Wednesday, 4 April 2018

Schilderijen.

Lieve mam,

Het is bijna een jaar geleden dat ik je voor het laatst zag.
Dat ik naast je bed stond en "Dag mam" zei.
De tijd is onbarmhartig snel gegaan. Het is Lente geworden, en daarna zomer. Ik heb veel mooie dingen gezien die ik graag met je had willen delen.. Ik was in Rome, net als jij ooit. Ik bezocht de Trevi fontein en het Sint Pietersplein. Telkens dacht ik er aan hoe jij daar had geflaneerd, voor mijn geboorte. Levendig, stralend. Je droeg een zomerjurk en naaldhakken.
Zo zag ik je daar in gedachten voorbij wandelen; lachend, met een ijsje in je hand.
Na de zomer begon de herfst, jouw lievelings seizoen. Elke keer als ik iets moois zag dacht ik aan jou. Dan hoopte ik dat je misschien door mijn ogen mee kon kijken. 
Het werd winter en jouw verjaardag ging voorbij zonder dat jij er was.
Daarna kwam Sinterklaas, Peter's verjaardag (die tot dit moment net zo oud was geweest als jij), mijn eigen verjaardag en daarna kerst en Oud en Nieuw.  Toen het vuurwerk begon, wist ik dat ik je achter moest laten in het oude jaar. Dat voelde zo raar en oneerlijk. Alsof onze wegen zich nu definitief gingen scheiden.
De feestdagen waren incompleet zonder jou. Daarom nam ik je stiekem mee naar alle speciale momenten. Soms wist ik me even geen raad, dan stak ik kaarsjes voor je aan en zette bloemetjes bij je fotolijstje. Ik draaide je favoriete jazz nummers en zong ze luidkeels mee. Dan hingen ineens de schilderijen en foto's scheef en meende ik zo nu en dan iets langs mij te zien bewegen. Was jij dat soms? 
De winter duurde lang. Loes en ik belde elkaar bijna dagelijks. Giel en ik  brachten Zoe naar haar nieuwe stage adres. Ik stoeide met Luca en knuffelde met de katten. Het leven ging door.
Er gebeurde mooie en minder mooie dingen. Er waren verdrietige momenten. Ik ben blij dat die jou bespaard zijn gebleven. 
Net als vorig jaar is de sneeuw gesmolten, zijn de goudvissen in de vijver weer boven gekomen en hebben de eerste voorjaarsbloemen hun kopjes alweer uit de donkere aarde omhoog geboord. Vogels hebben nesten gebouwd. Het heeft geregend, gehageld en een paar keer flink gestormd. We hebben gevochten, gehuild, gelachen, geleefd. Zonder jou.
Dag mam.


Monday, 26 March 2018

Besmettingsgevaar

Het griepvirus heeft zich deze winter onvermurwbaar en in verschillende varianten gemanifesteerd. Bovendien vriest het nog flink. Deze twee factoren garanderen mij dat het druk zal zijn in de wachtkamer van de huisarts. En ik heb gelijk:  Ik zie rode neuzen, dikke sjaals en waterige ogen. Er wordt gehoest, geniest en hier en daar zelfs zacht gekreund. De huisarts heeft deze tijd van het jaar genoeg klandizie.
In de ongezellige ruimte bevindt zich een stereoptype opstelling van mensen. Het lijkt alsof iemand met weinig fantasie een groep figuranten ingehuurd heeft. Het is dezelfde groep die ik ook zie wanneer ik naar de markt ga, als ik op de trein sta te wachten of wanneer ik op een willekeurige zondagmiddag door het Vondelpark loop. Het lijkt een groep mensen die afkomstig is van een middelmatig castingbureau.
Een groep onderbetaalde, stereotype figuranten die is komen opdraven om een paar centen te verdienen. Sombere figuren. Fantasieloze personages. Gewone mensen.
Ik loop naar binnen en zeg bescheiden "Goedemorgen". Hier en daar mompelt er iemand iets terug. Sommigen pretenderen me niet te hebben gehoord en kijken zwijgend voor zich uit.

Er zijn nog enkele zitplaatsen vrij en ik heb het geluk, dat ik een vrijstaande stoel aantref. Ik ben niet bang aangelegd maar toch enigszins huiverig om iets besmettelijks op te lopen.
Het duurt lang voor de volgende patient geroepen wordt en ik heb gelegenheid om het hele groepje op mijn gemak te kunnen bekijken: Links van mij bevindt zich een jonge moeder die eruit ziet alsof ze al een week niet geslapen heeft. Haar blik is geirriteerd en haar toon is ontstemd.
Een peuter met een speen half in de mond, zit aan het "speeltafeltje"en probeert iets te creĆ«ren van het stapeltje puzzelstukjes waar de verf afgesleten is.
Wanneer het kind lachend iets wil zeggen legt de moeder gefrustreerd haar hand op haar mond en maakt een luid sissend geluid. Eerlijk gezegd erger ik me vaak meer aan de ouders, dan aan de kinderen. Ook hier krijg ik de neiging om de moeder een corrigerende tik op de vingers te geven.
Naast haar zit een vrouw van middelbare leeftijd. De vrouw heeft een dikke winterjas aan en een muts op. Ze heeft een tas op schoot die ze angstvallig met beide handen vasthoudt. Bij haar voeten staat een boodschappentas waar een bos prei uitsteekt.
Het echtpaar dat naast de vrouw zit voert een discussie in een taal die ik niet kan thuisbrengen. De man is klein en gedrongen. Hij heeft een gerimpeld gezicht en is in het bezit van een bijzonder fraai gevormde snor. Zijn vrouw draagt een lange kaftanachtige jurk met een jas eroverheen, een hoofddoek en aan haar voeten een paar fragiele muiltjes.
In de hoek van de wachtkamer zit een jongen van een jaar of twintig. Zijn kleding; collegesjaal, spijkerbroek en sweater, en rugzak waar een paar boeken uitpuilen doen vermoeden dat hij student is.
In het midden zit een bejaarde vrouw die mij aan mijn moeder doet denken. Ze is duidelijk op leeftijd, maar is kleurrijk en eigenzinnig gekleed.
Dan komt er een heer binnen. Ik schat hem een jaar of tachtig.
De heer is gedistingeerd doch enigermate zwierig gekleed. In zijn handen houdt hij een boeket.
De heer groet alle wachtenden met een krachtig "Zeer goedemorgen" en wil vervolgens plaatsnemen naast de oudere dame.
"Goh, zijn die voor mij? "zegt de vrouw met een bloedserieus gezicht.
"Nee", zegt de heer. Die heb ik zorgvuldig voor iemand anders uitgekozen."
"Het is anders een fleurig boeket". zegt de vrouw nu. "Het ziet er vrolijk uit".
"Dat ben ik niet"zegt de heer nu terug. "Ik wou dat ik dood was."
"Dan bent U hier op het verkeerde adres" respondeert de dame.
"Misschien kom ik wel om een spuit" zegt de heer nu weer. Hij lacht er ondeugend bij.

Even is het stil en dan begint iedereen te lachen: De vrouw met de boodschappentas, de jonge moeder, de peuter, het echtpaar, de bejaarde dame, de student. En ik.






Tuesday, 6 March 2018

Het huis van Nijntje

De boekjes waar ik je uit voorlas toen je klein was, ik heb ze bijna allemaal nog. Sommigen heb ik zo vaak gelezen dat ik de woorden na al die jaren nog weet. Zoals deze: "Dit is het huis van Nijntje, het is wel niet zo groot, maar wel heel erg gezellig. De luiken die zijn rood".
Wat leek alles toen anders. Simpel, gezellig en hoopvol. Nijntje beleefde een hoop avonturen:  Ze leerde fietsen, haar vriendinnetjes kwamen logeren en ze ging naar de dierentuin  met opa en oma Pluis. 
Nijntje had altijd plezier.
Jij was klein maar nu ben je groot. Je hebt je eigen huis in Amsterdam en twee katten. Twee hartewensen die uitkwamen.
In het kleine huisje zijn de gordijnen altijd dicht. De wasmachine is kapot. Er staan verwelkte bloemen en  heel veel vuile afwas in de keuken en wasgoed op de vloer. Er staan zoveel spullen van de straat dat je er nauwelijks kan lopen. Met de deur op slot en de ramen gesloten verstop jij je daar voor de rest van de wereld. "Het bunkertje" noem je het sarcastisch.

Het huisje ziet er anders uit dan in het Nijntje boekje.  
Ook de wereld ziet er anders uit.
Jouw wereld is onvoorspelbaar. Er dringt nauwelijks daglicht door. Het is een wereld van stilstand, van chaos en van eenzaamheid. Een wereld in een andere dimensie. Een onveilige wereld.

Vandaag word je opgenomen.  Ik heb een tas ingepakt met schone sokken, toiletartikelen, een paar stuks nieuwe kleding en een boek. Boven op zolder heb ik je oude knuffelkonijn gevonden en die heb ik er ook bij gestopt. Straks gaan we je ophalen en brengen we je weg. Het lijkt  zo eenvoudig.

Ik ben bang maar ik houd me sterk. Ik laat niks merken. Ik pak je hand en zeg dat het goed komt. Inwendig tril ik. Mijn God, wat ben ik bang. 
Ik durf haast niet meer te hopen. Maar ik doe het toch. 

En dan zit je achterin de auto. Je katten zitten in een mandje naast jou op de achterbank. Die neem ik voorlopig mee naar huis.
Daar zit je dan.
Het kind dat zo graag buiten was. Het kind dat altijd lachte. Dat graag zong en zo goed kon leren. Het  gezonde kind. Het gelukkige kind. Het buitenkind, dat met rubber laarsjes in de plassen stampte. Dat speelde met de dieren van de boerderij. Rennend, ravottend en gierend van het lachen. Dat alles kon worden, misschien wel paleontoloog, of uitvinder. Of dierendokter.
Net als Nijntje in de boekjes.
Voorzichtig rijden we de straat uit.
Daar gaan we.
We proberen niet bang te zijn.
Het is gewoon een nieuw avontuur.
Ik durf haast niet te hopen.











Saturday, 24 February 2018

Long time no see

Ondanks dat de trein overvol is vind ik twee lege banken.
Ik neem plaats aan het raam en zet mijn rugzak tegenover mij.
Ook al is het  hartje winter en bitter koud, de zon schijnt zo fel door het venster dat het toch een beetje voorjaar lijkt. 
De trein zet zich in beweging en bebouwde gebieden wisselen elkaar af met stukken weidegrond waar mollige schapen bedaard in groepjes bijeen staan.
Bij een volgend station leegt en vult de trein zich opnieuw.
Een man van een jaar of veertig schuift voorzichtig langs mijn knieen naar de lege zitplaats tegenover mij. Zuchtend neemt hij plaats.
Een helder, fris aura van koude buitenlucht omhult hem.
Maar de man oogt moe. Zijn handen met te grote handschoenen laat hij rusten in zijn schoot. Hij sluit zijn ogen.

De trein rijdt verder. Een nieuw station brengt weer een nieuw aantal reizigers met zich mee.
Een van hen, een vrouw met een ernstig gezicht, zeult een zware koffer door het gangpad. Ze loopt langs maar blijft  dan even stilstaan.  Haar blik is gevestigd op de man tegenover mij.
In een seconde die een eeuwigheid lijkt te duren blijft de blik van de vrouw op de man gericht.
Haar ogen lachen en huilen tegelijk. De man heeft zijn ogen nog gesloten.
Dan speelt zich plotseling een film af.

Ik zie de man en de vrouw. Zij zijn erg jong.. Haar ogen staan vrolijker dan vandaag, haar haren lijken blonder en er zitten meer krullen in.
Haar gezicht is zacht en perzikkleurig. Een kinderlijk gezicht nog.
De man zit naast haar. Ik zou hem bijna niet herkennen. Hij is erg slungelig en zijn ogen staan ongelovig. Hij oogt als een onnozele, nog speelse jonge hond, zoals ik dat wel vaker zie bij jonge mannen op het randje van volwassenheid.  Hij heeft een blos op zijn wangen. Een aandoenlijke, jongensachtige blos. Zijn arm ligt stevig om haar schouders .Alsof hij daarmee zijn onzekerheid wil verbloemen. Of hij hiermee wil laten zien dat het menens is. Het is een energieke, zorgzame arm. Een zelfverzekerde arm. Een arm die op weg is naar volwassenheid. Naar een toekomst samen met haar.
Naar vakanties met z'n tweetjes. Naar een huis om in te wonen. Naar een kind, een hond en misschien wel een konijn in een zelf getimmerd hok. 
Naar voor altijd met elkaar. Naar gelukkig zijn. Ekaar trouw blijven en nooit ruzie maken.
Naar "In ziekte en gezondheid" naar eindeloze vrijpartijen, naar nooit meer zonder elkaar.
Hij slaat zijn arm nog iets dichter om haar heen.
Dan geven ze elkaar een kus.
Samen zitten ze zwijgend tegen elkaar aan op het bankje van de trein.

De vrouw wendt haar blik weer af. Dan loopt ze door.




Monday, 29 January 2018

Kleine jongen

Hij zet zijn fiets voor de deur. Zijn haren hangen in natte slierten voor zijn gezicht. Zijn jas is doorweekt. Op zijn rug draagt hij een loodzware tas. Zijn wangen blozen en hij kijkt ernstig. Hij komt zojuist uit school.
Hij lijkt verbaasd mij thuis te zien en zijn blik veranderd in een glimlach. "Kleintje"zegt hij tegen me. Hij lacht er breed bij. Mijn hart maakt een sprongetje als ik hem zie. Mijn zoon. Mijn jongste kind. Hij is ruim een kop groter dan ik. 
Mijn zoon; de grappenmaker, de toneelspeler, de danser, de filosoof, de creatieveling. Wat ben ik trots op hem.
Was hij twee jaar geleden nog een knulletje.Nu is hij lang, breedgeschouderd en stoer. Een jongen waar meisjes verlegen mee flirten.
Een jonge prins, vol van energie, van verhalen, van grappen, anekdotes, nieuwe ervaringen en uitdagingen.
Zijn leven is een belofte. een avontuur.
Hij is een jonge hond die uitgelaten door het leven draaft.  Snuffelend, dansend. De toekomst is louter een onontgonnen terrein voor hem om te ravotten, graven en stoeien.
De toekomst is van hem en die is eindeloos. 
Ik zie hoe hij langzaam maar zeker steeds zijn eigen weg gaat.  
Hij is geen kleine jongen meer.

Ik las eens een verhaal van een vrouw die zich haar kinderen voorstelde wanneer zij heel oud zouden zijn. Een moment ver in de toekomst, wanneer zij er al lang niet meer zou zijn.
En dat, wanneer zij oude mensen zouden zijn, zij niets meer voor ze kon betekenen.
Die gedachte maakte dat ze bijna in tranen uitbarstte.
"Ik hoop", schreef ze, "dat mijn kinderen niet eenzaam oud worden". Want, ik blijf immers altijd hun moeder, maar ik kan niet voor altijd bij ze blijven.

Ik heb drie kinderen. Twee meisjes die al jonge vrouwen zijn. En een zoon die keihard van zijn kinderjaren naar volwassenheid op weg is. Gehaast, gemotiveerd. Speels en bijna onbeheerst .

Over een tijd zal hij het huis verlaten. Zal hij een meisje ontmoeten waar hij verliefd op wordt. Hij zal een man worden. Misschien zal hij zelf vader worden. En op een dag zal ik alleen op de achtergrond aanwezig zijn.
De snelheid waarmee hij de toekomst tegemoet rent maakt me soms bang. 
Maar het maakt me ook trots. 
Maar soms kijk ik terug naar de tijd dat hij nog klein was.
Dat hij in mijn armen in slaap viel en alles zo eenvoudig leek.

Andre Hazes:

Dit leven gaat voorbij 
Er is zo weinig tijd dus leef want jij bent vrij 
Maar doe het wel verstandig maak de mensen blij 
Dan zul je echt gelukkig zijn 
Want het leven is zo kort  
Veel dingen worden anders als je ouder wordt 
Je speelt nu nog met blokken maar dat duurt niet lang 
Het is jammer, maar je blijft niet klein .

Kleine jongen....



Tuesday, 9 January 2018

Klokkijken

Ik kon niet slapen gisteren.
Braaf was ik mijn wederhelft gevolgd naar de slaapkamer want hij was moe.
Hij had gelijk.
Ik had eigenlijk ook moe moeten zijn en was dat waarschijnlijk ook. Echter mijn hoofd wilde weer eens niet toegeven.
En mijn hoofd is enorm koppig, letterlijk en figuurlijk.
Ik wist dus eigenlijk al dat het geen zin zou hebben in bed te gaan liggen.
Want het hoofd heeft altijd het laatste woord. Het lijf kan nog zo moe zijn. Als het hoofd het niet wil wordt er niet geslapen.
"Waarom ben je onrustig?" Vroeg ik. Maar het hoofd wist het niet. 
"Is er iets dat ik kan doen?" Vervolgde ik. Maar het hoofd schudde somber van nee.
Intussen lag ik in de donkere slaapkamer en probeerde een houding te vinden waarin ik makkelijk in slaap zou vallen. Maar het bed lag verschrikkelijk.
Mijn nek lag geknakt op het kussen. Mijn voeten waren ijskoud terwijl de rest van mijn lichaam bloedheet aanvoelde.
Mijn oren waren gespitst op elk geluid en zodra ik een klein beetje leek te kunnen ontspannen, hoorde ik een geluid waarop mijn hele systeem alert reageerde.
Mijn wederhelft was inmiddels in een een diepe slaap gezakt. Zijn ademhaling werd eerst regelmatig en ontwikkelde zich geleidelijk tot een vredig gesnurk.
Ik probeerde mijn oren onder het dekbed te verstoppen zodat ik het niet meer zou horen, maar het gesnurk leek telkens in volume toe te nemen.
Ik overwoog om op te staan en een fles wijn leeg te drinken.
Maar het hoofd zei dat ik dat niet mocht.
"Wat wil je nou eigenlijk"? Vroeg ik geirriteerd.
Het hoofd wist het nog steeds niet.

Mijn gedachten maakten sprongetjes. Alle kanten op. Omhoog en omlaag. 
Ineens dacht ik aan een klok die ik vroeger had gehad.
De klok had sierlijke krullen en een barok uiterlijk.
Ik vroeg me af wat er ooit mee gebeurd was.
Ik zag de klok heel precies voor me: het uurwerk zat een beetje los en het liep niet meer, maar de lijst erom heen was zo uitbundig versierd dat ik er altijd graag naar keek.
De klok had zijn oorspronkelijke functie verloren, maar als sierobject was hij me veel waard.
Ik vroeg me af wat er met de klok gebeurd was. Had ik hem weggegooid? Of weggegeven?
Had iemand hem meegenomen om hem te repareren?
Ineens miste ik de klok.
Dit was een vreemde gewaarwording aangezien ik al jaren niet meer aan hem gedacht had.
De klok, was hij van mijn ouders geweest?
Ik vermoedde van wel.

"Je neemt me in de maling he?"zei ik tegen het hoofd.
Je laat me dingen zien om me wakker te houden. Je probeert me raadseltjes op te laten lossen zodat ik niet in slaap kan vallen".
Even was ik boos.

Het volgende moment zag ik duidelijk waar de klok vandaan kwam. 
Hoe hij vroeger bij mijn ouders in de huiskamer stond. Lang voordat ik hem gekregen had.
Ik herinnerde me dat mijn vader hem op een veiling had gekocht. Met de gedachte hem op te knappen.
De kapotte klok met haar mooie, krullerige behuizing.
Maar het was er nooit van gekomen.
Ik werd droevig van dat beeld en er rolde een traan over mijn gezicht die terecht kwam op mijn kussen.

"Wees maar niet verdrietig". Zei ik tegen mezelf.
Daarna viel ik in slaap.



Thursday, 7 December 2017

Kleine meid

Het regent in Amsterdam. De klinkers glanzen en de straatverlichting is al aan, hoewel het pas vier uur is. Het is stil in de winkel.
Het is december. Het jaar is bijna voorbij. Er is niets meer aan te doen. Elke dag is er een. En elke dag brengt me dichter bij een definitief afscheid.
2017 is het jaar dat mijn moeder stierf. Straks zal het een jaar zijn dat voorbij is.
Over een week ben ik jarig. Nog twee weken later is het kerst. Daarna Oud en Nieuw.
Allemaal zonder jou mam.
Ik draai me elke dag even om en kijk naar taferelen die zich afgespeeld hebben. 
Jouw meedogenloze ziekbed. De onbarmhartige ziekenhuisopnames. Hoe barbaars, grof en beestachtig was jouw lijden en hoe bang waren we voor de toekomst. Maar we deden stoer alsof we vooruit konden kijken. We maakten plannen en we lachten om elkaars grapjes.
We zeiden dat het beter zou worden  Dat je ongelooflijk sterk was, dat je het wel zou redden.

Ik kijk om en zie de laatste verjaardagen die we samen gedeeld hebben. De laatste kerst. De laatste najaarszon. De vogels die we brood gaven, de gebakjes die we samen aten. De wandelingen die we maakten: het was bitter koud en jij zat in die loodzware rolstoel. Ik had een dekentje over je schoot gelegd en een sjaal om je hals. Je zag zo pips.
Onderweg aaiden we elk hondje dat we tegenkwamen.

Ik zou willen dat ik de laatste weken van het jaar in slow motion zou kunnen zetten. Zodat ik je niet achter hoef te laten in het jaar dat straks voorbij zal zijn.

Ik ben in  Amsterdam. De stad oogt triest in dit donkere regenachtige weer. Ik voel me triest.
Dan komt er plotseling iemand de winkel binnen.
Het is mijn vader.
Hij komt speciaal voor mij.
Hij weet dat ik verdriet heb. Niet alleen om mijn moeder, maar ook om mijn dochter. Ik mis ze allebei. 
Mijn dochter die me niet wil zien. Zo vlak voor mijn verjaardag doet dat extra zeer.
Mijn vader is vierentachtig jaar. Maar hij is geen oude man. Hij is mijn stoere sterke vader.
Hij komt even kijken of het  goed met me gaat. Dat doen vaders.
We praten even en dan gaat hij een boodschapje doen.
Wanneer hij terugkomt vist hij drie kleine paksoi stronkjes uit zijn tas.
"Wil je die hebben? Ze zijn heel erg lekker".
Ik pak een plastic zakje waar hij ze  een voor een liefdevol instopt.
Drie kleine kooltjes met mooie groene blaadjes.
We praten nog even over mijn dochter. Hij zegt dat hij het niet snapt.
"Ik stap maar weer eens op"zegt hij.
Hij glimlacht even naar me en geeft me drie zoenen.
"Dag kleine meid" zegt hij terwijl hij de winkel uitloopt.