Tuesday, 24 November 2015

Strooigoed

Voor mij als kind was het niet leuk om op 12 december jarig te zijn. Sinterklaas zat namelijk in de weg.
Mijn oma presteerde het eens om met lege handen aan te komen op mijn verjaardag, tegen mij te zeggen: "Je hebt al teveel cadeautjes gehad op pakjesavond"en mij daarna zwijgend aan te kijken.
Mijn zus had het beter voor elkaar aangezien die op 17 juli geboren was. Hoewel aan die datum ook wel wat nadelen kleefde omdat wij als gezin rond die tijd vaak op vakantie waren en een kinderfeestje er daardoor soms bij inschoot.
Ik kan me zelfs een keer tijdens een vakantie in Frankrijk herinneren dat mijn ouders zich in de datum vergist hadden en mijn zus jarig bleek te zijn.
Toch waren mijn ouders geen onverschillige mensen. In tegendeel, ze waren bijzonder betrokken en zorgzaam. Feest- en verjaardagen werden altijd uitbundig gevierd. 
Vooral mijn moeder haalde met Sinterklaas alles uit de kast met surprises en zelf geschreven gedichten.
Om de dag mochten wij onze schoen zetten. Wat overigens de volgende ochtend niet betekende dat er altijd iets in was gestopt.
Elke nacht bij het slapen gaan hoopte ik vurig op een pop als in "Oh kom er eens kijken".Maar altijd bleef het bij een suikerbeest of een chocoladeletter. "Iets groters past er niet in je schoen", legde mijn moeder uit.
Mijn zus Loes en ik vergeleken dan de ontvangen chocoladeletters. Ik kon er ook niets aan doen dat mijn naam met de letter R begon en dus groter was.
In mijn herinnering was Sinterklaas een geheimzinnige periode. In de koude en donkere decembermaand kon er van alles gebeuren. Zo werd er eens onverwacht zo hard op het raam gebonst dat het spontaan openzwaaide. De ijskoude wind blies tientallen sneeuwvlokken naar binnen die smeltend op het tapijt neerdaalden. 
Ik rende geschrokken naar mijn oudere zusje die mij troostend in haar armen sloot.
Maar mijn moeder had alles gezien en vertelde dat zij nog net de fluwelen handschoen van zwarte Piet in het raamkozijn had kunnen waarnemen . Dat was de dader. 
Toen wij, op aandringen van mijn moeder met de kinderen van de overkant Sinterklaasliedjes aan het zingen waren hagelde er, uit het niets, een flinke hoeveelheid strooigoed uit de schoorsteenmantel naar beneden.
Deze wonderlijke gebeurtenis vormde voor mij het waterdichte bewijs dat Hij echt was, De Sint, de Goedheiligman, Hij bestond!! Hoe had er anders strooigoed naar beneden kunnen dalen?
Op school vertelde ik het opgetogen aan de rot jongetjes uit de derde klas. Ha! Had ik die even mooi te pakken! Deze jongetjes brachten andere kinderen namelijk aan het huilen door middel van propaganda over een Sint die niet werkelijk zou bestaan. Over de man van de speeltuinvereniging die zich als Sint zou verkleden. Over vaders en moeders die heimelijk cadeautjes kochten.  Leugens. Allemaal leugens.
Ik kan me nog  herinneren dat ik eens op vijf december van school naar huis liep.
In mijn rugzak zat de stomme puzzel die ik van de cadeautjestafel had kunnen pakken. Ik, en nog een stuk of vijf minder slagvaardige kinderen hadden genoegen moeten nemen met wat er over bleef. De mooiste cadeaus waren allemaal al van de tafel gegrist door degenen die sneller waren.
Maar 's avonds was het bij ons thuis pakjesavond.
Er was een vuilniszak met cadeautjes. Er was banketletter die mijn moeder op de kachel opwarmde en er was warme chocolademelk.
We kregen klei, boeken en spelletjes.
Wanneer wij dan de volgende ochtend weer vroeg naar school liepen keken we bij het vuilnis altijd jaloers naar de enorm grote lege dozen van het dure speelgoed wat de buur kinderen hadden gekregen.
Ach. Sinterklaas. Achteraf was het een tijd vol slapeloze nachten. Vol stress,  angst en teleurstelling.
Maar de gebeurtenis met het strooigoed is me altijd bij gebleven als een van de mooiste uit mijn kinderjaren.






Thursday, 12 November 2015

Moeder

Wanneer de deuren van de trein zich openen drommen de mensen naar buiten. Het is een geheel. Een  kleurrijke kluwen. Als ik zorgvuldiger kijk zie ik gehaaste mensen,de blik op oneindig. Sommigen houden ongeinteresseerd hun telefoon in hun hand. Anderen sjouwen jachtig koffers of rugzakken met zich mee, . Te midden van deze ongedurige drukte valt zij me op. Een oude, breekbare dame met wit haar.  Ze heeft duidelijk moeite zich staande te houden in het gedrang. Ze lijkt haast te wankelen temidden van de stroom van mensen die doelbewust op weg lijkt te zijn. Ergens heen.
Sterke jonge gezonde mensen. Mensen die ergens verwacht worden. Mensen die het druk hebben. Onverschillige mensen.
Met enige moeite weet ze met behulp van haar kruk ongeschonden de treden van de trein af te klimmen en heelhuids op het perron te belanden. Niemand lijkt haar te zien. Haar ene heup lijkt scheef onder haar romp te zitten. Ik moet denken aan de etalagepoppen op mijn werk waar je de benen onder kunt schroeven. Wanneer ze stilstaat op het perron staat voel ik haar verwarring. Ze lijkt te twijfelen. Iedereen is inmiddels een bepaalde richting uit gegaan. Zij staat daar maar. Ze zucht diep en kijkt om zich heen alsof ze zich in een museum bevindt.
Als ik haar benader en vraag of het goed met haar gaat knikt ze me vriendelijk toe. "Even bijkomen".
Ik laat haar weer alleen.
Terwijl ik weg loop voel ik me droevig.  Een gevoel van melancholie drukt op mijn borst en beneemt me even de adem.
Dit zou mijn moeder kunnen zijn. Mijn gedachten gaan naar vroeger toen mijn moeder nog geen kwetsbare oude vrouw  was die nauwelijks meer kan lopen. Toen mijn moeder nog de rots in de branding was. De honkvaste figuur die er immer was.
Als ik een klein meisje ben is mijn moeder een warme, zachte veilige figuur. Ik houd van de geur van haar huid  wanneer ik mijn snoet tegen haar aan duw. Het zonlicht dat zch lijkt te absorberen in haar huid. Haar handen die pijn weg nemen en tranen afvegen. Haar stem die zingt en zorgen doet verdwijnen.
Mijn moeder is liefde.
Ik volg haar overal door het huis. Wanneer ik op de kleuterschool ben mis ik haar.
Mijn moeder maakt het eten, ze laat de honden uit, Ze maakt grapjes. Met spuug poetst ze mijn geschaafde knieen schoon. en ze blijft bij mij tot de heksen en spoken mijn slaapkamertje verlaten hebben.
Mijn moeder is onmisbaar.
Mijn moeder heeft zwart haar en blauwe ogen. Ze heeft een gouden medaillon in de vorm van een hart waar fotootjes van mij en mijn zusje in zitten. Als er een feestje is stift ze haar lippen rood met een Max Factor lippenstift die in een koperen huls zit. Ik kijk verliefd toe als ze haar verpleegsters uniform aan doet.
Mijn moeder is mooi en mysterieus.
Wanneer ik zelf moeder wordt bel ik haar dag en nacht. Zij is de enige die ik mijn huilbaby toe vertrouw. Als ik volstrekt radeloos ben neemt zij de baby van me over en stopt mij in bed. Mijn moeder is mijn steun en toeverlaat.
Als ik naar mijn moeder kijk zie ik een oude dame. Ik zie hoe slecht ze loopt en hoe benauwd ze het heeft als ze een klein stukje heeft gewandeld. Ik zie dat ze soms moeite heeft bij te blijven met de wereld die alsmaar sneller gaat, en onverschilliger wordt.
Maar in mijn hart wil ik haar zien zoals ze altijd voor mij was. Ik zie de liefdevolle, onmisbare, mooie en mysterieuze vrouw. De steun en toeverlaat.
In mijn hart zie ik haar zoals ze werkelijk is en zoals ze altijd voor mij zal blijven.



Tuesday, 20 October 2015

Droomboerderij

In mijn dromen breng ik wel eens heimelijke bezoekjes aan plekken die ik mis. Een daarvan is de oude boerderij waar ik als kind de vakanties doorbracht. Tijdens mijn droom sluip ik stilletjes de deur uit en loop ik heel stil over de donkere weg. Ik ben helemaal alleen. Ik doe dit stiekem, Niemand hoeft dit te weten, niemand kan mij vergezellen. Door deze bezoekjes tijdens mijn dromen uit te voeren, zal niemand er achter komen en niemand zal mij missen.
Het is diep in de nacht. Ik slaap al een paar uur. Dan, heel plotseling laat ik me behoedzaam uit mijn warme bed glijden en trek een warme jas aan over mijn nachtjapon. Ik doe geen schoenen aan, want ik wil het zand van de oprijlaan tussen mijn tenen voelen.
Zodra ik mijzelf naar de donkere weg heb gedroomd herken ik meteen alles. Alle details van de omgeving.
Het is griezelig hoe weinig er is veranderd. Elke boom, elke omgevallen stam. Elk gewas en elke bloem, die slechts voor de nacht haar blaadjes dicht heeft gevouwen. Elke bocht in de weg, elke oneffenheid in het pad.
Hoe lang ben ik hier niet geweest? Twintig jaar? Misschien was het zelfs langer geleden dat ik hier wegging? Dat ik de muur van het huis een laatste maal aanraakte. Dat ik gedag moest zeggen. Afscheid moest nemen van de stille droeve stenen van het oude huis. Het leek niet eerlijk om zomaar weg te gaan. Om verder te gaan zonder ooit nog terug te keren. Om weg te gaan en mijn jeugd achter te laten.
Afscheid. Definitief afscheid.
In mijn droom sta ik weer op diezelfde plek. Ik zie mezelf die laatste keer over het erf lopen en schoorvoetend achterin stappen. Wanneer de auto zich in beweging zet draai ik me om en blijf ik omkijken. Ik zie hoe het huis geleidelijk kleiner en kleiner wordt. Hoe de afstand tussen mij en het huis steeds groter wordt. Ik kan niet stoppen met kijken. Mijn moeder rijdt. Ze praat tegen mij. Maar ik zeg niets terug.Ik kijk door de achterruit. Heel erg lang. Mijn nek doet er zeer van. Smachtend zie ik hoe het bekende landschap aan me verdwijnt. Tot, plots het huis en de bekende omgeving definitief verdwenen is.
Ik slik en veeg een traan uit mijn ooghoek.
Ik zal het huis nooit meer terugzien.
Tot vannacht in mijn droom.Vannacht ga ik terug.
Ik ben onderweg en kijk naar mijn blote voeten.Ze zijn vies en zanderig. Het is een frisse herfstnacht maar ik voel geen kou. Wel ruik ik de bekende geur van mest en ingekuild gras. Ik ruik paddenstoelen en natte blaadjes. Paarden en schapen. Ik ruik de geur van ooit. De geur die ik als kind verafschuwde.
Ik stap nu zelfverzekerd door. Ik hoef nergens bang voor te zijn. Het is maar een droom. Ik kan rustig een kijkje nemen want het is niet echt.
Ik besluit even stil te staan en alles goed in me op te nemen. Hier speelt tijd geen rol. Ondanks dat het nacht is, is de lucht niet zwart. Het schemert. Het is een vriendelijke schemering waar nachtelijke vogels in rondzweven. Gelukkig kan ik alles goed zien. Alle bomen staan nog overeind. Ze zijn heel hoog en indrukwekkend. Hun talloze blaadjes ruisen. Ze fluisteren als duizenden kleine stemmetjes te midden van de stilte.
Er staan paarden in de wei. Hun donkere warme silhouetten lopen zwaar en vriendelijk op mij af. Het zijn een merrie en haar grote veulen: de paarden van mijn zus. Ik hoor hoe de merrie haar manen schudt en mij begroet met een ingetogen hinnik.Zou ze mij herkennen? Ze beweegt haar hoofd op en neer.Heel kort raak ik het zachte fluweel van haar neus met mijn vingertoppen. Het is een troostend gevoel. Dan loop ik door.
Er is een kleine dam over de sloot. Het hek zit dicht maar als ik naderbij kom opent het zich vanzelf.
Dat hek heeft mijn vader ooit gemaakt. Het hangt een beetje scheef.
In het schemerdonker ziet het huis er wat mistroostig uit. De kleuren zijn geabsorbeerd door de nacht. Alles is spikkelig grijs.
Ik sta nu op het erf. Ik haal diep adem. Ik snuif alles op. In een grote teug.
Dan ga ik het huis binnen.De lucht is hier kil en het ruikt muf. Het is ook erg donker en ik stoot me tegen een grote zware stoel.
Op de puntjes van mijn tenen dribbel ik door de verschillende kamers. Geluidloos en gehaast.
Heel kort neem ik overal een kijkje. Het is donker en onbeweeglijk en ongelooflijk stil.
Is er niemand?
Een melancholische vloedgolf slaat over mij heen. Doet mijn adem stokken en mijn hart zwaar worden.
Mijn vingers tintelen en mijn ogen vullen zich met tranen.
De stilte maakt mij verdrietig.
Maar wacht. In de oude woonkamer zie ik iets bewegen.
Even vang ik een glimp op van een moment, heel lang geleden. Ik zie een klein groepje mensen heel dicht bij elkaar zitten.Lachende mensen. Ben ik dat meisje met dat lange haar? Een kachel brandt,buiten loeit een storm. Binnen brandt licht.
Dan, heel plotseling word ik wakker en is mijn bezoek voorbij.
Als de dag begint komen geleidelijk de kleuren terug. Ik sta op en open de gordijnen.
Zonlicht valt naar binnen. Het voelt warm en prettig.
Dan loop ik de trap af naar de badkamer.
Ik laat het warme water over mijn lichaam spoelen en tot slot was ik het zand van mijn voeten.
Het mysterieuze zand van mijn geheime bezoek.



Tuesday, 13 October 2015

Klootzak


Ook al haat ik je niet. Ook al beteken je niets meer voor mij. Ook al weet ik niet eens meer hoe je er uitziet. Toch wil ik je nog eens graag hardop zeggen dat ik je een klootzak vind.
Niet omdat ik boos op je ben. Niet omdat ik me gekwetst voel. Niet omdat ik het kwijt moet. Maar gewoon; omdat je nu eenmaal een klootzak bent. En aangezien ik je beter ken dan wie ook. Kan je het maar het beste van mij horen.
Uiteindelijk ben ik degene die bijna acht jaar een relatie met je heeft gehad. Toen ben ik bij je weg gegaan. Ook al vond ik dat verschrikkelijk moeilijk.
Want in die tijd had ik een klein kindje. Ons kindje. Een meisje met lichtblonde krullen en blauwe ogen. Een meisje met blozende wangen en mollige handjes. Een kind wat al vroeg kon praten: "mama" zei ze glimlachend. En :"papa".
Heb je dat nooit gemist? Toen je eenmaal niets meer van je liet horen? Heb je daar nooit aan terug gedacht? Aan dat pientere kleine meisje? Aan de woordjes die ze zei? De liedjes die ze zong?  Aan haar glimlach? Haar blonde haartjes?

En sinds ze volwassen is. Heb je je tegenwoordig ooit nog afgevraagd hoe het met haar gaat? Of ze zich überhaupt een beetje kan redden in de maatschappij? Of ze gelukkig is? Wat ze doet?  Hoe ze er uit ziet? Of ze rond kan komen? Of ze het wel gered heeft? Of ze nog leeft?

Heb je eigenlijk ooit beseft hoe erg het mis is gegaan?

Ik heb het je vaak genoeg duidelijk proberen te maken. Ik heb je gevraagd ons te helpen. Je gesmeekt iets voor haar te doen. Keer op keer.

Onze dochter was zo begaafd. Zo getalenteerd. En toch ging het zo ontzettend mis. Moet ik het allemaal nog eens voor je opsommen? Hoe ze van school werd gestuurd? Uit huis werd geplaatst? Hoe ze worstelde met drugs, een levensgevaarlijke "vrienden"groep en hoe ze op het einde helemaal niets meer had? Geen geld, geen dak meer boven haar hoofd. Nauwelijks meer kleren aan haar lijf?
Hoe ze alles kwijt raakte?
Hoe zelfdestructief ze werd?
Hoe angstig?
Hoe intens verdrietig ze werd?
Hoe ze zichzelf beschadigde?
Hoe ze worstelde met een heel scala aan psychologische problemen?
Hoe grimmig haar leven er uit ging zien?
Hoe uitzichtloos?
Hoe ze zichzelf opsloot en zich verschanste voor de rest van de wereld?

Je hebt het allemaal geweten. Maar je koos ervoor om niets voor haar te doen. Zelfs haar alimentatie heb je niet meer betaald. "Ze zoekt het maar uit". waren jouw woorden.
Ze wil je nu echt nooit meer zien. Ze is bang voor je. Ze weet niet meer precies wat er vroeger allemaal gebeurt is. Niemand weet het precies. Misschien weet jij het?
Ik geloof niet dat ze je haat. Net zomin als ik dat doe. Volgens mij vind ze je ook gewoon een klootzak.
Niets meer en niets minder.
Gewoon een waardeloze klootzak.


Tuesday, 11 August 2015

Een lijk in de gracht



Na schooltijd dromden de kinderen bijeen aan de waterkant. Er werd geduwd en opgewonden gepraat. Iemand riep: Er ligt een lijk in de gracht! Ik stond ergens achteraan. Ik kon het niet goed zien, het groepje voor mij benam me het zicht. De kinderen renden in een grote groep mee met de stroming. Het lichaam dreef langzaam verder.
Ik zag alleen het donkere water. Het water wat onheilspellend oogde, vooral onder het viaduct, waar zich ook een fietspad en een trottoir bevond.
Ik kon het lijk niet zien, maar vond het toch eng. Ik had het koud en voelde me misselijk. Ik wilde naar huis.
Het viaduct was altijd al een griezelige plek. Ik liep er niet graag onderdoor want het was er altijd donker en er woonden vreselijk veel duiven, die ik vies vond.
Een klasgenootje had ooit tegen mij gezegd dat ik er het beste zo snel mogelijk onderdoor kon lopen, want dat er een risico bestond dat het in zou storten. Daardoor werd mijn afkeer en angst nog groter. Het liefste zette ik het er op een rennen, maar omdat ik nog banger was om te worden uitgelachen en uitgemaakt te worden voor bange schijterd, hield ik me in en liep ik zo snel mogelijk verder, met bonzend hart.
Ondanks dat ik slim was, was ik een naïef kind. Of misschien is goedgelovig een beter woord. Ik was onschuldig en goedgelovig. Vaak was ik bang om gepest te worden, dus het leek mij beter om in bepaalde gevallen net te doen alsof ik iets wist of begreep terwijl ik vaak geen flauw idee had waar de andere kinderen het over hadden.
"De vader van Pascale is een pooier" had Kitty ooit tegen mij gezegd. Ze zei het op een dusdanige toon dat ik zeker wist dat het een groot geheim betrof. Daarom vertelde ik het een keer door aan een ander vriendinnetje. Om indruk te maken.
Later, veel later begreep ik pas wat het betekende.
Ik was een onzeker en goedgelovig kind. Het een had vast met het ander te maken en andere kinderen voelden feilloos aan dat ik kwetsbaar en beïnvloedbaar was. Reden temeer om me vaak in de maling te nemen.
Een vilein buurmeisje dat Sylvana heette had me zo eens wijs gemaakt dat kinderen met het syndroom van Down besmettelijk waren.
"Als je langs mongooltjes loopt, moet je altijd je adem inhouden"Had ze me verteld. "Als je het niet doet, kun je "het" ook krijgen".
Ik kon niet goed lang mijn adem inhouden, maar deed het in bepaalde situaties toch, met het risico rood aan te lopen en bijna te stikken.
Vaak hoorde ik er niet echt bij.
Ik was daarom ook blij dat ik mocht aansluiten bij een "geheime" club, die bestond uit vier meisjes van mijn klas. De club was ontstaan na een verjaardagsfeestje waar ik toevallig ook voor was uitgenodigd en had tot doel "spannende, geheimzinnige" dingen te doen.
Uiteraard lagen dat soort zaken niet voor het oprapen dus we waren verheugd toen we, ieder elf jaar oud, een mysterieuze ontdekking deden in het Vondelpark.
Op een woensdagmiddag waren we aan het boompje klimmen toen we in de bosjes veel vreemde mannen zagen.
De meesten waren half ontkleed en verrichtten handelingen bij elkaar die we, in onze onschuld niet geheel konden bevatten.
We begrepen echter wel, dat het hier om uiterst verboden zaken ging die we met niemand mochten delen.
De aanvoerster van de club liet ons zweren hier nooit, maar dan ook nooit over te spreken. Onze avonturen leken nu bijna op die uit de boeken van "De Vijf" van Enid Blyton, Bijna.
De club hield ook een speciaal schrift bij, dat rouleerde onder de leden en waar alle avonturen in genoteerd werden.
Toen het schrift bij mij thuis (onder mijn bed) lag vond mijn moeder het en las er in.
Ze was ontzettend boos op mij maar ze was nog veel bozer op de kinderen van de club die mij geheimhouding hadden laten zweren. "Weet je wel hoe gevaarlijk dit is!"riep ze met een rood aangelopen gezicht.
Toen het uitkwam dat mijn moeder er van wist werd ik zonder pardon uit de club gegooid.
Dat vond ik erg jammer, want ik had het er best voor over gehad om nog veel meer gevaarlijke dingen te doen.
Zo lang ik maar had mogen blijven.
Nu ik al enige tijd volwassen ben heb ik geen behoefte meer om bij een club te horen. Ik ben niet meer zo onzeker en ook een stuk minder goedgelovig.
Maar de behoefte om spannende, gevaarlijke dingen te doen is gebleven.
Kennelijk ben ik ergens toch niet helemaal volwassen geworden.
En dat wil ik graag zo houden.

Tuesday, 4 August 2015

Een gekke dag


Mijn Amsterdam. Stad van tegenstellingen. Stad waar alles mogelijk is. De stad waar ik geboren ben en waar ik bijna mijn hele leven heb gewoond. 
Op een zonnige zaterdag loop ik zoals gewoonlijk het centraal uit richting de Zeedijk. Vandaag is geen gewone dag.
Vandaag is de Gay Pride.
Vandaag is Amsterdam van iedereen.
Vandaag hebben we allemaal recht op een stukje Amsterdam. Tolerantie; hoor ik de mensen om mij heen zeggen. Het gaat allemaal om tolerantie. Er wordt instemmend geknikt.
Kijk eens hoe vrolijk en uitgelaten iedereen is. Bussen en treinen storten grote hoeveelheden in roze geklede mensen uit over de stad. Sommigen dragen rare pruiken, hoeden, grote gekleurde brillen en boa's van gekleurde veren. Ik hoor allerlei dialecten. Het lijkt wel carnaval. Overal op het water zijn bootjes. Er klinkt harde muziek. Men heeft er zin in.
"Hier kan alles". Hoor ik iemand met een Gronings accent zeggen. "Maar ik zou hier nooit willen wonen hoor."
"Je moet de juiste instelling hebben en gewoon een dagje lekker gek willen doen". zegt iemand anders.
Want, ach, het is maar voor een dagje.
Een dagje naar Amsterdam met een groepje vrienden lekker gek doen en de volgende dag weer normaal. 
En of het nu Gay Pride is of Koninginnedag, dat maakt allemaal niet zoveel uit. Lol maken, daar gaat het om. Lekker gek doen. Dat wordt lachen, want er zijn zoveel aparte mensen te zien.
Ik heb medelijden met Amsterdam. Ik zou haar willen troosten en al die mensen de stad uit willen sturen.
Naarmate de dag vordert wordt de drukte en de chaos groter, het lawaai neemt toe en de hoeveelheid afval op de straten ook. Op de Zeedijk vormt de menigte een dikke kluit waardoor er bijna geen doorloop meer mogelijk is. Daarom wordt de straat afgezet met hekken.
"Moet je kijken wat die daar aan heeft". Een groepje onberispelijk geklede vijftigers wijst proestend naar twee frivool uitgedoste drag queens die gearmd over straat flaneren. Lachend kijken ze elkaar aan: "Dat kun je gewoon niet geloven hè? Dat kan hier allemaal".
De winkel waar ik ben verkoopt exclusieve fetisj kleding en artikelen. Veel mensen die door de straat lopen blijven even stilstaan voor de etalage waar twee in latex geklede etalagepoppen staan. Een van de poppen heeft een halsband om die vastzit aan een riempje. Er klinkt een hoop gelach en gegiechel. "Dat zou je bij ons niet zien" zegt een jonge vrouw tegen haar vriend.
Ze stapt even over de drempel met haar fototoestel in de aanslag. "Mag ik een foto maken?" vraagt ze lachend.
"Nee"zeg ik resoluut en ik sluit de deur.
Vandaag besluit ik niet tolerant te zijn.



Wednesday, 15 July 2015

God in Frankijk

Toen hij voor het geluk koos, stond een huis in Frankrijk hoog op zijn lijstje. Op nummer een stond een jongere vrouw, op nummer twee nooit meer werken en op een laatste maar niet onbelangrijke derde plaats een eigen huis in Frankrijk.

In de tijd dat zij nog verliefd waren hadden ze er heimelijk een vakantie door gebracht.  De pittoreske dorpjes, de goedkope wijn en het heerlijke eten, het kalme, ongecompliceerde ritme van het dagelijks leven en de prachtige natuur; dit was het het paradijs. Een plek om gelukkig te zijn en gelukkig te blijven. Een leven als God in Frankrijk.

Na zijn vervroegde pensioen wist hij zijn wens in vervulling te laten gaan; mijn vader werd trotse eigenaar van een Frans huis. Of liever gezegd van een paar grote stapels stenen die lang geleden een indrukwekkende watermolen met maar liefst drie bijgebouwen hadden voorgesteld. Een ruïne in Frankrijk dus vooralsnog, maar nu het koopcontract was gesloten zou de droom uitkomen.  Vol van energie begon mijn vader aan de wederopbouw van zijn domein en zijn nieuwe leven. Ver van het druilerige, grijze Nederland. Ver van zijn verleden, herinneringen en verplichtingen.  
Vanaf dat moment was Frankrijk niet zomaar meer een vakantieland; het werd het land van mijn vader. En sindsdien werd Frankrijk ook een klein beetje mijn Frankrijk. Als ik de kans kreeg zocht ik hem elke zomer op.

Vanaf mijn jeugd houd ik van Frankrijk. Sinds ik er, als klein meisje hand in hand met mijn vader en moeder over de markt liep, houd ik van de taal, van het eten en van de nukkige bevolking. Ik houd van de krekels die zich onzichtbaar opstellen in het gele gras om hun concert ten gehore te brengen. Ik houd van de leverkleurige koeien die tezamen met hun kalfjes in de weide staan: Lieftallige koeien met lange wimpers en elegante hoefjes. Ik houd van de dorpjes, de markten, de kastelen en de kerkjes. Van de veelzijdigheid van landschappen; het Bretonse strand, de Provençaalse vlaktes en de ruige wildernis van de Cevennen. De tegenstellingen lijken zo groot met het saaie, aangeharkte Nederland. Het immer bewolkte, minuscule, platte land waar je nooit kunt verdwalen. Ik houd van Frankrijk en van alle indrukken die ik er mijn leven lang heb verzameld: met mijn ouders, mijn eerste vriendje, en later met mijn jonge kinderen en met mijn man.

Ergens in een pittoresk dorpje betrap ik mezelf erop dat ik hardop tegen hem zeg: Kijk, dit prachtige huis staat te koop, zullen we hier maar gaan wonen?
Precies zoals mijn vader ooit waarschijnlijk gezegd heeft.
Niet lang daarna werd hij werkelijk eigenaar van een Franse maison.

Dat is meer dan vijfentwintig jaar geleden. Mijn vader is nu eenentachtig jaar. Het werken aan zijn Franse huis heeft hij moeten staken. Het geld is op en ook de energie. De verliefdheid is over en soms verlangt hij terug naar Amsterdam. Naar de Jordaan, het Waterlooplein en de grachten. Naar de regenachtige eenvoud van zijn jeugd.

De droom lijkt haast voorbij. Mijn vader weet niet precies wanneer die is geëindigd.
Het is zomer. Ik ben met mijn gezin in onze Franse vakantiewoning.  Hier in de vallei kijk ik vanaf het terras uit over de bergen, de rotsen, de velden vol lavendel, het bos en het kasteel in de verte. Elke nacht zet ik een schoteltje melk klaar voor de egels.  het is hier idyllisch, het is hier stil, het is hier bijzonder. Ik houd van het dromerige Frankrijk. Ik vind het fijn hier weer te zijn. Dichtbij de plek waar mijn vader woont.

Vanmiddag viel mijn zoon naast me in slaap. Ik keek verbaasd en ontroerd naar zijn lange benen, zijn stoere kleding en zijn knappe, slapende koppie. Het was lang geleden dat hij ‘s middags naast mij in slaap viel.
Het heeft waarschijnlijk met de hitte te maken gehad, of met zijn late naar bed gaan.
Even dacht ik aan lang geleden. Toen hij twee jaar was en iedere middag op mijn buik in slaap viel.

Mijn dochter is zeventien. De afgelopen twee weken vielen haar zwaar omdat ze haar vriendje in Nederland mistte. Ze is verliefd. Ze is geen kind meer. Ze is een mooie, blonde jonge vrouw. Ik vraag me af of ze volgend jaar nog met ons mee op vakantie zal gaan.

Over twee dagen gaan we naar mijn vader. We gaan hem opzoeken zoals we gewend zijn.
Ergens ben ik bang. Mijn vader wordt oud. Misschien keert hij binnenkort terug naar Nederland. Voorgoed. Het huis zal worden verkocht.

De droom lijkt haast voorbij.