogtepunt van de vakantie.
Na een half jaar was ik niet meer verliefd op Vincent. De jongen die ik na hem ontmoette schreef gedichten voor mij. Daarna leerde ik een Franse jongen kennen die me brieven schreef die ik vervolgens liet vertalen door mijn leraar Frans. Weer later was er een jongen die voor me zong en ergens tussenin was er een Spaanse jongen die paella voor me maakte en me achtervolgde naar Nederland.
Er was een jongen die the Doors voor me draaide en alle teksten analyseerde, en eentje die mijn nagels lakte (alle tien) en mijn haar waste.
Een jongen gebruikte geestverruimende middelen en projecteerde daarna dia's op mijn naakte lichaam.Er was er een die me aankleedde als een pop en me mee nam naar dure restaurants.
Op een frisse avond ergens begin april nam een jongen mij mee mee naar het Amsterdamse bos. Het was erg donker en we wandelden langs het water en telden de sterren. Na een lange wandeling eindigden we zoenend op het gras, aan het water. We lagen een poosje in elkaars armen en besloten toen weer terug te keren naar de auto. We stapten in en reden terug naar Amsterdam. Al na enkele minuten vulde de auto zich echter met een weerzinwekkende geur. Het romantische tafereel aan het water verloor op slag zijn magie toen bleek dat mijn vriendje zich tijdens dat moment  ongemerkt door de hondenpoep had gewenteld.
De terugweg was zwaar en ik was genoodzaakt continu mijn neus uit het geopende raam steken om niet te kokhalzen.
Misschien onnodig te zeggen dat het na die avond tussen ons nooit meer echt wat geworden is.
Er waren slimme jongens en rare jongens en jongens die ik waarschijnlijk vergeten ben.
Vroeger schreef ik hun namen op. Op een dag heb ik het schriftje met alle namen weg gegooid. Ik weet niet meer waarom.
Het is jammer, want ik had nu graag al die herinneringen nog eens doorgenomen.
Soms bedenk ik me wat voor vreugde het schriftje op had kunnen leveren als ik ooit oud, versleten en wellicht verward ben en vermoedelijk in een bejaardenhuis woon. Of op een klein flatje met alleen een oud raar hondje om me gezelschap te houden. Of op een hele oude boerderij met een heleboel verwaarloosde katten en loslopende kippetjes.
Mijn vriendjes van ooit zijn nu oudere heren.Sommigen zijn overleden. Zou er nog iets overgebleven zijn van die romantiek en die passie bij die jongens van toen?
De jongens, andere jongens, ze zijn er opnieuw; ze spelen nu een rol in het leven van mijn twee dochters.
Ik vind het prachtig en ontroerend om te zien.
Ik zie soms overeenkomsten met hoe ik ooit was. Ergens is er niet veel veranderd.
Ik kijk toe en ik ben blij me de herinnering. Maar ik ben ook blij met het heden.