Friday, 5 December 2014

Naar huis

Wanneer ik met mijn auto over de ring van Amsterdam rijd krijg ik even een raar gevoel:
Ik wil naar huis.
Ik neem de afslag en rijd ik via het Surinameplein de Overtoom op. Het is zo vertrouwd dat ik niet hoef na te denken hoe ik rijd. Dit is mijn buurt.
Als ik halverwege ben gaat er een schok van realisatie door mij heen; Naar huis? Maar ik woon hier helemaal niet meer.
Ik woon hier al ruim vijfentwintig jaar niet meer.
Een rilling loopt over mijn rug. Wat doe ik? Waar ben ik naar op weg? Is er sprake van vroege Alzheimer?
Toch rijd ik door. Onderweg komen herinneringen weer tot leven. De plek waar mijn lagere school ooit stond en waar ik in het speelkwartier buiten speelde, De straat waar mijn vriendin woonde, Heel lang stonden onze initialen daar nog op de muur. Ik kan het net niet goed zien.
Er is veel veranderd, maar het karakter van de straten, de huizen en de sfeer is onveranderd, het gevoel is onveranderd.
Wel mis ik de oude winkels. De visboer waar we als schoolkinderen zure bommen kochten. En de  houtzagerij waar ik altijd speciaal langs liep omdat het er zo lekker naar zaagsel rook. De ouderwetse schoenenwinkel waar een hele oude griezelige man in het donker achter de toonbank zat.

Ik ga naar huis. Hoe vaak heb ik dat gedacht toen ik hier als kind liep. Op de terugweg van de lagere school. Zes jaar lang, dag in dag uit.Opgelucht dat de dag eindelijk om was. Vaak liep ik het hele stuk alleen.De weg was niet altijd zonder gevaren.
Ik wil naar huis! Ik hoor het paniekerige stemmetje nog in mijn hoofd wanneer ik als achtjarige klem word gezet door een groepje kinderen van een andere school. "Waar wil jij heen?" vragen ze dreigend in koor."Ik wil naar huis"stotter ik.
"We gaan je in elkaar slaan trut" antwoorden ze lachend. Ik kan me nog net op tijd losrukken en de benen nemen. Ik ren zo hard als ik kan. Mijn hart bonst in mijn keel, tranen rollen over mijn wangen, de wind striemt mijn lange haren in mijn gezicht. Nooit eerder rende ik zo hard. Drie blokken ren ik aan een stuk. Ik val op mijn knie maar sta weer op.Vlak voor de deur durf ik pas te stoppen. Ik kijk om me heen maar er is niemand te zien. Ik kijk naar beneden, mijn broek is kapot en mijn knie bloedt maar ik voel niets.

Ik moet nog een klein stukje, voorbij de stoplichten en dan naar rechts. Ik hoop dat ik ergens kan parkeren. Overal is verkeer, het is een gekkenhuis van auto's, trams en fietsers. Ik voel een lichte paniek opkomen.
Wat zou het fijn zijn om straks naar binnen te lopen, door de lange gang. Mijn moeder staat in de keuken en ik ben zo ontzettend blij haar te zien. Ze is druk bezig en ze lacht even naar mij  "Ben je er al?"roept ze naar me. Ze is zoals altijd, levendig, druk en vrolijk, en ze zingt. Ze zingt altijd als ze in de keuken bezig is.
Ik weet niet wat voor dag het is, maar mijn vader is er ook. Hij zit achter de piano met zijn rug naar mij toe en hoort mij niet binnen komen. Hij speelt een nummer wat hij erg mooi vindt. Hij speelt het vaak. Zo vaak dat ik de tekst ook uit mijn hoofd ken: Ain't misbehavin I'm saving my love for you".
Ik sta even stil om naar hem te kijken. Ik schat dat hij een jaar of veertig is, hij draagt een spijkerbroek en een houthakkeroverhemd. Ik kijk gefascineerd naar zijn handen die vluchtig over de toetsen bewegen, van links naar rechts.
In de kamer zit mijn zusje op de bank. Ik wist niet dat ze er ook zou zijn. Even kijkt ze op en dan leest ze weer verder. Ze veegt haar lange haar nonchalant uit haar gezicht.  Ik ben gek op dat prachtige, lange haar. Dat golvende haar wat nonchalant over haar schouders danst.
Op de kast zit onze lapjeskat. Voor de kachel slaapt een van de honden.
Mijn lievelingshond duwt met zijn neus tegen mijn been. Hij kwispelt. Ik zak door mijn knieen en sla mijn armen om hem heen. Hij is nog niet ziek, zijn ogen glanzen en zijn neus is nat. Hij is helemaal gezond.

Ik schrik op van getoeter achter mij. Het stoplicht is groen.
Van schrik laat ik de motor afslaan.
Gehaast trap ik het gaspedaal in. Dan rijd ik de andere kant op.
Niet zo erg ver hier vandaan. Naar een andere plek. Waar op mij gewacht wordt.
Waar ik hoor te zijn. Nu.







Tuesday, 11 November 2014

De billen

Hij woonde naast mij op een hoog, Zijn grote zus Renate speelde met mijn grote zus Loes en wij speelden met elkaar.
Erik en ik waren zes jaar. Heel af en toe speelden we voor de deur, maar meestal speelden we thuis, in de veilige nabijheid van onze moeders.
Wij hadden een zandbak en een schommel in de tuin en als het heel mooi weer was zette mijn moeder een opblaasbadje neer. Op het bovenhuis waar Erik en Renate woonden was er minder speelgelegenheid dus kropen we daar meestal samen in bed.
We klommen in het stapelbed en kropen samen onder de dekens. Wat we precies deden weet ik niet meer, maar dat we stiekem aan elkaar voelden weet ik nog wel. Onder de dekens, zodat niemand  het kon zien en het extra spannend was, zo in het donker.
Ik kan me herinneren dat ik het spelletje onder de dekens wel en niet wilde. Allebei tegelijk. Eigenlijk wilde ik het niet maar kon ik het niet laten dus wilde ik het toch wel, of zoiets. We noemden het spelletje "De Billen". Het dokterskoffertje van Erik kwam soms goed van pas als we "De Billen"wilden doen.

In de buurt waar wij woonden was een bakker op de hoek, een groentenman op het plein, er was een groot park en aan de kade stond de kerk. Hoewel ik in de grote stad ben opgegroeid was mijn buurt heel overzichtelijk en had het bijna iets weg van een dorp.
De kade vond ik als kind iets griezeligs hebben. Het water was zwart en diep en rook bedorven, sommige van de bootjes die er lagen waren half gezonken en boden een trieste aanblik. De kerk stond er donker, bewegingloos en doods.
Boven de ingang van de kerk zaten altijd een stel aftandse duiven. Ik was doodsbang voor die duiven die in grote groepen tegen elkaar aan geklit zaten en continu nare, schraperige roekoe geluiden maakten.
Sommige duiven misten een stuk van hun poot of ze hadden een lamme vleugel. Het waren trieste excentriekelingen die zo uit een film van Hitchcock leken te zijn gevlogen.
Er was een kleine winkel naast  de kerk waar nooit iemand kwam en waar je bijbels, rozenkransen en psalmenboeken kon kopen. De winkel was minstens zo griezelig als de doodse kerk en de kade met het donkere koude water. Er werkten twee stoffige stokoude vrijgezelle dames die boos uit hun ogen keken en ongetwijfeld niet van kinderen hielden.
De vader en moeder van Erik en Renate heetten Oom cor en tante Wil.
Ze waren heel verschillend dan mijn ouders. Ze waren een stuk strenger en hun huis zag er altijd ontzettend netjes uit, griezelig netjes. Alsof tante Wil continu met de stofzuiger en zeem in de weer was.
Het gezin ging elke zondag naar de kerk en op een zondag tegen de kerst moesten wij een keer mee. Naar de kinderkerk want dat was heel erg leuk.
Renate had Loes overgehaald en waar Loes ging, ging ik ook. Hoewel ik natuurlijk helemaal niet wilde.
Het was de eerste keer dat ik de deuren van de kerk geopend zag.  Het was alsof het gebouw toch een beetje tot leven kwam.
Aan de hand van mijn grote zus liep ik schoorvoetend de kerk binnen. Alles was zo immens groot en ik was zo ontzettend klein.
In de kerk was een zee van kaarsen en helemaal voorin was een levensgrote kersstal geplaatst. Een  houten koe, een schaap en een man met een tulband op zijn hoofd stonden in een kring om twee gebogen figuren met gevouwen handen die Jozef en Maria voorstelden. Tussen hen in stond een houten kribbe.
De baby in de kribbe had een gezicht als van een oud mannetje. De verf was er gedeeltelijk afgebladderd wat het er niet beter op maakte.
Toen alle kinderen rustig op de kerkbanken zaten en iedereen stil was moesten we gaan zingen.
Ik deed mijn best om mee te zingen maar de meeste kerstliedjes gingen heel anders dan ik gewend was. Daarom hield ik mijn mond maar en wachtte tot het tijd was om weer naar huis te gaan.
Ik moest nodig plassen, maar in de kerk was geen wc.
Toen het afgelopen was kregen we bij de uitgang allemaal een cadeau en dat maakte veel goed.
De jongens kregen een auto en de meisjes kregen een pop.
Een paar dagen later kwam Erik bij mij spelen.
Het was een koude dag, maar omdat het zonnetje scheen mochten wij voor de deur.
Mijn moeder had een nieuwe wasmachine en de doos was zo groot dat wij er samen in pasten; Erik en ik.
Voor de deur was het echter niet veilig en een groepje rotjongens duwden de doos omver.
Toen zette mijn moeder de doos bij ons in de gang.
Hier was het veilig. Mijn moeder was in de buurt en er kon niets meer gebeuren.
We zaten samen in de doos en de verleiding was groot.
Zullen we "De Billen"? vroeg mjn gelovige buurjongetje spontaan.
De toon waarop hij het uitsprak was net iets te luid en mijn moeder, die een klein stukje verderop bezig was in de keuken stoof verontwaardigd op ons af.
"Dat feest gaat mooi niet door"! sprak ze boos. In haar hand hield ze dreigend een pollepel.
Binnen een mum van tijd werd Erik naar huis gestuurd en de doos plat gemaakt en bij het vuilnis gezet.
Daarna werd er nooit meer over gesproken.
Niet door mijn moeder, niet door mijn vader en ook niet door Erik.
En ik mocht nooit meer mee naar de kinderkerk.









Monday, 20 October 2014

Zilt.

Op onze slaapkamer staat een klein aandenken aan een dagje strand, lang geleden.
Het is een foto van ons samen, Mijn dochtertje van vijf heeft hem gemaakt.
We zijn een dagje in Zandvoort met z'n drietjes. Het is niet zo erg warm.
Jij en ik, we zijn verliefd. Elk moment is magisch, als we maar samen kunnen zijn.
Mijn dochtertje is nog zo klein.
Ze wil haar schoentjes en sokken uit.  Dat mag van mij.
In gedachten zie ik haar aan de vloedlijn staan, haar mollige voetjes in het natte zand . Blozende bolle wangen, warrige blonde krullen, een snotpegel aan haar neusje. In de verte de donkerblauwe lucht en de zon die in de uitgestrekte zee dobbert.
We wijzen samen naar de grote schepen die op het randje lijken te varen, precies waar de horizon zich bevindt.
Grote zwarte schepen die stil lijken te liggen in de golven.
We kussen elkaar en onze lippen zijn koud en vurig tegelijk.
Als ik naar de foto kijk voel ik me weer die verliefde jonge vrouw.
Voel ik dat kleine kinderhandje weer in de mijne, jouw sterke arm om mijn schouder.
Het strand vormde zo'n  mooi decor voor onze ontluikende liefdesrelatie.

Twee jaar later zijn we weer terug op dezelfde plek. We zijn nu met z'n vieren. Het is lastig voor jou om door het rulle zand te ploegen met de kinderwagen, daarom trek je hem achter je aan. De wielen vormen een grillig spoor achter ons.
Mijn dochtertje heeft haar sokjes en schoentjes al uit en huppelt voor ons, ze heft haar armpjes naar de hemel en roept "hallo zee, hallo meeuwen, hallo vissen!".
Ik draag de baby in mijn armen. Ze draagt een zonnehoedje.
Het is zomer en het is erg druk. Wanhopig zoeken we naar een plekje.
De baby huilt, de golven ruisen, de zon schaterlacht.
Ik heb een picknickmand meegenomen van huis. Het zand zit al snel overal; het knarst tussen onze tanden en zit zelfs tussen de schroefdop van de limonadefles.
Als ik de baby ondersteun kan zij een beetje rechtop zitten. Ze duwt meteen verwonderd haar knuistjes omlaag en probeert met grote onhandige happen het zand te proeven.
Naast ons zit een groepje jongeren, ze hebben een radio bij zich die hard aanstaat.
We blijven niet lang op het strand.
Op de terugweg komen we vast te zitten in de file. De kinderen huilen nu allebei. Het is snikheet in de auto. Ik ben doodmoe en mijn tong plakt aan mijn gehemelte. Ik kijk naar jou en naar de kinderen en voel me gelukkig.

Een paar jaar later zijn we op een nazomerse middag weer terug. We zijn nu met z'n vijven; jij, ik, twee meisjes en een klein jongetje wat op jou lijkt. Hij is drie jaar en vastberaden een zandkasteel te gaan bouwen.
Ook al zijn we hier een tijdje niet geweest, de zee oogt onveranderd en ook het strand lijkt identiek.
Het is een geruststellend beeld.
We gaan met de kinderen naar een ouderwetse souvenirwinkel. Voor de deur staan parasols, opblaasbedden en strandstoelen uitgestald en er hangt een hangmat. In de etalage bungelen zeesterren aan doorzichtige touwtjes en ook een dikke opgeblazen vis met stekels en zoenlippen. We kopen een schepnet, een windmolentje en een papieren zakje met hagelwitte schelpen.
Opgetogen stappen we met onze aankopen richting zee. Onze zoon neuriet een liedje.
Maar als we heel dichtbij zijn slaat het weer om.  Grote, donkere wolken pakken zich samen en de zee kleurt plotseling zwart.
Het begint te waaien.
We zijn nog net op tijd bij de auto voor een regenbui de straten overstroomt.

Toen ik nog klein was nam mijn moeder ons mee naar zee. Mij en mijn zusje. Ik moet heel jong geweest zijn maar toch herinner ik me het nog goed.
Ik herinner me mijn moeder. Mama. Ik herinner me hoe ze mij in haar armen hield. Sterke, warme armen. Mijn neus tegen haar huid aangedrukt. Haar geur van vers warm brood vermengt met Delial zonnecreme, veiligheid.
Ik herinner me mijn zusje en hoe mooi ik mijn badpak vond.
Vaag kan ik me herinneren hoe moe ik was. Hoe mijn slaperige tranen op mijn wangen plakten, vermengd met zand en een gesmolten waterijsje.
Hoe ik tegen mijn moeder aan in slaap mocht vallen. Opgekruld in haar sterke armen, liggend op een zanderig badlaken, in de verkoelende schaduw van twee rieten strandstoelen.
Het is een warme herinnering.

Ik ben op onze slaapkamer en houd de foto van ons samen vast. Ik sta voor het raam en kijk naar buiten. Een groep meeuwen vliegt schreeuwend langs. Ik kijk naar onze foto en veeg een laagje stof van het lijstje. Dan zet ik hem terug en laat ons weer achter daar, op het strand, lang geleden. Onbevangen, jong, ongecompliceerd.
Er rollen tranen over mijn wangen.
Zilte tranen.
Strandtranen.




















Wednesday, 24 September 2014

Storm en regen

De kastanje voelt glad aan in mijn hand. Hij is perfect; glanzend en nieuw. Het zachte omhulsel waar hij precies in paste ligt op de grond. Tussen bruine nat geregende bladeren en twijgjes.
Het waait venijnig op de brug. Het is deze herfstwind die ervoor gezorgd heeft dat de kastanje uit de boom viel.
Op het asfalt van de brug.
Het doet me denken aan de tijd dat ik een kind was. We woonden dichtbij het park. De herfst was toen al niet een van mijn favoriete seizoenen. Huiverend liepen wij kinderen 's ochtends in het donker naar school. Plassen ontwijkend. Met onze handen diep in onze zakken. Angstig omhoog kijkend naar de vervaarlijk zwiepende takken van de hoge bomen langs de weg.
De zomer was nog maar net voorbij. Met haar uitgelaten, manische vrolijkheid van zonovergoten dagen en tomeloze energie die wekenlang voortduurde.
 Maar die onverwacht plaats had moeten maken voor deprimerende dagen zonder begin en einde.
Het piekertijdperk. Het deel van het jaar dat alles wat de natuur had eerder laten groeien en bloeien nu amechtig ineen liet zakken, verpieteren en verdorren.
De tijd van het jaar waar volgens mijn moeder mensen bij bosjes hun verstand verloren: "Dat komt door het vallen van de bladeren".
Vooral in Groningen, op de boerderij, was de herfst een vervelend en pessimistisch jaargetijde.
De huilende wind, de eindeloze regenbuien en het donker. Vooral dat afschuwelijke donker.
Het donker waar geesten, trollen en andere schimmige figuren een schuilplaats konden vinden.
Het erf rond de boerderij was in de herfst vanaf de namiddag gehuld in naargeestige duisternis.
In Amsterdam leek het licht gelukkig nooit helemaal uit te gaan. De talloze lampjes in de straat en de verlichte ramen van de buren boden mij een geruststellende aanblik..
Op het platteland  huilde de herfststorm met lange uithalen rond het oude huis dat onder dat geweld van ellende leek te kreunen en kermen.
Ik kon de geluiden van dat oude huis nooit thuis brengen. Ze deden me huiveren en jaagden me vaak de stuipen op het lijf. Naar buiten vluchten was geen optie. Daar was de grond zacht en doordrenkt van vochtige rottende bladeren en walgelijke zwammen. Te midden van deze treurigheid kon je  soms het eenzame ontbindende lijkje van een veldmuis of ander klein knaagdier aantreffen. Het verval leek er erger dan in de stad waar de stoepen netjes schoon waren.
Daar wilde ik liever zijn.

Nog altijd ben ik liever in de stad.
De stad is de juiste plek om je te verschansen. Ook als de herfst zijn intrede doet. Als herinneringen je achtervolgen en heimwee aan je hart kriebelt.
Daar kan ik me terug trekken in de veilige cocon van mijn goed geisoleerde huis waar het niet spookt.
Of ik kan me mee laten slepen door het nachtleven en mijn gepeins laten vervliegen in de drukke dansende menigte. Hier in de stad kan ik me voor bereiden op de winter die in aantocht is.
Hier kan ik mijn angst een onderkomen bieden.
De herfst confronteert me onverhoeds met het gevoel dat mijn jeugd achter me ligt.
Wanneer ik ontwaak en het sombere begin van de nieuwe dag op zie doemen besef ik dat niet alleen de natuur om mij heen verandert, maar ikzelf ook.
Lente, zomer, herfst en winter. Het zijn  periodes waar ik zelf ook doorheen lijk te gaan.
Laat mij nu maar even. Laat me een traantje wegpinken om de verwelkte bloemen in de tuin, de vlinders die zomaar verdwenen zijn en de merel die gestopt is met zingen.
Laat mij maar even een kort moment terugkijken naar het jaar dat voorbij is.
Dan ga ik wel weer verder.
De kastanje in mijn hand. Het is een klein hoopvol sieraad.
Er gaat een belofte in schuil. Een troost.








Wednesday, 10 September 2014

Verlaten

Een paar keer per week fiets ik er langs: Het huilende huis.
Gedurende de jaren dat ik het passeer heeft het huis de hoop opgegeven.
Een jaar of tien geleden stond het net leeg. Het huis was nog trots en vol vertrouwen. Het keek uit naar nieuwe bewoners, ondanks het heimwee dat het had naar degenen die het verlaten hadden.
Het huis stond fier op zijn plek, in het mooiste deel van de oude stad.
Zonder arrogant te willen zijn was het huis zich bewust van het feit dat het opviel.
Omdat het groter dan de andere huizen en geheel vrijstaand was. De mensen noemden het huis bewonderend: De villa.
Dan glommen de ramen van blijdschap.
Het huis was aan het begin van de vorige eeuw onder architectuur gebouwd.
Met balkons aan alle zijden en een riante tuin rondom.
Rond de tuin plaatste men een groen hek. Een vrolijk groen hek, waar vogels graag plaats namen om de bewoners toe te zingen.
In de tuin plantten de bewoners een kersenboom en tegen de gevel plaatsten zij rozenstruiken. Een schommel werd opgehangen.
Als het zomer was bloeiden de rozen en rijpten de kersen. Kinderen schommelden in de zon. In het gras stond een kinderfietsje en lag een pop.
Mensen die het huis passeerden keken glimlachend om.
Het huis was gelukkig.
Wat er precies is gebeurt weet het huis niet. Niemand weet het eigenlijk. In de kleine straatjes om de hoek zijn krappe woninkjes op een, twee en drie hoog.
De huisjes zijn klein en het tocht er, maar ze zijn allemaal bewoond.
Er spelen kinderen voor de deur. Mensen zetten hun fiets tegen de gevel wanneer ze thuis komen, openen de voordeur en lopen de trap op.
In de huizen is het warm en er brandt licht.
In het grote huis is het koud en kil en het is er altijd donker.
Sinds kort huilt het onafgebroken.
Een vreemd gierend geluid dat op de wind meegevoerd wordt.
De kinderen uit de buurt mogen niet meer bij het huilende huis spelen.
Er is iets niet pluis zegt men. Sommigen zeggen dat het er spookt. Ze beweren dat ze er geluiden hebben gehoord; pianospel en gelach en gefluister. En iemand zegt dat er af en toe licht brandt op een van de zolderkamers.
De tuin van het huis raakt steeds meer overwoekerd. Er groeit zelfs een boom, precies voor de voordeur. Een van de deuren is dicht gespijkerd en iemand heeft er een anarchistisch teken op geschilderd met de woorden: leegstand is stilstand.
Het hek is scheef gezakt en de verf bladdert af.
Het is heel lang geleden dat de voordeur voor het laatst geopend werd.
Dat het huis bewoond was:
Het jonge, verliefde paar dat er na hun huwelijkreis verrukt binnenstapte. De kinderen die op de grond van de woonkamer speelden. De familieleden die op visite kwamen als er iemand jarig was.
De poes die voor het raam zat.

Als ik langs fiets kijk ik altijd naar het huilende huis. Het doet iets met me.
Het huis lijkt zich te generen voor zijn verwaarloosde uiterlijk.
Dolgraag  zou het nieuwe bewoners welkom heten en ze verwarming, beschutting en bescherming bieden.

Het zal echter niet lang duren of de muren zullen gaan verzakken en de ramen breken. Het dak zal gaan lekken.
Wind en regen zullen naar binnen dringen. Het huis zal instorten.

Ik stop even met mijn fiets als ik het huis passeer; Het is alsof ik naar binnen gezogen word.
Ik knipper met mijn ogen en dan zie ik  dat er een vrouw in de deuropening staat
Boven in de slaapkamer zit iemand voor het raam. Een poes klimt in het raamkozijn.
In de tuin groeien rozen en er liggen kersen in een rieten mand onder een boom.

Een windvlaag steekt op. Ik huiver en knoop mijn jas dicht. Dan fiets ik door.
Zonder om te kijken.






Monday, 25 August 2014

Verlies

In de Reijam schoolagenda die ik op de middelbare school had, stond de tekst: Je komt er pas achter wat iets betekent als je het verloren bent. Erbij stond een flauwe cartoon van een raar mannetje die verbijsterd naar beneden staart in een ravijn.
Gemis, daling,gebrek, perte, schade, tekort, leed, klap, definieert het woordenboek.
Loze kreten.
Verlies knaagt. Het knaagt een gat in je hart en in je maag, het vreet zich vast in je lichaam.
Het nestelt zich in je buik en schopt af en toe als een ongeboren baby om aan te geven dat het er nog altijd is.
Het maakt cynisch, boos verdrietig en eenzaam. Het verkilt, verwondt en martelt.

Mijn vriendin stierf op het verkeerde moment. Ze stierf op het moment dat ze nog jong was. Ze had recht op geluk (ongeluk had ze al genoeg gehad). Ze had recht om haar kinderen op te voeden, tijd met ze door te brengen. Ze had recht op lopen, op rennen, op zonlicht, op regendruppels, op kersengebakjes, op natte zoenen, op kerst, op avondwandelingen, op verjaardagen, op kleinkinderen, op lachbuien, op leven!
Ze werd gedwongen haar dochters los te laten. Ze had hun handen vanaf de geboorte stevig vast gehad.
Het was ondenkbaar om die kinderhanden los te laten. Het kon nog niet.
De wereld was nog te onbekend, te groot en onoverzichtelijk.
Welke schoft zou eisen dat zij de handen van haar kinderen los zou moeten laten?
Welke idioot zou een moeder daartoe veroordelen?
Ik was er woedend over.
Ik heb gevloekt, gebeden, gemediteerd, gegild, tegen kastjes geschopt en regelmatig teveel gedronken.
Uit wanhoop ben ik maar gaan hardlopen. Door regen en wind, zo hard als ik maar kon, inwendig schreeuwend.
Mijn tegenstander was een onzichtbaar meedogenloos wezen.
En ook al daagde ik hem onverschrokken uit, hij nam het duel niet aan.
Het was zinloos en onnozel.
Ik had geen wapens, geen munitie, geen logica, geen kracht. Ik kon niet vechten en niet helpen.
Ik voelde me een schertsfiguur.
Dat ze kanker kreeg was raar en ondenkbaar. We probeerden het eerst weg te denken, af te schaffen, te weigeren en weg te sturen. Kanker? Nee dank u, misschien over een jaar of dertig?. We vroegen het beleefd.
Toen dat niet lukte volgde een ziekenhuisopname. Bestralingen, een operatie, chemo.
De prognoses waren goed.
Het duurde een klein jaar. Ik ben weer beter, zei ze toen.
U bent weer beter, zei de dokter.
Wat geweldig dat je weer beter bent! zei iedereen.
Op een middag stond ze weer voor mijn deur. Net als die eerste keer toen ze het knobbeltje in haar borst net had ontdekt.
Ik heb zo'n pijn, zei ze.
De huisarts wilde haar niet helpen. De specialist kon haar niet zien. De Eerste hulp stuurde haar terug naar huis.
Ze had zoveel pijn dat ze niet kon staan en niet kon liggen.
Na lang aandringen deed de huisarts toch iets; zij liet mijn vriendin opnemen in het ziekenhuis op de afdeling psychiatrie.
Gelooft u nou maar dat u beter bent. Dan gaat de pijn vanzelf weg zeiden ze.
Maar de pijn bleef.
Verlies: (zelfstandig naamwoord)  Het overwonnen worden.Het niet meer hebben van iets of iemand".

Buiten was het warm, eind augustus. Een van de laatste echt zwoele zomerdagen. Een dag waarop je gewoonlijk naar zee gaat, of op een terrasje neerstrijkt. Een dag waarvan de avond lang aanhoudt. Waar het niet donker wordt.
In het hospice was het koel. De gordijnen van haar kamer stonden op een kier. Het licht was gefilterd. Haar ogen waren gesloten toen ik weg ging.
Ik heb die middag heel lang haar hand vast gehouden. Heb haar gezegd dat ik van haar hield. Dat het goed was.
Toen ben ik naar huis gefietst en ben ik met het eten begonnen. Daarna hebben we in de tuin gegeten. Ik heb mijn kinderen naar bed gebracht en ben tot laat op gebleven.

Die dag is ze gestorven. Ik verloor mijn vriendin die dag.














.


Tuesday, 19 August 2014

Bang

Als kind was ik vaak bang.
Ik was bang voor de heks uit het sprookjesboek en bang voor de enge man uit de televisie serie.
Voor schaduwen op mijn slaapkamermuur, voor plotselinge geluiden in het donker en voor onweer.
In mijn herinnering onweerde het in mijn kinderjaren voornamelijk 's nachts, als mijn ouders niet meer op waren en ik alleen in mijn bed lag. Met het onweer kwamen alle heksen, enge mannen, schaduwen en geluiden mee. Ze verzamelden zich in mijn slaapkamer en verstopten zich onder mijn bed, op de gang en in stapeltjes kleren die rondslingerden.
Pas wanneer ik genoeg moed had verzameld vluchtte ik met bonzend hart mijn bed uit en rende struikelend naar de slaapkamer van mijn vader en moeder. De angst schoot vuurpijlen door mijn lichaam en prikte naalden in mijn voetzolen.
Om bij mijn ouders te komen moest ik door de spookachtig verlichte woonkamer. Het ergste was het onverbiddellijke geweld van de donder wat me onderweg leek te achtervolgen als een beest. Het bulderende lawaai waar geen ontkomen aan was en wat me de adem benam.
Toen ik twintig was heb ik in een recalcitrante bui ooit dwars door een onweersbui in de stad gefietst. Het was een zwoele zomerse nacht waarin plotseling het weer omsloeg.
Inwendig bevend maar ogenschijnlijk dapper heb ik naar de zwarte lucht gefronst terwijl ik mijn fiets van het slot haalde. Er was mij die avond gezegd dat je om je angsten te overwinnen je ze moest trotseren en dit leek me een goede gelegenheid. Bovendien was ik net vrijgezel, ik was aangeschoten en ik voelde me overmoedig.
De tocht door Amsterdam was verschrikkelijk; donderslagen volgden elkaar razendsnel op en hoog in de lucht zigzagde krakend het weerlicht. Mijn wangen werd gegeseld door minuscule hagelsteentjes en mijn voeten glibberden haast van de trappers. Hier en daar schuilde wat uitgaanspubliek onder een winkelpui, maar ik fietste gehaast door, ik kon nu niet meer stoppen met het beest op mijn hielen.
Toen ik thuis aan kwam was ik nat tot op het bot. Ik opende de deur naar de tuin en keek naar de neerkomende regen. Het onweer was nu bijna voorbij maar sputterde mopperend nog wat na, ergens ver weg, aan de rand van de stad. Ik hief mijn vuist naar de lucht en voelde me trots. Het was me gelukt.
Jarenlang leek mijn angst ook werkelijk minder.
Maar kort geleden schrok ik midden in de nacht wakker van een meedogenloze donderklap. Ik trilde over mijn hele lichaam en tranen stroomden over mijn wangen. Gelukkig was mijn man er om me aan vast te klampen, zoals daar vroeger mijn vader en moeder geweest waren om bij te schuilen. Maar ik realiseerde me: Ik ben nog steeds bang, net als toen.
Een heleboel andere angsten heb ik wel kunnen verdrijven. Ik heb ze de kop in kunnen drukken of simpelweg genegeerd.
Godzijdank, want ze maakten het me behoorlijk lastig.
Sommige van die angsten waren net zo onberedeneerbaar als mijn angst voor onweer.
Zo was ik bang om te reizen.
Als ik met de trein naar een bepaalde bestemming moest gierden de zenuwen door mijn lijf.
Ik was bang dat ik op de verkeerde trein zou stappen, bang dat ik het juiste station zou missen en dat ik over zou moeten stappen.
De gehele treinrit was ik gespannen en onzeker. Ik was bovendien bang dat iedereen zou zien dat ik bang was. Dat leek dan weer zo belachelijk dat ik me daar weer voor schaamde.
De figuranten: Personen die stuk voor stuk ontspannen doch gedecideerd met hun koffers onderweg waren. Zelfs diegenen die overduidelijk een andere taal spraken waren volstrekt ontspannen onderweg naar het juiste perron. Vanzelfsprekende reizigers. Normale mensen. Gewone mensen die van punt A naar punt B voort bewogen. Doodgewoon, niets engs aan.
Voor mij was het een bevestiging dat ik een vreemde was. Een buitenstaander. Temidden van al die doodgewone mensen die doodgewone dingen deden waar verder niemand bang voor was.
Ik had vroeger een vriendin die in haar eentje drie maanden door Amerika ging trekken. Dat was een ondenkbare gedachte voor mij: de rare angsthaas.
Ik was bang voor heel veel dingen, zonder het te begrijpen.
Voorts was ik er altijd van overtuigd dat ik veel dingen vast niet zo goed kon als anderen.
Ook was ik bang dat ik niet snel genoeg leerde, of als iemand me iets uitlegde ik het verkeerd zou doen en dat men me dan raar zou vinden.
Daarom durfde ik veel dingen niet aan.
Uit angst om raar te worden gevonden.
Vermoedelijk heeft er een kentering plaats gevonden toen ik op een dag besloot dat ik mezelf toch goed genoeg vond en dat het welletjes was.
Ondanks mijn vermoedelijke raarheid.
Ondanks wat anderen zouden vinden.
Toen veranderde er veel.
Mensen denken nu vaak dat ik dapper ben. Dat ik zelfverzekerd ben. Soms vinden mensen mij zelfs arrogant.
Maar dat vind ik niet erg.
Ik vind onweer erger.