Wednesday, 24 September 2014

Storm en regen

De kastanje voelt glad aan in mijn hand. Hij is perfect; glanzend en nieuw. Het zachte omhulsel waar hij precies in paste ligt op de grond. Tussen bruine nat geregende bladeren en twijgjes.
Het waait venijnig op de brug. Het is deze herfstwind die ervoor gezorgd heeft dat de kastanje uit de boom viel.
Op het asfalt van de brug.
Het doet me denken aan de tijd dat ik een kind was. We woonden dichtbij het park. De herfst was toen al niet een van mijn favoriete seizoenen. Huiverend liepen wij kinderen 's ochtends in het donker naar school. Plassen ontwijkend. Met onze handen diep in onze zakken. Angstig omhoog kijkend naar de vervaarlijk zwiepende takken van de hoge bomen langs de weg.
De zomer was nog maar net voorbij. Met haar uitgelaten, manische vrolijkheid van zonovergoten dagen en tomeloze energie die wekenlang voortduurde.
 Maar die onverwacht plaats had moeten maken voor deprimerende dagen zonder begin en einde.
Het piekertijdperk. Het deel van het jaar dat alles wat de natuur had eerder laten groeien en bloeien nu amechtig ineen liet zakken, verpieteren en verdorren.
De tijd van het jaar waar volgens mijn moeder mensen bij bosjes hun verstand verloren: "Dat komt door het vallen van de bladeren".
Vooral in Groningen, op de boerderij, was de herfst een vervelend en pessimistisch jaargetijde.
De huilende wind, de eindeloze regenbuien en het donker. Vooral dat afschuwelijke donker.
Het donker waar geesten, trollen en andere schimmige figuren een schuilplaats konden vinden.
Het erf rond de boerderij was in de herfst vanaf de namiddag gehuld in naargeestige duisternis.
In Amsterdam leek het licht gelukkig nooit helemaal uit te gaan. De talloze lampjes in de straat en de verlichte ramen van de buren boden mij een geruststellende aanblik..
Op het platteland  huilde de herfststorm met lange uithalen rond het oude huis dat onder dat geweld van ellende leek te kreunen en kermen.
Ik kon de geluiden van dat oude huis nooit thuis brengen. Ze deden me huiveren en jaagden me vaak de stuipen op het lijf. Naar buiten vluchten was geen optie. Daar was de grond zacht en doordrenkt van vochtige rottende bladeren en walgelijke zwammen. Te midden van deze treurigheid kon je  soms het eenzame ontbindende lijkje van een veldmuis of ander klein knaagdier aantreffen. Het verval leek er erger dan in de stad waar de stoepen netjes schoon waren.
Daar wilde ik liever zijn.

Nog altijd ben ik liever in de stad.
De stad is de juiste plek om je te verschansen. Ook als de herfst zijn intrede doet. Als herinneringen je achtervolgen en heimwee aan je hart kriebelt.
Daar kan ik me terug trekken in de veilige cocon van mijn goed geisoleerde huis waar het niet spookt.
Of ik kan me mee laten slepen door het nachtleven en mijn gepeins laten vervliegen in de drukke dansende menigte. Hier in de stad kan ik me voor bereiden op de winter die in aantocht is.
Hier kan ik mijn angst een onderkomen bieden.
De herfst confronteert me onverhoeds met het gevoel dat mijn jeugd achter me ligt.
Wanneer ik ontwaak en het sombere begin van de nieuwe dag op zie doemen besef ik dat niet alleen de natuur om mij heen verandert, maar ikzelf ook.
Lente, zomer, herfst en winter. Het zijn  periodes waar ik zelf ook doorheen lijk te gaan.
Laat mij nu maar even. Laat me een traantje wegpinken om de verwelkte bloemen in de tuin, de vlinders die zomaar verdwenen zijn en de merel die gestopt is met zingen.
Laat mij maar even een kort moment terugkijken naar het jaar dat voorbij is.
Dan ga ik wel weer verder.
De kastanje in mijn hand. Het is een klein hoopvol sieraad.
Er gaat een belofte in schuil. Een troost.








Wednesday, 10 September 2014

Verlaten

Een paar keer per week fiets ik er langs: Het huilende huis.
Gedurende de jaren dat ik het passeer heeft het huis de hoop opgegeven.
Een jaar of tien geleden stond het net leeg. Het huis was nog trots en vol vertrouwen. Het keek uit naar nieuwe bewoners, ondanks het heimwee dat het had naar degenen die het verlaten hadden.
Het huis stond fier op zijn plek, in het mooiste deel van de oude stad.
Zonder arrogant te willen zijn was het huis zich bewust van het feit dat het opviel.
Omdat het groter dan de andere huizen en geheel vrijstaand was. De mensen noemden het huis bewonderend: De villa.
Dan glommen de ramen van blijdschap.
Het huis was aan het begin van de vorige eeuw onder architectuur gebouwd.
Met balkons aan alle zijden en een riante tuin rondom.
Rond de tuin plaatste men een groen hek. Een vrolijk groen hek, waar vogels graag plaats namen om de bewoners toe te zingen.
In de tuin plantten de bewoners een kersenboom en tegen de gevel plaatsten zij rozenstruiken. Een schommel werd opgehangen.
Als het zomer was bloeiden de rozen en rijpten de kersen. Kinderen schommelden in de zon. In het gras stond een kinderfietsje en lag een pop.
Mensen die het huis passeerden keken glimlachend om.
Het huis was gelukkig.
Wat er precies is gebeurt weet het huis niet. Niemand weet het eigenlijk. In de kleine straatjes om de hoek zijn krappe woninkjes op een, twee en drie hoog.
De huisjes zijn klein en het tocht er, maar ze zijn allemaal bewoond.
Er spelen kinderen voor de deur. Mensen zetten hun fiets tegen de gevel wanneer ze thuis komen, openen de voordeur en lopen de trap op.
In de huizen is het warm en er brandt licht.
In het grote huis is het koud en kil en het is er altijd donker.
Sinds kort huilt het onafgebroken.
Een vreemd gierend geluid dat op de wind meegevoerd wordt.
De kinderen uit de buurt mogen niet meer bij het huilende huis spelen.
Er is iets niet pluis zegt men. Sommigen zeggen dat het er spookt. Ze beweren dat ze er geluiden hebben gehoord; pianospel en gelach en gefluister. En iemand zegt dat er af en toe licht brandt op een van de zolderkamers.
De tuin van het huis raakt steeds meer overwoekerd. Er groeit zelfs een boom, precies voor de voordeur. Een van de deuren is dicht gespijkerd en iemand heeft er een anarchistisch teken op geschilderd met de woorden: leegstand is stilstand.
Het hek is scheef gezakt en de verf bladdert af.
Het is heel lang geleden dat de voordeur voor het laatst geopend werd.
Dat het huis bewoond was:
Het jonge, verliefde paar dat er na hun huwelijkreis verrukt binnenstapte. De kinderen die op de grond van de woonkamer speelden. De familieleden die op visite kwamen als er iemand jarig was.
De poes die voor het raam zat.

Als ik langs fiets kijk ik altijd naar het huilende huis. Het doet iets met me.
Het huis lijkt zich te generen voor zijn verwaarloosde uiterlijk.
Dolgraag  zou het nieuwe bewoners welkom heten en ze verwarming, beschutting en bescherming bieden.

Het zal echter niet lang duren of de muren zullen gaan verzakken en de ramen breken. Het dak zal gaan lekken.
Wind en regen zullen naar binnen dringen. Het huis zal instorten.

Ik stop even met mijn fiets als ik het huis passeer; Het is alsof ik naar binnen gezogen word.
Ik knipper met mijn ogen en dan zie ik  dat er een vrouw in de deuropening staat
Boven in de slaapkamer zit iemand voor het raam. Een poes klimt in het raamkozijn.
In de tuin groeien rozen en er liggen kersen in een rieten mand onder een boom.

Een windvlaag steekt op. Ik huiver en knoop mijn jas dicht. Dan fiets ik door.
Zonder om te kijken.






Monday, 25 August 2014

Verlies

In de Reijam schoolagenda die ik op de middelbare school had, stond de tekst: Je komt er pas achter wat iets betekent als je het verloren bent. Erbij stond een flauwe cartoon van een raar mannetje die verbijsterd naar beneden staart in een ravijn.
Gemis, daling,gebrek, perte, schade, tekort, leed, klap, definieert het woordenboek.
Loze kreten.
Verlies knaagt. Het knaagt een gat in je hart en in je maag, het vreet zich vast in je lichaam.
Het nestelt zich in je buik en schopt af en toe als een ongeboren baby om aan te geven dat het er nog altijd is.
Het maakt cynisch, boos verdrietig en eenzaam. Het verkilt, verwondt en martelt.

Mijn vriendin stierf op het verkeerde moment. Ze stierf op het moment dat ze nog jong was. Ze had recht op geluk (ongeluk had ze al genoeg gehad). Ze had recht om haar kinderen op te voeden, tijd met ze door te brengen. Ze had recht op lopen, op rennen, op zonlicht, op regendruppels, op kersengebakjes, op natte zoenen, op kerst, op avondwandelingen, op verjaardagen, op kleinkinderen, op lachbuien, op leven!
Ze werd gedwongen haar dochters los te laten. Ze had hun handen vanaf de geboorte stevig vast gehad.
Het was ondenkbaar om die kinderhanden los te laten. Het kon nog niet.
De wereld was nog te onbekend, te groot en onoverzichtelijk.
Welke schoft zou eisen dat zij de handen van haar kinderen los zou moeten laten?
Welke idioot zou een moeder daartoe veroordelen?
Ik was er woedend over.
Ik heb gevloekt, gebeden, gemediteerd, gegild, tegen kastjes geschopt en regelmatig teveel gedronken.
Uit wanhoop ben ik maar gaan hardlopen. Door regen en wind, zo hard als ik maar kon, inwendig schreeuwend.
Mijn tegenstander was een onzichtbaar meedogenloos wezen.
En ook al daagde ik hem onverschrokken uit, hij nam het duel niet aan.
Het was zinloos en onnozel.
Ik had geen wapens, geen munitie, geen logica, geen kracht. Ik kon niet vechten en niet helpen.
Ik voelde me een schertsfiguur.
Dat ze kanker kreeg was raar en ondenkbaar. We probeerden het eerst weg te denken, af te schaffen, te weigeren en weg te sturen. Kanker? Nee dank u, misschien over een jaar of dertig?. We vroegen het beleefd.
Toen dat niet lukte volgde een ziekenhuisopname. Bestralingen, een operatie, chemo.
De prognoses waren goed.
Het duurde een klein jaar. Ik ben weer beter, zei ze toen.
U bent weer beter, zei de dokter.
Wat geweldig dat je weer beter bent! zei iedereen.
Op een middag stond ze weer voor mijn deur. Net als die eerste keer toen ze het knobbeltje in haar borst net had ontdekt.
Ik heb zo'n pijn, zei ze.
De huisarts wilde haar niet helpen. De specialist kon haar niet zien. De Eerste hulp stuurde haar terug naar huis.
Ze had zoveel pijn dat ze niet kon staan en niet kon liggen.
Na lang aandringen deed de huisarts toch iets; zij liet mijn vriendin opnemen in het ziekenhuis op de afdeling psychiatrie.
Gelooft u nou maar dat u beter bent. Dan gaat de pijn vanzelf weg zeiden ze.
Maar de pijn bleef.
Verlies: (zelfstandig naamwoord)  Het overwonnen worden.Het niet meer hebben van iets of iemand".

Buiten was het warm, eind augustus. Een van de laatste echt zwoele zomerdagen. Een dag waarop je gewoonlijk naar zee gaat, of op een terrasje neerstrijkt. Een dag waarvan de avond lang aanhoudt. Waar het niet donker wordt.
In het hospice was het koel. De gordijnen van haar kamer stonden op een kier. Het licht was gefilterd. Haar ogen waren gesloten toen ik weg ging.
Ik heb die middag heel lang haar hand vast gehouden. Heb haar gezegd dat ik van haar hield. Dat het goed was.
Toen ben ik naar huis gefietst en ben ik met het eten begonnen. Daarna hebben we in de tuin gegeten. Ik heb mijn kinderen naar bed gebracht en ben tot laat op gebleven.

Die dag is ze gestorven. Ik verloor mijn vriendin die dag.














.


Tuesday, 19 August 2014

Bang

Als kind was ik vaak bang.
Ik was bang voor de heks uit het sprookjesboek en bang voor de enge man uit de televisie serie.
Voor schaduwen op mijn slaapkamermuur, voor plotselinge geluiden in het donker en voor onweer.
In mijn herinnering onweerde het in mijn kinderjaren voornamelijk 's nachts, als mijn ouders niet meer op waren en ik alleen in mijn bed lag. Met het onweer kwamen alle heksen, enge mannen, schaduwen en geluiden mee. Ze verzamelden zich in mijn slaapkamer en verstopten zich onder mijn bed, op de gang en in stapeltjes kleren die rondslingerden.
Pas wanneer ik genoeg moed had verzameld vluchtte ik met bonzend hart mijn bed uit en rende struikelend naar de slaapkamer van mijn vader en moeder. De angst schoot vuurpijlen door mijn lichaam en prikte naalden in mijn voetzolen.
Om bij mijn ouders te komen moest ik door de spookachtig verlichte woonkamer. Het ergste was het onverbiddellijke geweld van de donder wat me onderweg leek te achtervolgen als een beest. Het bulderende lawaai waar geen ontkomen aan was en wat me de adem benam.
Toen ik twintig was heb ik in een recalcitrante bui ooit dwars door een onweersbui in de stad gefietst. Het was een zwoele zomerse nacht waarin plotseling het weer omsloeg.
Inwendig bevend maar ogenschijnlijk dapper heb ik naar de zwarte lucht gefronst terwijl ik mijn fiets van het slot haalde. Er was mij die avond gezegd dat je om je angsten te overwinnen je ze moest trotseren en dit leek me een goede gelegenheid. Bovendien was ik net vrijgezel, ik was aangeschoten en ik voelde me overmoedig.
De tocht door Amsterdam was verschrikkelijk; donderslagen volgden elkaar razendsnel op en hoog in de lucht zigzagde krakend het weerlicht. Mijn wangen werd gegeseld door minuscule hagelsteentjes en mijn voeten glibberden haast van de trappers. Hier en daar schuilde wat uitgaanspubliek onder een winkelpui, maar ik fietste gehaast door, ik kon nu niet meer stoppen met het beest op mijn hielen.
Toen ik thuis aan kwam was ik nat tot op het bot. Ik opende de deur naar de tuin en keek naar de neerkomende regen. Het onweer was nu bijna voorbij maar sputterde mopperend nog wat na, ergens ver weg, aan de rand van de stad. Ik hief mijn vuist naar de lucht en voelde me trots. Het was me gelukt.
Jarenlang leek mijn angst ook werkelijk minder.
Maar kort geleden schrok ik midden in de nacht wakker van een meedogenloze donderklap. Ik trilde over mijn hele lichaam en tranen stroomden over mijn wangen. Gelukkig was mijn man er om me aan vast te klampen, zoals daar vroeger mijn vader en moeder geweest waren om bij te schuilen. Maar ik realiseerde me: Ik ben nog steeds bang, net als toen.
Een heleboel andere angsten heb ik wel kunnen verdrijven. Ik heb ze de kop in kunnen drukken of simpelweg genegeerd.
Godzijdank, want ze maakten het me behoorlijk lastig.
Sommige van die angsten waren net zo onberedeneerbaar als mijn angst voor onweer.
Zo was ik bang om te reizen.
Als ik met de trein naar een bepaalde bestemming moest gierden de zenuwen door mijn lijf.
Ik was bang dat ik op de verkeerde trein zou stappen, bang dat ik het juiste station zou missen en dat ik over zou moeten stappen.
De gehele treinrit was ik gespannen en onzeker. Ik was bovendien bang dat iedereen zou zien dat ik bang was. Dat leek dan weer zo belachelijk dat ik me daar weer voor schaamde.
De figuranten: Personen die stuk voor stuk ontspannen doch gedecideerd met hun koffers onderweg waren. Zelfs diegenen die overduidelijk een andere taal spraken waren volstrekt ontspannen onderweg naar het juiste perron. Vanzelfsprekende reizigers. Normale mensen. Gewone mensen die van punt A naar punt B voort bewogen. Doodgewoon, niets engs aan.
Voor mij was het een bevestiging dat ik een vreemde was. Een buitenstaander. Temidden van al die doodgewone mensen die doodgewone dingen deden waar verder niemand bang voor was.
Ik had vroeger een vriendin die in haar eentje drie maanden door Amerika ging trekken. Dat was een ondenkbare gedachte voor mij: de rare angsthaas.
Ik was bang voor heel veel dingen, zonder het te begrijpen.
Voorts was ik er altijd van overtuigd dat ik veel dingen vast niet zo goed kon als anderen.
Ook was ik bang dat ik niet snel genoeg leerde, of als iemand me iets uitlegde ik het verkeerd zou doen en dat men me dan raar zou vinden.
Daarom durfde ik veel dingen niet aan.
Uit angst om raar te worden gevonden.
Vermoedelijk heeft er een kentering plaats gevonden toen ik op een dag besloot dat ik mezelf toch goed genoeg vond en dat het welletjes was.
Ondanks mijn vermoedelijke raarheid.
Ondanks wat anderen zouden vinden.
Toen veranderde er veel.
Mensen denken nu vaak dat ik dapper ben. Dat ik zelfverzekerd ben. Soms vinden mensen mij zelfs arrogant.
Maar dat vind ik niet erg.
Ik vind onweer erger.
















Wednesday, 30 July 2014

Delicatessen

Ik ben niet zo'n snoepkont. Eigenlijk ben ik iemand die zichzelf alleen bij hoge uitzondering iets lekkers gunt; dit ook met het oog op de slanke lijn; ik eet liever een hele lekkere luxe Belgische bonbon, dan een kilo zeevruchten van Jamin.
Bonbons smaken het beste als je in de verpakking een handleiding aantreft die je kunt raadplegen. Zo'n glanzend foldertje met foto's van de bonbons die zich in het doosje bevinden. Naast de afbeelding wordt in sierlijke letters de naam vermeldt, plus een beschrijving van de ingredienten : Ierse room, exotische likeur, rauwe cacao, delicaat fruit, gezouten caramel en verse boter.
Goede bonbons prop je niet zomaar in je mond, die neem je waar je met al je zintuigen. Dat is een ritueel, een belevenis. Het begint bij het openen van het doosje waar de bonbons keurig op rijtjes gerangschikt liggen, twee verdiepingen, gescheiden door een flinterdun cellofaantje. Ze zijn zorgvuldig in het doosje gestopt door een keurige dame met een porseleinen huid en katoenen handschoentjes.
Alvorens de bonbon in de mond te steken dient men de beschrijving aandachtig te bestuderen zodat een weloverwogen keuze gedaan kan worden. Heeft men die gemaakt, dan volgt het proces van het verwijderen van de fragiele goudkleurige wikkel. Bonbons eten is een serieuze aangelegenheid waarbij men niet gestoord dient te worden.
Bij het kopen van bonbons moet ik vaak denken aan de "Crunchy Frog", een legendarische sketch van Monthy Python. Daar beschrijft de eigenaar van The Whizzo chocolate company met geaffecteerde stem zijn "Whizzo quality assortment". Het water loopt je al snel in de mond, ware het niet dat de vulling van sommige bonbons nogal ongewoon is. Met name de crunchy frog zelf, waarvoor alleen de fijnste baby kikkertjes worden gebruikt die een voor een met de hand worden uitgezocht en speciaal worden ingevlogen vanuit Irak. Vervolgens worden zij schoon gespoeld in het fijnste bronwater, lichtelijk gedood en verzegeld in  sappige, Zwitserse triple melkchocolade en liefdevol berijpt met fijne kristalsuiker.
Een zeer exquise bonbon dus en ongetwijfeld bestaan er individuen die -mits het hier niet scherts betrof- bereid zouden zijn enkele tientallen of wellicht honderden euro's voor deze lekkernij neer te tellen. Een mals kikkertje gehuld in romige Belgische chocolade; knisperig en vol van aroma.
Dit genot is uiteraard slechts weg gelegd voor echte connaisseurs die zowel het geld als de uitgelezen smaak hebben om zich exclusieve delicatessen te veroorloven..
Eten. Niet alleen een noodzakelijke levensbehoefte maar tevens een quasi nonchalante must voor de levensgenieter. Mits het op de juiste wijze wordt gedaan.
Daarbij is kennis van de beste restaurants, de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van food en de know how van de juiste keuken equipment onontbeerlijk. Een Le Creuset pan of een Global messenset is een even belangrijk status symbool als een Gucci tas of een paar Louboutin schoenen en zodoende een belangrijk gespreksonderwerp tijdens het tafelen met vrienden of collega's. Bovendien is het lang niet zo riskant als politiek.
Lekker eten en de gecompliceerde wereld eromheen is een way of life, een quasi nonchalante joie de vivre.
Maar het is zelfs meer dan dat.
Lekker eten is erotiek.
Een van de meest romantische avonden die ik als twintiger ooit beleefde, was geensceneerd door mijn toenmalige tot over zijn oren verliefde vriendje.
Geheimzinnig glimlachend stond hij op een mooie zomeravond voor mijn deur. Op zijn rug hield hij een bos vuurrode rozen en in zijn handen hield hij een tot op de rand gevulde boodschappentas.
Ik opende de deur voor hem en hij dirigeerde mij onmiddellijk naar de slaapkamer. Zelf stevende hij vastberaden op het aanrecht af.
"Trek jij maar iets moois voor mij aan"sprak hij, terwijl hij intussen naar me knipoogde.
Vanuit mijn ooghoek zag ik hoe hij aardbeien, slagroom, ganzenlever, een doos raketjes en een fles champagne voor zich uitstalde.
Voor ik met mijn ogen kon knipperen werd ik, zo goed als naakt geblinddoekt vastgezet op een keukenstoel, de handen op de rug gebonden. Met de mededeling mijn mond geopend te houden en mijn tong zo ver mogelijk uit te steken.Ik rilde van opwinding.
Toen ik uiteindelijk, emigszins besmeurd los gemaakt werd mocht ik in bed gaan liggen en werd mijn hele lijf (met speciale aandacht voor bepaalde kwetsbare delen) versierd met slagroom, en vervolgens schoon gespoeld met champagne. 's Ochtends waren de lakens ranzig en plakkerig en roken naar zure room.
De katten waren niet meer uit de slaapkamer weg te slaan.
Het deed mij denken aan het hilarische verjaardagsspelletje waarbij je als kind geblinddoekt werd en gedwongen werd te proeven wat er in je mond werd gepropt. Meestal was dat achtereenvolgens suiker, sambal en groene zeep.
Ook toen al vond ik het spannend. Dingen opeten die je niet lust, kent of die je griezelig vindt; dat is eng.
Zijn we allemaal als kind niet in min of meerdere mate getraumatiseerd door onze vaders en moeders? Gekweld met tot de rand gevulde borden en de bijbehorende boodschap: Je blijft maar net zo lang aan tafel zitten tot je het op hebt!
Ik ken schokkende verhalen van kinderneusjes die hardhandig dicht geknepen werden en lepels met walgelijke groene smurrie die naar binnen werden geforceerd. "Denk aan de arme kindjes in Afrika!"
Enorme gevolgen hebben soortgelijke ervaringen op mij gehad.
Namelijk dat ik een zeer selectieve eetster ben geworden, een snob als u wilt. Ik lust geen Hollandse pot, geen stamppot en geen spruitjes, ik walg van draadjesvlees met vet en krijg braakneigingen van rode kool. Mijn eigen kinderen hebben zulks nog nooit gegeten, omdat ik het nooit op tafel heb gezet. Maar ik ben niet eenkennig.
Ik eet gewoon alleen wat ik lekker vind. Ik heb een goede neus en verfijnde smaakpapillen en ik vind ook dat een gerecht er op een bord mooi uit moet zien. Ook eet ik nooit voor de televisie, met mijn bord op schoot, maar dek altijd de tafel. Eten is voor mij iets wat leuk en lekker moet zijn. Een feest der zintuigen en een moment van ontspanning en samenzijn. Genieten.
Zo nu en dan overkomt het me wel eens dat ik buitenshuis iets voorgeschoteld krijg wat me even de adem beneemt. Een hapje wat zo bijzonder is dat het me de ogen doet sluiten en alles om me heen doet verdwijnen. Een extatische eetervaring, een smaakexplosie, foodporno.
Het komt niet vaak voor, maar wanneer het gebeurt is het een onverwachte, overweldigende ervaring.
Een geruststellende gedachte voor later. Dat op mijn oude dag, wanneer mijn ledematen broos zijn, mijn haren wit en mijn huid gerimpeld het genot van een orgastische belevenis nog tot de mogelijkheden behoort.



Wednesday, 18 June 2014

Warme melk

"Ik kan niet slapen!" klinkt het op klaaglijke toon.
"Ik kom er aan" roep ik naar boven. Ik hijs mezelf zuchtend van de bank en loop de keuken in, open de ijskast en vul een beker met melk, ik zet de beker in de magnetron en wacht lijdzaam tot hij warm is.
Intussen tuur ik om de hoek en probeer ingespannen het programma op de televisie te volgen.
Dan sjok ik de trap op met de beker in mijn hand.
Het licht van de gang valt even op het gezicht van mijn zoon als ik de deur van zijn slaapkamer open doe.
Een smal koppie met grote amberkleurige ogen die me treurig aankijken.
Ik zet de beker op het nachtkastje en ga op zijn bed zitten.
Wat is er aan de hand jongen? Ik schuif het gordijn een klein stukje open zodat ik zijn gezichtje weer een klein beetje kan zien. Onze schaduwen worden op de muur geprojecteerd door het strakke maanlicht.
Hij veegt zijn hand over zijn ogen om een paar opwellende tranen te slim af te zijn.
Ik weet het niet mama.
Kom eens even bij me, zeg ik en ik buig me over hem heen en pak hem vast.
Twaalf jaar  is hij en hij bevindt zich nog net in die bijzondere wereld. De wereld van kwetsbaar mogen zijn, gek mogen doen, afhankelijk en zorgeloos mogen zijn en op de vanzelfsprekenheid van het leven te vertrouwen. Een nog afgebakend bestaan.
Hij vind het nog net fijn om af en toe lekker ingestopt te worden, om geknuffeld te worden en doodgekieteld. Nog maar net. Maar het echte zorgeloze kinderbestaan is eigenlijk al over. Er is al huiswerk, er zijn al leuke meisjes die zich soms onbegrijpelijk gedragen en klootzakken van onderwijzers. Er wordt al behoorlijk geredeneerd en getwijfeld in zijn jongenskoppie. Langzaam begint zijn leven gecompliceerder te worden.
Een afscheidszoen op het schoolplein zit er niet meer in. Het zal waarschijnlijk niet lang meer duren of hij zal ook thuis mijn moederlijke knuffels en troostende armen afweren.
Maar nu houd ik hem stevig vast en voel hoe zijn onrust langzaam wegebt. Het komt wel goed jochie, fluister ik in zijn oor.
Ik voel hem langzaam tegen me aan smelten. Tot ik weet dat hij weer rustig is en in slaap kan vallen.
Drie kinderen heb ik en hij is de jongste. Twee meisjes die al onder de categorie "jonge vrouwen" vallen. Die op straat nagefloten worden. Die hun nagels in dezelfde kleur lakken als ik. Die dezelfde boeken lezen als ik en mij erop wijzen welke nieuwe muziek de moeite waard is om te beluisteren. Jonge vrouwen die hun eigen boontjes kunnen doppen.
Over drie weken is de lagere school verleden tijd. "Fijn" zegt men tegen mij, dan krijg je eindelijk "tijd voor jezelf". Kom je "eindelijk weer eens aan bepaalde dingen" toe.
Op zolder slingert hier en daar nog een half ontklede Barbie of een kapotte action man. Struikel ik bij het opruimen wel eens over een vergeten Lego blokje en vind ik ergens onder in een doos soms een Nijntje poppetje, een Jip en Janneke boek of een versleten knuffelbeer.
Het zijn al herinneringen.Getuigen van voorbije jaren.
Ik  sluit de deur van mijn zoons kamertje behoedzaam en duw de kat die opgetogen met opgeheven staart naar binnen wil glippen nog net weg.
Beneden is het tv programma reeds afgelopen en zoals te verwachten heb ik het plot gemist.
Ik vind het niet erg.
Dit zijn momenten die ik moet koesteren. Ik mag nog even moederen.

's Ochtends gaat de wekker vroeg. Ik smeer boterhammen met Nutella en zet een kopje thee en een kopje koffie.
Dan stappen we samen op de fiets.
Als snel komen we in een stroom fietsende scholieren terecht. Ze zijn stuk voor stuk erg lang en ze ogen volwassen.
Voor de poort van het lyceum stappen we af. We moeten oppassen niet door de fietsers geraakt te worden want we worden links en rechts gepasseerd.
Gelukkig komen we heelhuids aan bij de hoofdingang.
Hier is je tas, zeg ik met een geforceerde glimlach. Heel veel plezier op je eerste schooldag.
Hij loopt behoedzaam naar binnen, draait zich nog een keertje om en verdwijnt dan in de menigte.
Even sta ik verdwaasd op de stoep. In mijn eentje. Ik haal diep adem en stap op mijn fiets.
Maar voor ik weg kan fietsen staat er plotseling een jongetje voor mijn neus. Een heel klein jongetje met een hele grote tas op zijn rug.
Mevrouw zegt hij met een dun stemmetje, kunt u mij helpen?
Ik fiets met hem mee naar de stalling waar hij met enige moeite zijn veel te grote fiets op slot weet te zetten zonder om te vallen.
Dan volgt hij me terug naar de hoofdingang.
Dankuwel mevrouw, zegt hij tegen me. Zijn wangen zijn vuurrood.
Mijn moeder moest werken en mijn vader moest op de baby passen vertelt hij. Ik ben al groot genoeg om alleen te gaan.
Zijn blik is vol ongeloof.
Het jongetje bibbert een klein beetje als ik de deur voor hem openhoud. Het lukt hem met tas en al naar binnen te manoeuvreren zonder de zware deur tegen zich aan te krijgen.
Je bent zeker groot genoeg! Roep ik hem na. Het komt helemaal goed!
Opgelucht stap ik op mijn fiets en keer terug naar huis.
Ik kan een glimlach niet onderdrukken.


Tuesday, 27 May 2014

Copa cobana

Elke keer als ik het liedje van Barry Manilow hoor moet ik even aan jou denken.
"His name was Rico, he wore a diamond" Het is een geweldige evergreen; een kraker die nog regelmatig  op Sky radio of bij 's werelds langstlopende radioprogramma Arbeidsvitaminen te beluisteren is.
Muziek voor de huisvrouw en de stratenmaker. Voor wie wel wat muzikale afleiding kan gebruiken tijdens het ramen lappen of het loswrikken van oude stoeptegels.
Iedereen weet  wel een deel van de tekst; iedereen kent de melodie.
Voor mij is het liedje een aanknopingspunt naar een herinnering. Naar jou, mijn vriendje van vroeger. naar lang geleden.
We waren een jaar of vijftien toen we elkaar leerden kennen. Zaten allebei op dezelfde school; in de pauze stonden we altijd bij elkaar.
Al snel zagen we elkaar ook na school. Omdat jij iets ouder was dan ik keek ik een beetje tegen jou op.
We werden goede vrienden.
Vaak bleef je slapen, in het kleine benedenhuis in de Eerste Helmersstraat. Mijn ouders waren toen nog getrouwd. Jij sliep op de stretcher, ik in mijn eigen bed. We waren verbaasd toen mijn vader dat ineens niet meer toestond. Mijn oom Guus, die ook in de kamer zat, verklaarde:" Jullie zijn pas zestien jaar. Je kunt misschien al heel goed autorijden, maar dat mag je ook nog niet".
Ik was verontwaardigd; we waren immers maatjes, niets meer dan dat.
Je at ook zeer regelmatig mee. Mijn ouders vonden je aardig, je hoorde er een beetje bij.
Op mijn kleine kamertje luisterden we naar discomuziek. We rookten stiekem Marlboro's, ik vertelde jou prive dingen over mijn vriendjes, jij  over jouw vriendinnetjes. Soms ontsnapte ik van huis door het grote raam open te schuiven en stiekem de stad in te gaan. We dwaalden door het nachtelijk Amsterdam tot ik niet meer naar huis durfde.
Samen gingen we naar feestjes, naar het Vondelpark en naar onze vaste discotheek op de Prinsengracht. In de vakanties ging je  mee naar onze boerderij in Groningen. We waren altijd samen.
Er werden flauwe grapjes over gemaakt, maar we trokken ons er niets van aan.
Op een dag had ik zo'n ruzie met mijn ouders dat ik boos van huis wegliep. In paniek belde ik jou. Je wachtte me op voor  het Americain hotel en probeerde me te helpen onderdak te vinden.
Het Americain was de plek waar we altijd afspraken en waar we geintjes maakten over de ouderwetse obers. Harry Mulisch zat er vaak, en soms Simon Carmiggelt, dat vonden we wel interessant.
Een enkele keer gingen we ietwat gegeneerd naar Mac Donalds. "Als ik volwassen ben ga ik nooit meer naar Mac Donalds" beloofde je plechtig. "Dat kan dan echt niet meer".
Ik vond dat je gelijk had.
Je was mijn rots in de branding. je was mijn vriend.
Toen mijn ouders steeds vaker ruzie kregen besloot mijn moeder tijdelijk te verhuizen. Als reactie was mijn vader nauwelijks nog thuis. Dan zat ik alleen.
Gelukkig hield jij me vaak gezelschap. Samen zaten we in de woonkamer en we praatten. We beschouwden onszelf als jonge intellectuelen, we besloten te stoppen met luisteren naar discomuziek en draaiden de langspeelplaten van mijn vader: Nat King Cole, Sarah Vaughn en Billie Holiday.
We filosofeerden en beoordeelden het leven vanuit onze jeugdige en ietwat arrogante overmoed. Toch waren we ons ergens bewust van een sprankje bitterheid, een stukje onzekerheid wat we echter goed wisten te verbloemen als we samen waren.
We waren het meestal met elkaar eens. Naast een bijzonder wereldbeeld deelden we een stukje cynisme en een apart gevoel voor humor.
We spraken af dat als we kinderen zouden krijgen  we samen zouden gaan shoppen in de PC Hooftstraat. Ook zouden we ooit samen in de Eerste Helmersstraat gaan wonen. Maar eerst moesten mijn ouders het bijleggen en naar Groningen verhuizen.
We maakten samen veel plannen.
Maar op een onverwacht moment veranderde er iets tussen ons.
Op een vroege ochtend klopte je bij mij aan en ik liet je zachtjes binnen. Ik bood je de helft van mijn bed aan en een stukje van mijn hoofdkussen. Je schoof tegen me aan, en ineens voelde ik je strelende hand.
Die nacht veranderde onze vriendschap voorgoed.
Vanaf dat moment werd ik verlegen als ik je zag. Ik begreep niet meer wat ik voelde en ik durfde het niet tegen je te zeggen.
Ons contact veranderde. Vriendschap maakte plaats voor verlangen. Ik had nooit gedacht dat ik dat zou voelen bij jou.
Het voelde breekbaar en onzeker.
Een van de laatste keren dat we bij elkaar waren had ik het huis weer helemaal voor mij alleen.
We besloten in het grote bed van mijn ouders te gaan slapen. Ik weet nog goed hoe donker en stil het was.
Ik herinner me nog precies jouw woorden; dat ik het eerste meisje voor je was. En ik weet nog goed wat ik terug heb gezegd en hoe kwetsbaar we allebei waren.
Het was een mooie maar ook een tragische ruil.
Een gelijk oversteken: Mijn vriendschap voor jouw maagdelijkheid.
Een deal die de moeite waard was maar die mijn hart brak.
Een winst en een verlies.
Een einde.

Vorige week was ik voor het eerst sinds jaren weer terug in de Eerste Helmersstraat. Samen met mijn man en mijn kinderen.
Mijn oude straat. Het was allemaal nog even vertrouwd. Het kleine benedenhuis stond te koop.
Voorzichtig heb ik mijn neus tegen het raam aangeduwd en naar binnen gekeken.
Ik vond het dapper van mezelf. "Dit is oma's oude huis" heb ik tegen mijn kinderen gezegd.
Toen ben ik weer verder gegaan.