Thursday, 7 December 2017

Kleine meid

Het regent in Amsterdam. De klinkers glanzen en de straatverlichting is al aan, hoewel het pas vier uur is. Het is stil in de winkel.
Het is december. Het jaar is bijna voorbij. Er is niets meer aan te doen. Elke dag is er een. En elke dag brengt me dichter bij een definitief afscheid.
2017 is het jaar dat mijn moeder stierf. Straks zal het een jaar zijn dat voorbij is.
Over een week ben ik jarig. Nog twee weken later is het kerst. Daarna Oud en Nieuw.
Allemaal zonder jou mam.
Ik draai me elke dag even om en kijk naar taferelen die zich afgespeeld hebben. 
Jouw meedogenloze ziekbed. De onbarmhartige ziekenhuisopnames. Hoe barbaars, grof en beestachtig was jouw lijden en hoe bang waren we voor de toekomst. Maar we deden stoer alsof we vooruit konden kijken. We maakten plannen en we lachten om elkaars grapjes.
We zeiden dat het beter zou worden  Dat je ongelooflijk sterk was, dat je het wel zou redden.

Ik kijk om en zie de laatste verjaardagen die we samen gedeeld hebben. De laatste kerst. De laatste najaarszon. De vogels die we brood gaven, de gebakjes die we samen aten. De wandelingen die we maakten: het was bitter koud en jij zat in die loodzware rolstoel. Ik had een dekentje over je schoot gelegd en een sjaal om je hals. Je zag zo pips.
Onderweg aaiden we elk hondje dat we tegenkwamen.

Ik zou willen dat ik de laatste weken van het jaar in slow motion zou kunnen zetten. Zodat ik je niet achter hoef te laten in het jaar dat straks voorbij zal zijn.

Ik ben in  Amsterdam. De stad oogt triest in dit donkere regenachtige weer. Ik voel me triest.
Dan komt er plotseling iemand de winkel binnen.
Het is mijn vader.
Hij komt speciaal voor mij.
Hij weet dat ik verdriet heb. Niet alleen om mijn moeder, maar ook om mijn dochter. Ik mis ze allebei. 
Mijn dochter die me niet wil zien. Zo vlak voor mijn verjaardag doet dat extra zeer.
Mijn vader is vierentachtig jaar. Maar hij is geen oude man. Hij is mijn stoere sterke vader.
Hij komt even kijken of het  goed met me gaat. Dat doen vaders.
We praten even en dan gaat hij een boodschapje doen.
Wanneer hij terugkomt vist hij drie kleine paksoi stronkjes uit zijn tas.
"Wil je die hebben? Ze zijn heel erg lekker".
Ik pak een plastic zakje waar hij ze  een voor een liefdevol instopt.
Drie kleine kooltjes met mooie groene blaadjes.
We praten nog even over mijn dochter. Hij zegt dat hij het niet snapt.
"Ik stap maar weer eens op"zegt hij.
Hij glimlacht even naar me en geeft me drie zoenen.
"Dag kleine meid" zegt hij terwijl hij de winkel uitloopt.








Wednesday, 22 November 2017

Johan

Johan heeft grijs haar en een baardje.
Zijn gezicht heeft vreemde proporties. Alsof zijn voorhoofd een beetje ingedeukt is.
Maar Johan heeft vriendelijke ogen. Vriendelijke doch verdrietige ogen.
Johan is een jongen van de straat. Wanneer er een politiesirene klinkt duikt hij in elkaar.
"Ze moeten mij toch niet hebben"sist hij.
Het lichtblauwe ski-jack  dat hij draagt is een beetje vuil maar niet echt smerig, en ondanks dat Johan op straat woont heeft hij geen rouwrandjes onder zijn nagels.
Wanneer Johan naast mij staat vist hij een ratje uit zijn zak en zet het op mijn schouder.
Sabrina heet het beestje en ze is beeldschoon. Sabrina is een albino ratje met een lange roze staart en een snoezig snuitje.
"Mij bijt ze steeds", zegt Johan
Maar zodra Sabrina op mijn hand zit wordt ze kalm. Ze snuffelt wat en begint zich ontspannen te wassen.
Johan is erg druk. Hij ijsbeert door de winkel en praat aan een stuk. Hij windt zich voortdurend overal over op. Over de politie die zijn diertje van hem af wil pakken, over de toeristen die ongevraagd foto's van hem maken en over de junks, alcoholisten en het andere uitschot dat niet te vertrouwen is.
"Mijn dieren zijn mijn alles", vertelt Johan. Bovendien zijn zij voor mij de enige manier om aan geld te komen. "Vroeger, toen ik een hondje had verdiende ik pas goed. maar nu wil geen enkele dierenwinkel mij meer een dier verkopen. Zelfs geen muis of een rat. Ze vinden mij een dierenbeul".
Ik geef Johan een paar euro en een kop koffie. Bij de overbuurman heeft hij ook al een portie frites gescoord.
De volgende dag komt hij weer. Met de rat in zijn jaszak. Sabrina heeft haar pootje bezeerd toen hij een duw kreeg van een dronkenlap. Hij geeft toe dat het zo niet langer kan.
Ik biedt hem aan voor zijn rat te zorgen en dat vindt hij goed. "Omdat ik jou vertrouw Renee " zegt hij tegen me, alsof hij me al jaren kent.
"Maar als ik een kamer heb gevonden neem ik haar weer terug, dat moet je me beloven".
Ik beloof het hem.
De volgende dag komt hij weer en hij heeft een kooitje meegebracht.
"Zodra ik genoeg geld heb laat ik Sabrina bij jou achter. Omdat ik jou vertrouw"zegt Johan weer.
We staan even te praten en drinken samen koffie. Hij is snotverkouden want hij heeft kou gevat omdat hij buiten heeft geslapen.
"Vroeger zat ik bij het circus"vertelt hij.
We praten nog even verder. Johan vertelt over zijn vader en moeder die vlak na elkaar gestorven zijn. De een met kerst, de ander met Oud en Nieuw. Over zijn vriendin die van negen hoog naar beneden is gevallen en over zijn ex vriendin die verslaafd is aan coke, drank en heroine.
"Jij bent een goed mens Renee"zegt Johan.
Zodra ik geld heb neem ik je mee en gaan we wat drinken. Neem je kinderen maar mee. En daarna gaan we naar een lachfilm. want er is al genoeg ellende."

De rat is in slaap gevallen op mijn schoot.


Thursday, 12 October 2017

Het carnaval der herinneringen

Vanochtend werd ik klam en geëmotioneerd wakker. Er had zich gedurende de nacht een eigenaardig tafereel afgespeeld in mijn slaap. Een bizarre verzameling van puzzelstukjes van verschillende periodes uit mijn leven. Een carnaval van herinneringen was aan mij voorbij getrokken.
In mijn droom was ik in een huis waar ik ooit gewoond had.
Of eigenlijk was het een combinatie van twee huizen.
Het hele huis zat propvol herinneringen.

De twee Siamezen Broer en Zus lagen opgerold in een hoekje te slapen en mijn kleine cyperse katertje Morrison klom vanuit de tuin naar boven, via de speciale trap die we ooit voor hem gemaakt hadden.
Ik zag mijn kinderen weer als baby. Mijn moeder was er ook. Ze had haar verpleegstersuniform aan en oogde sterk, fit en levenslustig. Ze had haar mouwen opgerold en was flink aan het werk. Ik zag haar precies zoals ze een jaar of twintig geleden was.
Het hele huis werd leeg gehaald. Mijn zus hielp ook mee. Ik dacht eerst dat ik ging verhuizen., maar na een tijdje begreep ik het pas:
We waren alle herinneringen aan het uitzoeken.
Ik zag herinneringen die ik heel lang niet had gezien. Speelgoed waar mijn jonge kinderen mee gespeeld hadden. Rammelaars, grote Duplo blokken, treinen, auto's en knuffelbeesten. Sommige gooide ik zo een vuilniszak in, andere hield ik even geëmotioneerd tegen me aan. Het muziekdoosje met de melodie waar mijn moeder altijd zachtjes op meezong. Ik zag de blik in haar ogen zoals ze naar mijn -nog- jonge kinderen keek: Trots, vertederd en gelukkig. Ik zag hoe ze met ze in de kinderwagen ging wandelen. Ik zag hoe ze hen in slaap wiegde en hoe ze in slaap vielen op haar schoot.
Mijn schattige verdwenen katertje Morrison.Ik voelde hoe zacht zijn vacht was en kuste hem op zijn snuit. Ook mijn andere kat Poema was terug en liet zich door mij knuffelen. Alsof ze nooit weg geweest waren.
Ik was blij dat mijn zus mij hielp want in mijn eentje had ik nooit zoveel herinneringen kunnen uitzoeken. Samen stopte we de herinneringen in denkbeeldige dozen, zakken en kasten. We zochten voor elke herinnering een passend plekje.
Sommige hield ik even dicht bij me in de buurt. Zoals de plastic Fisher Price telefoon die een lachend gezicht had en die ik vergeten was. Of het kleine roze jurkje dat allebei mijn dochters hadden gedragen. En het schepje waarmee mijn zoon zingend zandkastelen had gegraven. De kamer in het ziekenhuis waar een van mijn kinderen was geboren. Vrolijk ingepakte sinterklaascadeautjes. Mijn opa en oma die glimlachten. De Fabeltjeskrant. Rode suède schoenen die ik als klein meisje had gedragen.
Mijn ouders die samen zaten te praten met de televisie op de achtergrond. De schoolklas waar ik als kind naar binnen liep.

Bij het ontwaken huilde ik. Ik probeerde nog even naar alle herinneringen te kijken die ik in mijn droom voorbij had zien komen.
Alle momenten, fasen, periodes en ontwikkelingen die voorbij waren. De mensen, dieren en dingen die er niet meer waren. Maar die ergens aanwezig zouden zijn.
In mij. Voor altijd.




Wednesday, 6 September 2017

Kermis in de hel

Het is september en het regent heel hard. Tegelijkertijd schijnt de zon.Herfst en zomer spelen wie het sterkste is.
Nog even en dan verdwijnen de bloemen uit de tuin, raken de bladeren los van de bomen en komen er paddenstoelen op.
Maar voorlopig doet de nazomer zon nog haar best. Hoog in de lucht is een regenboog zichtbaar: "Kermis in de hel" zei mijn moeder altijd.
In de tuin, bij het kleine citroenboompje staat haar urn.


Loes en ik hebben samen de as opgehaald in het crematorium in Venlo. De avond ervoor ging het licht in mijn woonkamer een paar keer aan en uit. Fotolijstjes hingen onverklaarbaar scheef en bij mijn zus ging 's nachts de deur van de logeerkamer open en dicht.
Was jij dat mam?
"Mam" ik zeg het bewust soms even hardop.

Ik ben bang dat het straks gewoon wordt. dat het ergste missen voorbij zal gaan. Dat het normaal zal zijn dat ik geen moeder meer heb.

In het crematorium is dezelfde meneer die ook bij de crematie aanwezig was. "Ik  weet wel wie jullie zijn" zegt hij. "Ik vond dat jullie het heel goed hadden gedaan. Het was een mooi afscheid".
Het klinkt alsof we een prestatie geleverd hebben. Alsof we een theaterstuk gecreëerd hebben. Een schouwspel neer hebben gezet. Een stuk entertainment hebben geboden. Alsof we het overlijden van onze moeder een positieve wending hebben gegeven.
"Dank u wel" zeg ik omdat van me verwacht wordt. Maar het voelt raar.

Het kamertje waar we zitten is heel klein. aan weerszijden staan vitrinekasten met allerlei urnen, vazen en keramiek potten waar je de as van overledenen kunt opbergen. Voor elk interieur een andere stijl.  In het midden staat een rond tafeltje. Daarop staat een zwarte pot met een zilverkleurig deksel.
Op het deksel staat de naam van mijn moeder: "Maria Engelina Theresia".
Engelina, de naam waar mijn moeder een gruwelijke hekel aan had.
Ze liet zich daarom liefst Angelina noemen.
Als kind vond ik het gemeen van mijn oma dat ze mijn moeder Enge Lina had genoemd.

Mijn moeder. Lineke. Mam. Ze is dood. En dit is haar as.
Ik doe mijn best maar ik kan me er met geen mogelijkheid iets bij voorstellen. Het dringt niet door.
Pas wanneer ik een keer of zes haar naam heb gelezen en mijn handen om de urn heen vouw begin ik iets te begrijpen van het feit dat dit haar overblijfselen zijn.

"Wilt u wat as in een zakje hebben?" vraagt de vriendelijke man nu. Het klinkt alsof hij ons wat lekkers aanbiedt.
"U kunt het deksel ook thuis openmaken met een blikopener. Maar anders haal ik er nu vast was as uit. Voor als u het misschien onderweg wil uitstrooien."
Loes en ik kijken elkaar aan.
"Eh ja" waarom niet, besluiten we.

Met een speciaal instrument haalt de man het deksel van de urn. Dan vist hij er een doorzichtige plastic zak uit. Met blote handen haalt hij het sluitclipje er af.
Met een schep vult hij drie kleine plastic zakjes. er ligt een zwarte stift klaar waarmee hij er de datum en de initialen van mijn moeder opschrijft.
Dan stopt hij de plastic zakjes in kleine fluwelen buideltjes.
De as die hij op tafel gemorst heeft veegt hij met zijn handen weg.
"Het is volkomen steriel hoor"zegt hij met een professionele glimlach.

Aarzelend neem ik een van de zakjes aan. De as lijkt op schelpzand dat ook wel op fietspaden ligt.
Het is grover dan ik dacht.
Ik kijk er naar maar mijn hersenen zijn nu volledig gestopt.
Tenslotte pakt de man een zwarte papieren tas waar hij de urn en de zakjes in stopt.
Ik verwacht bijna dat hij me gaat feliciteren met mijn aankoop. Maar dat doet hij gelukkig niet.
Hij geeft ons wel een hand.
"Het beste met u" zegt hij.

We starten de auto en rijden naar huis.
Mijn zus en ik,  met de urn van onze moeder in de achterbak.

Onderweg begint het te regenen. "Je kunt zien dat het nu snel herfst wordt" zegt mijn zus.








Tuesday, 29 August 2017

Helden voor een dag


Het hotel staat in een drukke straat in Cambodja. Er zijn twintig verdiepingen in het gebouw. De kamer waar jij ligt te slapen is summier ingericht. Er is een klein bureautje met een oude tv. Op het nachtkastje ligt naast een volle asbak een bijbel. De vloerbedekking vertoont slijtageplekken en de deur naar de douche staat half open.  Het is hier warm want de air conditioning laat het af en toe afweten. De deuren van het balkon zijn gesloten en de gordijnen zijn dicht.
Het is bijna zeven uur in de ochtend. Door een kier in het gordijn schittert wat zonlicht. Tedere schitterende stofkorreltjes dansen in de lichtval.
Sterrenstof. Goudstof.
Jullie liggen in elkaars armen te slapen. Jouw ademhaling is diep en onregelmatig. Af en toe stopt je ademhaling helemaal. Je lijf ligt akelig stil. Maar dan neemt je ademhaling een aanloop en komt het schokkend weer op gang.
Het bed, de lakens, de sprei die aan het voeteneind ligt. Het karige interieur van de kamer. Dit is jouw veilige haven. Jouw stille laatste toevluchtsoord.
Beneden op straat raast het verkeer. Het geluid stijgt op.Het kaatst tegen de ramen van de hotelkamer  maar is niet in staat de stilte te verbreken.
Jouw armen liggen losjes naast je lichaam. je hoofd ligt op zijn schouder. Hij houdt zijn arm om je heen geslagen. Beschermend.
Zo zijn jullie samen in slaap gevallen . Twee verliefde jongens.

Tien jaar geleden. Het is hartje winter in Nederland. Partners in crime zijn jullie. Allebei pas vijftien jaar oud. Kinderen met een gebruiksaanwijzing. Kwetsbare kinderen. Prachtige kinderen. Stoere, jonge helden op ontdekkingsreis.Pubers op het randje van volwassenheid.
Het leven lijkt een bizarre grap waar jullie samen het plot van zoeken.Mijn dochter Robina en jij: Damien. Beste vrienden die samen de wereld aan kunnen.
Het is geen gemakkelijke tijd: Liefdesverdriet en euforie, vreugde en verdriet, wisselen elkaar af.
Onbegrip, boosheid, vertwijfeling , ruzies thuis die escaleren. Er zijn volop feestjes en veel geëxperimenteer met geestverruimende middelen. Jullie nemen soms grote risico's. Maar houden elkaar overeind.
Door de jaren heen blijven jullie close. ook als jij besluit verre reizen te gaan maken.

 Het is bijna middag in Cambodja. De zon is verstikkend heet. De drukte op straat neemt toe.
Je geliefde opent zijn ogen.Dan is er ineens paniek.
Je bent nu zo diep in slaap dat hij je niet kan wekken.Dan gebeurt er van alles in de hotelkamer.
Het stof stormt in het felle licht. Iemand bonst op de deur. Vreemden rennen de kamer in.
Er wordt geschreeuwd.
Iemand roept jouw naam.
Jij bent al ver weg.

In gedachten ga ik terug in de tijd. Robina woont nog thuis. Op een grijze kille winterochtend loop je me tegemoet op de brug.
Ik herken meteen je smalle, sombere gestalte. Het is bitter koud en ik heb de verwarming in de auto hoog aan gezet. Jij draagt geen jas. Je loopt met je handen diep in je zakken en gebogen hoofd richting ons huis.
Ik stop en laat je instappen.
Je glimlacht blij.

Het verkeer raast verder in de straten van Phnom Penh. Iemand opent de balkondeuren en het geluid stroomt naar binnen.
Het is oorverdovend.

Ik ben boodschappen aan het doen als Robina mij in tranen belt.
Huilend rijd ik naar huis.
Wanneer ik over de brug rijd zie ik je in gedachten weer lopen.
Een jongen op weg naar zijn beste vriendin.
Ik kijk je na tot je gestalte oplost in het zonlicht.




Damien 11 Juli 1992-10 Juli 2017.















Monday, 19 June 2017

Warmte

Het is zwaar om toerist in Amsterdam te zijn vandaag.
Een echtpaar van een jaar of zestig met korte broek, bezweet poloshirt en Nike airs komt zwoegend voorbij. Ze dragen hun rugzak op de buik wat er stompzinnig uitziet.De blik is ernstig en vermoeid. De wangen rood en de mouwen opgestroopt. Ze moeten door want ze zijn op vakantie. er is nog veel te zien.
Het is geen lolletje met meer dan dertig graden in de stad. De straten zijn heet. Het wegdek glimt. Zelfs de duiven hebben er last van. Met hun verminkte poten hobbelen ze door de stad. Scharrelend naar voedsel. Ze fladderen lichtjes geïrriteerd op wanneer een auto ze maar net ontwijkt. Dan landen ze weer zorgelijk op het zinderende asfalt van de straat en gaan onvermoeibaar door met pikken.

Echt, ik houd van de stad. Maar zo nu en dan irriteert ze me. Zeker wanneer het zo warm is en ze er afgepeigerd, slonzig en lusteloos uitziet.
Ik vind de stad niet lekker zo. Ik vind haar stom en lelijk.
Winkeliers zitten op klapstoeltjes voor hun etalages, ze kijken voor zich uit. Er is niets te doen want klanten zijn er niet.Vandaag doet niemand boodschappen. Laat staan dat men de moeite neemt om kleding te gaan passen of zomaar te winkelen.
"We eten wel een broodje vanavond" Hoor ik een moeder vermoeid tegen twee kinderen zeggen. Ze hebben een ijsje in hun hand en zitten verhit, verfomfaaid en plakkerig in een bakfiets.
Het is vuilnis ophaaldag en de stoepranden zijn bezaaid met stinkende zakken, stukken karton en etensresten. Een weeïge misselijkmakende geur verspreidt zich door de buurt. Meeuwen met gemene snavels maken duikvluchten tussen het vuil.
De winkeliers kijken chagrijnig op.
Het is te heet om vrolijk te zijn. Het is te heet om te eten, te heet om te winkelen en te heet om de toerist uit te hangen.

Ik stel voor dat we de stad vandaag sluiten en er op uit trekken. Naar buiten! Naar malse groene weides,drassige polders en velden vol korenbloemen en klaprozen.
Weg van de stad. Op naar eindeloze uitgestrekte natuur. Naar schone lucht en blauwe hemel.

Maar 's avonds, wanneer het wat is afgekoeld roept de stad me weer terug.
In het donkerblauwe schemerdonker van de zomernacht is de stad weer mooi, sensueel en geheimzinnig. Ze lonkt naar me en ik kan er niets aan doen: plotseling houd ik weer van haar als nooit tevoren..
De stad. Mijn stad. Ze heeft zich gehuld in een mysterieuze nachtelijke sluier die ik niet kan weerstaan.
Mijn stad.Ze is een wellustige verleidster.
Ze brengt me weer in vervoering. Met lichtjes op de gracht, terrassen waar gelachen en geroezemoesd wordt en muziek die door café deuren naar buiten stroomt.
Ik houd van de stad. Hoe erg ik haar soms ook kan haten. Hoe schunnig, smoezelig en haveloos ze soms mag zijn.
En ook al vervloek ik haar soms overdag.
's Nachts maak ik het altijd weer goed.











Tuesday, 6 June 2017

Bespiegelingen.

Gisteren hebben we je binnen gezet. Ik zat al een paar weken op je te wachten en had me al vaak afgevraagd of je wel in mijn interieur zou passen. Het oude hout tussen de moderne meubels,  het glanzende wit en het zwarte leer.
En nu was het dus zover. Het voelde haast als een ritueel.Je bent al jaren in onze familie, maar voor mijn ouders je kregen was je het pronkstuk van een ander gezin. Van mensen die ik nooit gekend heb. Eigenlijk was je al oud toen je in ons ouderlijk huis kwam te staan.
Als kind heb ik altijd al van je gehouden. Ik vond je mooi en indrukwekkend. Ook bij ons thuis was je het middelpunt. Mijn moeder hield niet van "prullaria" en al teveel decoratie, maar ze was wel gek op haar antieke meubels. Teveel spulletjes betekenden in haar ogen alleen maar meer afstoffen en opruimen. Iets waar ze geen groot liefhebster van was. En dat is een understatement.
Wellicht dat ik daarom totaal tegenovergesteld ben. Als kind al hing ik enorm aan de geringe opsmuk die we in bezit hadden: Elk vaasje, ieder beeldje, elk spaarzaam ornament dat ik kon vinden stofte ik af en koesterde ik.Toen ik eenmaal volwassen was en zelfstandig woonde had dat een obsessieve verzameldrang tot gevolg. Die uiteindelijk resulteerde in een imposante verzameling glaswerk en curiosa waar de gemiddelde handelaar zelfgenoegzaam mee zou koketteren.

De kast waar ik zo dol op ben is met ambachtelijk vakmanschap vervaardigd en bestaat uit twee losse delen: Vier kromme poten waarop  een dikbuikig onderstel rust:twee smalle kastjes aan weerszijden en een brede in het midden. Daarboven een lade. De deurtjes bevatten allen sleutelgaten waarvan -wonderlijk genoeg- de sleutels allemaal nog aanwezig zijn. .Aan de sleutelgaten hangen koperen druppels, ter versiering. 
Bovenop het onderstel bevindt zich een los opzetgedeelte waar twee glazen vitrinekastjes een geslepen spiegel omlijsten. Een spiegel waar je even achteloos een blik in kunt werpen wanneer je de tafel aan het dekken bent. Ik zie in gedachten hoe mijn moeder nonchalant haar kapsel in model duwt wanneer ze in de spiegel kijkt. 
Wie zouden door de jaren heen nog meer in de spiegel in hebben gekeken? Zoveel verschillende gezichten, zoveel herinneringen liggen er in de kast verborgen. Wellicht ligt de schaduw van de afbeeldingen nog achter het spiegelglas verborgen. En misschien, wanneer het onweert en bliksem de kamer verlicht komt zo'n gezicht even tevoorschijn. Heel kort. Een fragiele schaduw.
De beeltenis van mijn moeder, die even haar haren schikt.
Even tersluiks, voor ze weer verder gaat met de dingen die ze moet doen.

Het oude hout vertoont hier en daar wat slijtage. Onverhoeds zijn er ooit te hete potten en pannen bovenop gezet, of vazen met natte voeten. De kast heeft het allemaal gelaten ondergaan. Gelaten en liefdevol. 
Net zoals ze nu haar plaats in het nieuwe huis inneemt. Mijn huis. Aanvankelijk als een vreemde. Een op het eerste gezicht zonderlinge figuur uit een ander tijdperk. Maar geleidelijk zal zij haar plek vinden. Zal ze vertrouwd raken in de nieuwe omgeving.
Die eerste nacht staat de kast onwennig in mijn kamer. Ze is helemaal ingericht, gepoetst en gedecoreerd. Het hout zucht. Het spiegelglas licht even op. De poten kraken. 
Ze staat er wat weemoedig bij.