Thursday, 24 November 2016

Insomnia

In de slaapkamer is het donker.
De gordijnen zijn gesloten maar een straaltje maanlicht is in staat geweest een kiertje in het gordijn te ontdekken.
Een zilverkleurig straaltje licht valt naar binnen en trekt een spoor over de vloer, de stoel waar kleren over heen gedrapeerd zijn en het dekbed wat over onze lichamen heen golft.
Mijn oogleden zijn half gesloten. Ik zie de contouren van jouw lichaam dat naast het mijne ligt. Vertrouwd, veilig en warm.
Er zijn geen kleuren. Alles is verzadigd in het korrelige duister van de nacht.
Er zijn slechts wat spaarzame geluiden. Donkere, nachtelijke geluiden. Mijn gedachten nemen een kijkje waar ze vandaan komen. Ik zie de regen door de nachtelijke hemel tikkend naar beneden komen. Ik neem de beweging van de wind waar in de ruisende bomen die langs de weg staan. Talloze blaadjes dwarrelen naar beneden in het lamplicht van straatlantaarns.
Met mijn gedachten kan ik een plaatje maken van jouw gezicht. Zonder mijn ogen te gebruiken zie ik hoe je oogleden een beetje trillen en hoe je diep zucht met je mond half geopend. Op straat volgen mijn gedachten twee katten die intens krijsend elkaars territorium bevechten. Ik zie hun ogen oplichten en hun vacht glimmen.
De geluiden worden uitvergroot in het trage donker van de slaapkamer: De regen wordt een verzwelgende storm. De regen transformeert in een vloedgolf. Jouw gezucht veranderd in  oorverdovend gesnurk en de twee katten worden omgetoverd tot bloeddorstige,verslindende monsters.
 "Ga nou slapen" klinkt een stem in mijn binnenste. Het klinkt als een reprimande, een vermaning.
De stem in mijn binnenste veranderd in de stem van mijn moeder:
"Ga nou alsjeblieft slapen".
Ik neem de slaapkamer uit mijn kinderjaren waar: Er is niets veranderd.  Ik trek het dekbed dieper over mij heen en gluur om mij heen. De kleren op de stoel nemen de gedaante aan van een heks, het bewegende gordijn lijkt een fladderend spook. Ik hoor mijn ouders stilletjes met elkaar praten. Op de achtergrond de geluiden van de televisie.
Mijn voeten zijn koud maar de rest van mijn lijf is veel te warm. Ik ben misselijk maar ik durf niks te zeggen.

Een seconde later ben ik weer terug in het heden.
In de grote slaapkamer waar ik in bed lig. Naast jou.
Mijn hoofd zit vol gedachten. Dwingende gedachten in de vorm van plaaggeesten.
Er is geen ontsnappen aan.
"Mag ik alsjeblieft slapen?" fluistert een klein bescheiden stemmetje.
Maar er is geen rust.
Beelden van vakanties dringen zich aan me op. Waar was dit ook alweer? zegt een stem."Wat maakt het uit.. ga slapen!" zegt een ander.
Vooraan in mijn hersenen blijft zich telkens een melodie herhalen. Het is een liedje dat ik niet eens leuk vind. De melodie keert constant terug tezamen met twee zinnen uit het refrein.
In mijn hoofd is het een snelweg van ongecontroleerd gedachtenverkeer; indrukken, kleuren, rekensommen, raadsels, dilemma's, schuldgevoelens en de meest gecompliceerde vraagstukken.
Het is chaos, het is waanzin, het is idioterie.
"Laat me ontsnappen. Ik wil slapen".

In de ochtend ben ik moe. Ik weet niet of ik heb geslapen.
Mijn bed voelt heerlijk aan.
Wat zijn mijn kussens zacht en wat is mijn matras comfortabel. Ik krul tegen jouw warme lijf aan.
Het voelt veilig en fijn.
Maar je duwt me zachtjes van je af en verlaat het bed.
"Tot vanavond meisje". 
De nacht is voorbij.
Dit is een nieuwe dag.
Is iedereen wakker?








Thursday, 3 November 2016

Zusters

Van sommige prentenboeken kon ik als kind geen genoeg krijgen. En van sommigen zie ik de kleurige plaatjes nog voor me: De beeldschone Assepoester met de baljurk van mijn dromen, de listige gelaarsde kat met zijn dijhoge laarzen. De stadsmuzikanten uit Bremen die op elkaars nek klommen om de rovers aan het schrikken te maken. De boosaardige wolf in de ouderwetse nachtjapon van grootmoeder. Roodkapje met haar mandje met bloemen, en tenslotte de lichtelijk blasé stadsmuis die  bevriend is met de schichtige veldmuis die zo zijn vraagtekens zet bij het gevaarlijke stadsleven.
Mijn moeders schoot was groot genoeg om ons beiden een plekje te bieden en we luisterden met gespitste oren hoe de wolf Roodkapje verslond en over de gelaarsde kat die opschepte over de Markies van Carabas.
Natuurlijk konden we niet weten dat wij, de twee zusjes, veel zouden gaan lijken op de twee muisjes uit de fabel van LaFontaine.
Ik realiseer het me pas wanneer ik met mijn nieuwe hoge hakken wegzak in de modder op het erf. De boerderij staat te midden van uitgestrekte velden en akkers. Hier woont mijn zuster met haar man. Ze hebben paarden, kippen, een hond en een enorme hoeveelheid katten.
Er is dichtbij een dorp met een kleine supermarkt, een feestzaal,een Chinees restaurant en een snackbar. Verder is er niet veel. Afgezien van enorm veel ruimte, rust en natuur.
Ik houd van de stad. Mijn zus niet.
Ik heb kinderen. Mijn zus paarden.
Ik houd van uitgaan en ga vaak pas tegen het ochtendlicht slapen. Dat is ongeveer het moment dat mijn zus opstaat om de dieren te voeren.
In de verte, bij de rand van het weiland zie ik mijn zus staan. Ze draagt een slobber trui, een paardrijbroek en laarzen.
Ik voel me enigszins ongemakkelijk wanneer ik onhandig uit de auto stap. Als een heupwiegende Patsy van Absolutely Fabulous die met een mentholsigaret bungelend in haar mondhoek en gekleed in een Chanel jasje, een strakke kokerrok en hoge designer schoenen "Hello darling" roept.
Ja, we zijn totaal verschillend en soms is het moeilijk om de overeenkomsten te blijven zien.
Maar sinds mijn moeder ernstig ziek is zijn de verschillen op wonderbaarlijke wijze kleiner geworden en de overeenkomsten weer duidelijk zichtbaar.
Mijn zus is weer dichtbij, ook al woont ze ver weg.Ik ben blij dat we het verdriet kunnen delen. Kunnen praten. Dat we elkaars hand kunnen vasthouden.
Net als vroeger.
Mijn moeder. Haar haren zijn wit. Haar schouders zijn ongelooflijk smal geworden. Maar haar ogen glinsteren weer een beetje.
Vroeger was haar schoot breed genoeg voor ons allebei. Zo las ze ons voor: van de Wolf en Roodkapje, van de zeven geitjes, Hans en Grietje en de heks. En van twee muizen.
De stadsmuis en de veldmuis.


Friday, 30 September 2016

Gemeen

Nee, zei het kleine meisje. Niet doen. Ze wurmde zich tussen ons in in en probeerde hem van mij af te duwen.
Ondanks dat ze nog maar nauwelijks kon praten probeerde ze hem duidelijk te maken dat hij weg moest gaan.Nee papa. Weg papa.
Ze was wakker geworden van de ruzie en haar warme bedje uit gekropen. Met een geschrokken gezichtje stond ze plotseling in de deuropening.
Houd je kind onder controle stomme trut riep hij.
Je kind had hij gezegd. Het klonk beschuldigend. Alsof het niet al genoeg was dat hij met mij moest dealen had ik ook nog een kind van hem gekregen. Mijn kind. 
Ik vond het uitermate pijnlijk dat hij dat steeds zei.
Toen ze nog een baby was en veel huilde zei hij het ook altijd: Je kind huilt.
Het was een verwijt.
De worsteling duurde nog even voort.Ik werd tegen de muur aan gedrukt. Het meisje kwam hierbij bijna knel te zitten.Ze begon te gillen. Ik huilde. 
Uiteindelijk liet hij me los en liep weg. Gestoord wijf, riep hij me na. Ik hoorde de deur dichtslaan.
In het donker kropen het kleine meisje en ik tegen elkaar aan in het grote bed.
Met haar kleine handje streelde ze over mijn hoofd. Mama. fluisterde ze voor ze in slaap viel.

Mama. zeg ik hardop. Ik wil ineens even horen hoe het klinkt. Ik heb het al in geen twintig jaar meer tegen haar gezegd.
Ik sta bij haar in de kamer maar ze hoort me niet. Ze ligt te slapen. Mijn moeder. Toen ik een klein meisje was leek ze enorm sterk. Ik kroop graag bij haar op schoot en duwde mijn neus in haar hals. Ze rook zo veilig. Ze voelde zo warm.

Toen mijn vader niet meer bij haar wilde zijn begon ze fragiel te worden. Er brak iets in haar toen hij definitief weg ging. Ik bescherm je wel, beloofde ik haar. Vanaf dat moment noemde ik haar bij haar voornaam.

In het verpleeghuis sta ik bij mijn moeder in de kamer en ik kijk hoe ze ligt te slapen. Ik wil haar niet wakker maken. Ze lijkt zo klein. Zo kwetsbaar. Het is bijna alsof ik naar een slapend kind kijk. Haar ademhaling is onrustig en ze beweegt een paar keer in haar slaap. Haar lichaam is niet meer compleet. Ze mist een been, ik vind het gemeen.
Blijf van mijn moeder af. Doe haar geen pijn meer. zegt het kleine meisje in mij. Ik voel me ongelooflijk boos.

Er rolt een traan over mijn wang die ik onmiddellijk weg veeg. Ik wil niet dat ze ziet dat ik heb gehuild.  Stilletjes ga ik naast haar bed zitten wachten.
Ik zou haar zo graag willen beschermen.






Wednesday, 14 September 2016

Het einde van de wereld.

De zon in Nederland is vandaag rondborstig en gul. Met geknepen ogen kijk ik omhoog naar de hemel en het is alsof ik haar schaterlachend terug zie kijken. Het is half september en de aarde is nog van haar. Zij regeert. Kwistig deelt ze zonnestralen uit. Overal is licht en warmte.
Het zijn de laatste warme dagen, waarschuwt het weerbericht. Ik kan het me vandaag haast niet voorstellen, maar toch zal die overmoedige, voluptueuze zon straks plaats moeten maken voor de kou. De vissen in de vijver zullen weer naar onderen duiken, en de bloemen en bomen zullen hun blaadjes laten vallen.
 In gedachten ben ik weer even terug op vakantie. In dat stukje van Portugal waar ik ben geweest. Het is zes weken geleden dat we vanuit Lissabon naar Quinta  dos Junqueiros in Azoia reden, onze eindbestemming. Op het vliegveld is het tropisch warm, maar het weer verandert naarmate we hoger de bergen in rijden.
Een merkwaardige storm steekt op, het wordt koud en de wolken komen nu zo dichtbij dat we door spookachtige slierten van nevel heenrijden. Het wordt snel donker en op sommige plaatsen is de hemel donkerrood.
Aan de ene kant van de weg stopt het land. Daar is de oceaan. Aan de andere kant zijn de bergen.De storm neemt toe en er verschijnen zwarte regendruppels op de voorruit.
Wat hebben jullie hier te zoeken? Lijkt de omgeving ons toe te fluisteren.
Even zijn we bang dat we zullen verdwalen. 
Het is een onheilspellend begin van de vakantie.
Het huis in Portugese stijl staat bovenaan de heuvel. Het is inmiddels aardedonker. De meubels in het huis zijn antiek. In de woonkamer is een open haard.
De eerste nacht doe ik geen oog dicht. Ik sta een paar keer op en kijk door het raam. In de verte zie ik de vuurtoren op het puntje waar de aarde stopt. Hier, op Cabo da Roca. Het is letterlijk het einde van de wereld.
Een paar dagen later sta ik daar. Ik kijk over de rand en huiver bij het aanzien van de furieuze oceaan die als een waanzinnige tegen de rotsen beukt.
Hier lijkt het land ondergeschikt aan het water. 
Wanneer ik 's nachts opnieuw wakker lig transformeert de oceaan voor mijn ogen in een flamenco danseres. De schuimende golven worden haar rokken die ze provocerend tegen haar timide, stille en onverzettelijke danspartner, de rotspunt, aan gooit. De dramatische Fado, die synoniem is voor het noodlot begeleidt de dansers. 
Het is het ultieme liefdesverhaal wat zich hier eindeloos herhaalt, elk uur, elk moment.De passie stopt nooit.

Wanneer we 's morgens wakker worden is het gehele huis gehuld in nevel. De zon is alweer gevlucht voor de waanzinnige strijd die de zee en de bergen hier constant met elkaar uitvechten.
Ik bel mijn moeder. Haar stem klinkt uitgeput. Sinds ik ben vertrokken is ze steeds zieker geworden.
Op een ochtend zegt ze tegen mij dat ze niet meer kan. 
De pijn is ondraaglijk, het leven wordt nu ondergeschikt aan de dood.
Ik zie het leven en de dood samen dansen, net als de oceaan en het land.
Het is een innige, tragische dans, een noodlottig liefdesrelaas. Een hunkerende begeerte maar tegelijkertijd een walgend afwijzen..De Fado klinkt op de achtergrond. 

Wanneer ik op een nacht weer wakker lig zie ik ineens hoe mijn vriendin de slaapkamer binnen komt.
Kitty. Ze is niets veranderd. Ze oogt jong, vastberaden en sterk. Niet degene die ze op haar sterfbed was. Maar degene die ze was toen ze nog gezond was.
Ze komt zo dicht naast mijn bed staan dat ik bang ben dat ze mijn man wakker zal maken.
"loslaten"zegt ze .
"Respecteer haar beslissing en laat haar los".
Die nacht slaap ik voor het eerst wat beter.

Het is september en ik ben weer terug in Nederland. Mijn moeder leeft nog.Ik zoek haar bijna elke dag op. 
"wat een zomer hé,"zegt ze. "Zoiets heb ik nog nooit meegemaakt". 
Dit zijn de laatste mooie dagen. We weten dat het zo is.
Laten we er van genieten nu het nog kan.






Wednesday, 22 June 2016

Ali's salon

De zaak is niet erg groot. Er passen net twee kappersstoelen, een kleine toonbank en een sofa in. Het zijn een beetje ouderwetse, logge stoelen. Vermoedelijk afkomstig uit een failliete salon, of wellicht mee genomen uit de zaak die vroeger door Ali's vader werd gerund in Izmir. Het hele eind. Achterin een oud Volkswagen busje. Tesamen met de oude sofa, een kapotte kinderwagen en nog wat andere bruikbare spullen.

Ali's vader is intussen hoogbejaard. Hij had zelf willen blijven knippen, maar zijn vingers zijn krom van de reuma. Ali heeft tegen hem gezegd dat hij nu van zijn rust moet genieten, thuis, met zijn vrouw. Maar de oude man is meestal in de kapperszaak te vinden waar hij geïnteresseerd meekijkt hoe de klanten geknipt worden. Ali's vader heeft een grote snor en aan zijn voeten draagt hij lederen slippers. Hij schudt zijn hoofd en kijkt boos. "Niet ziek!" zegt hij tegen zijn zoon. "Is Holland weer hier! Slechte Holland weer. Daarom pijn!"
Van een van de stoelen is het kunstleder een beetje gescheurd. Iemand heeft er daarom een stuk tape overheen geplakt. De tape is een beetje los gegaan en krult omhoog. Het is altijd gezellig in Ali's salon. De radio staat aan en er klinkt Nederlandstalige muziek. Ali neuriet mee. Ali heeft het altijd druk.

De deur staat er immer open. Weer of geen weer. "Welkom"staat er de mat. Bij Ali hoef je geen afspraak te maken. Je loopt gewoon naar binnen en je neemt plaats. Je hoeft niets te zeggen.
Naast mijn zoon, die wacht om geknipt te worden, bevinden zich in de salon een aantal stervelingen die de indruk maken van willekeurige figuranten in een filmscenario.
Hoewel men elkaar lijkt te kennen spreekt men niet of nauwelijks met elkaar.
Er is een Nederlandse vrouw die geïrriteerd om zich heen kijkt. Zo nu en dan staat ze even op om op de stoep een sigaretje te roken.
Er is een verstandelijk gehandicapte man die in de hoek zit. Hij houdt zijn hoofd schuin en er loopt een beetje speeksel langs zijn kin. Steeds wanneer er een nieuwe klant binnenkomt lacht hij enthousiast en wijst hij naar Ali.
Er zit een jongeman de krant te lezen. Het zou een neef van Ali kunnen zijn. De jongeman ziet er zeer verzorgd uit.Hij draagt een kreukvrij en smetteloos wit shirt waar "Limited edition" op geschreven staat. Het shirt spant zich strak om zijn gespierde armen. Als uit het niets staat de man op en neemt plaats in de lege kappersstoel. Hij drapeert zelf de kapmantel om zijn schouders en begint zijn kapsel te fatsoeneren.
Niemand reageert.
Wanneer plotseling de telefoon gaat, ontstaat er even een lichte paniek. De Nederlandse vrouw neemt tenslotte op. "Met Ali's salon. Ja Ali is er". Dan hangt ze op.
Heel even, uit het niets begint Ali op luide toon in zijn moedertaal te praten. Alle aanwezigen mengen zich nu in het gesprek, behalve de Nederlandse vrouw. Al snel praat iedereen door elkaar heen.Het klinkt alsof ze ruzie hebben.
Plotseling is het dan weer stil.
Mijn zoon is nu aan de beurt. Ali geeft hem een hand. "Hallo vriend" zegt hij.
Als zijn haar vakkundig geknipt is neemt Ali zijn beginnende snorretje onderhanden met een ouderwets scheermes: "You look like Mexican" lacht hij.
Voor de finishing touch loopt Ali als een ware kunstenaar om mijn zoon heen. Niets wordt aan het toeval over gelaten.  Flessen reukwater, potten gel en verschillende kammen worden gehanteerd.Elk haartje wordt op de juiste plek gepositioneerd.
Het resultaat is voortreffelijk.
"Alstublieft"zegt Ali, terwijl hij de kapmantel van zijn schouders losmaakt en met een groots gebaar om hem heen zwaait.
"Tot ziens vriend" zegt Ali.
"Tot ziens" zegt mijn zoon.









Thursday, 16 June 2016

Ina

Ik speel Wordfeud met Ina. Dat is Scrabble, maar dan niet het bordspel, maar de elektronische versie voor op de smart phone.. Via die app op mijn telefoon heb ik Ina ooit opgespoord. Zomaar, bij toeval, door op random opponent te drukken. En sindsdien is ze niet meer weg te denken.Ze hoort er helemaal bij. Ina is mijn Wordfeud vriendin.
Ook al ken ik Ina niet , toch besteed ik veel tijd aan haar. Meestal wanneer ik me verveel of niets beters te doen heb. Tijdens een trein rit bijvoorbeeld, of in de wachtkamer van de huisarts of tandarts. Wanneer het rustig is op mijn werk, gedurende een saai televisieprogramma, of thuis als ik even ga zitten met een kopje thee.
Ik kan altijd wel even een paar minuutjes tijd voor haar vinden.
En ik kan altijd van Ina op aan. Wanneer ik een woord neerleg speelt ze altijd binnen een half uur terug. Ongeacht het tijdstip. Of het nu 8.00 u 's ochtends is of 1.00 uur 's nachts.
Toen ik de eerste keer een potje van haar won, begon Ina tegen mij te praten. Dat kan namelijk via de Wordfeud chat.
"Gefeliciteerd"zei Ina.
"Dankjewel"zei ik.
En dat zei Ina iedere keer. Soms stuurde ze een lachend gezichtje, of een omhoog gestoken duimpje.
Daarop volgden er wat korte gesprekjes. Ina vertelde over haar man, die een hernia had gehad. Ze vertelde over haar werk en maakte af en toe een flauw grapje. Niets bijzonders.
Allemaal gewoon, doorsnee en op het saaie af. Net als Ina's profiel foto. Een glimlachende vrouw met een geföhnd  kapsel en een bril met een aluminium montuur.
Vriendelijk, doch kleurloos en enigszins nietszeggend.
In mijn leven komen niet veel Ina's voor. Meestal houden ze wat afstand. Vroeger kwam ik ze wel tegen,:op school, op mijn werk en later, op het schoolplein toen ik nog jonge kinderen had.
Een tijdje dacht ik dat de hele wereld uit mensen zoals Ina bestond. Gewone, mensen. Mensen die allemaal op elkaar lijken. Mensen die zich hetzelfde kleden, dezelfde gesprekken hebben en dezelfde tv programma's zien.
 Mensen waar ik geen aansluiting bij kon vinden. Mensen die bovendien ook niets met mij te maken wilden  hebben. Ik ging er toen nog van uit dat er iets mis was met mij en voelde me een vreemde. Ik besloot daarom afstand te houden van de Ina's.
Maar Wordfeud Ina is een uitzondering. Ze lijkt me oprecht aardig te vinden. En ik vind het ook wel gezellig.
Maar soms vraag ik me af: Zou Ina me nog wel leuk vinden als ze me in het "echt"zou zien? Zou ze niet terug schrikken van de manier waarop ik van haar verschil? Zou ze me niet raar vinden?
Zou ze me nog wel een omhoog gestoken duimpje sturen?
Ik besluit er maar niet meer over na te denken. Er is inmiddels alweer een paar uur over heen gegaan. Ina zit vast op me te wachten.
Het wordt tijd dat ik verder speel.





Monday, 11 April 2016

Oponthoud

Vandaag heb ik weer energie. Na vier dagen geveld te zijn door de griep, heb ik zin om de serene rust van mijn huis te verruilen voor een dag drukte op mijn werk. De televisie staat aan tijdens het aankleden en koffie drinken. Omroep Max. Een oudere dame vertelt.
 " Mijn broer was 23 toen hij verdween. Hij was een gevoelige jongen en een beetje een buitenbeentje." Op een zwart wit foto is een sombere jongen met lang haar en een ziekenfonds brilletje te zien.  "Hij heeft mijn ouders een  briefkaart gestuurd zegt ze. Een briefkaart en dat was het." Ze houdt de kaart in haar hand. Hij is met vulpen beschreven: "Ik ga weg en zal niet meer deelnemen aan de maatschappij. Ik laat geen adres achter".
Dat was in 1974, zegt de dame. Misschien keert hij ooit nog terug. Ik heb het nog niet opgegeven.
In gedachten zie ik de broer, die inmiddels een oude man is, voor mij. Hij heeft een lange witte baard en draagt een geborduurde tuniek. Op de achtergrond is een tempel te zien.
De broer ziet er gelukkig uit.
Ik doe de televisie uit en ga naar buiten.
Het is nog niet echt zonnig maar toch is het daglicht hoopgevend en ruikt het buiten heerlijk fris. Temidden van een groepje kale bomen, staat een eenzame frivool bloesemende acacia als een bizar uitgedoste excentriekeling. Het is het begin van de lente. De aarde is nog zwart en grauw. Hier en daar verschijnt als uit het niets een groepje crocusjes of een paar sprieterige klokjes. Knoppen springen open en kleine glimmende blaadjes krullen zich verleidelijk omhoog.
Ik heb een gestippelde jurk aan met korte mouwen. Met een vestje er over heen zodat het niet te koud is.
Op mijn fiets rijd ik naar het station. Ik voel me energiek. Ik leef en de lente achtige wereld om mij heen benadrukt dat. In het water zwemt een moedereend met drie piepkleine pulletjes. De moedereend zwemt koortsachtig heen en weer tussen haar pulletjes die non stop een sonar achtig piepgeluid produceren.
Een mevrouw haalt net haar fiets uit het propvolle rek en maakt een joviaal gebaar naar de lege plek.
Ik glimlach en parkeer mijn fiets.
De trein arriveert en ik stap naar binnen.De trein schokt even alsof hij een oprisping heeft en rijdt weg.
Ik ga zelden in de treincoupé's zitten. Bij de in- en uitgangen zijn ook zitplaatsen en daar hoef ik niet naast of tegenover iemand te zitten. Maar ik kijk wel altijd nieuwsgierig naar de andere reizigers. Ik probeer op een onopvallende manier naar ze te loeren en te raden waar ze heen gaan en waarom. Wie ze zijn en wat voor plannen ze die dag hebben.
De mooie vrouw die triest voor zich uit kijkt. Het stel toeristen. De student. De jonge meisjes met nagenoeg dezelfde outfits en dezelfde schaterlach. De ietwat nerveuze oudere dame. De kalende man met het ontevreden gezicht.
Ze zijn allemaal onderweg. Wat gaat er in ze om? Zouden ze speciale plannen voor vandaag hebben? Wat voor dromen zouden ze koesteren?  Of is hun leven een routine zijn dat zich elke dag hetzelfde afspeelt?
Kort nadat de trein zich in beweging heeft gezet stopt zij weer. Twee conducteurs lopen zenuwachtig heen en weer. Een van heeft een portofoon in zijn hand waar hij door praat. Aan de andere kant is een vrouwenstem te horen. "Ik ben heel erg geschrokken"zegt ze huilend. Er klinken sirenes.
De conducteurs overleggen even kort met elkaar. Dan loopt een van de twee weg om een bericht om te roepen.
"Er is een ongeval gebeurt op station Sloterdijk"galmt de stem van de conducteur nu door de trein.
"Een aanrijding met een persoon. We weten niet hoe lang dit oponthoud gaat duren".
De jongen voor mij kijkt op zijn horloge en slaakt een zucht. Een vrouw vloekt binnensmonds.
Een oudere man kijkt mij doordringend aan.
"Wat een pech."zegt hij. "De dag begon zo mooi".
Hij begon zo mooi.