Saturday, 5 December 2020
Hufters
Friday, 27 November 2020
Geit
Tuesday, 13 October 2020
Slaperig
Mijn moeder ligt op bed. Ze is kort daarvoor met speciaal vervoer vanuit het ziekenhuis in Nijmegen naar deze hospice gebracht. Ze is uitgeput. Voorlopig kan ze niet naar huis. Ik ben bang dat ze misschien nooit meer naar huis kan. Voorlopig is dit haar thuis.Deze ellendige kleine kamer waar het raar ruikt. Het daglicht doet zijn best om binnen te komen. Het is pas augustus maar het voelt toch al kil.
"Wat heb je geluk"zeg ik, wanneer ik haar weer op kom zoeken. Ze is verhuisd naar een andere kamer, aan de andere kant van het grote, droevige gebouw. Geluk zit deze dagen in kleine dingen, die toch groot zijn.
Hier kijkt ze uit op de tuin. Er zitten veel vogels die we stiekem, door een kier in het raam, voeren. Omdat het raam niet zover open kan duwen we de overgebleven stukjes brood door de kleine smalle spleet. "Pas op" zegt mijn moeder, wanneer we voetstappen horen naderen. "Pas op, want het mag niet van de verpleging". We staan erbij als kleine kinderen. Voor haar kamer is een hele grote boom waar allerlei vogels nestelen. Al spoedig verzamelen zich na het ontbijt musjes, duiven en eksters onder haar raam. Ook zien we er soms een konijn. "Weet je wat ik het meeste mis?" zegt ze. "Mijn dieren". Mijn moeder is altijd omringt geweest door katten en honden.
Ik kom om de dag. Meestal ligt mijn moeder dan op het bed, want ze is voortdurend moe na de laatste operatie waarbij haar been geamputeerd is. Op goede dagen zit ze aan het kleine bureau, brieven te schrijven. Het bureau staat voor het raam, waar de vogels te zien zijn.
Het begint al wat kouder te worden, ik loop met mijn jas nog helemaal dicht haar kamer binnen. Ze ligt te slapen op bed en snurkt zacht. De sprei ligt een beetje over haar heen. Ze ziet er zo kwetsbaar uit. Gehavend. Ik blijf even stilstaan en kijk naar mijn slapende moeder. Hoe vaak heeft ze zo naar mij staan kijken, toen ik nog een kind was? Ik weet dat ze slaapt, maar ineens denk ik aan de dood. Ik voel dat hij dichtbij is.
Wanneer ik mezelf hoor snikken schrik ik. Ik veeg mijn tranen weg en ga op de gang zitten wachten tot ze wakker wordt.
Het is december en ik heb een kleine kerstboom mee. De lichtjes zitten er omheen gewikkeld. Het is nog een heel karwei ze netjes te krijgen. We zetten de boom neer. De takken blijven wat geknakt. Voor de boom zetten we een klein kapelletje met porseleinen beeldjes. "Wat gezellig he". zeg ik enthousiast. Mijn moeder knikt.
We gaan wandelen. Ik help haar met een sok en een schoen. Auw, auw, auw, zegt mijn moeder. Ik haal diep adem. Dan help ik haar in de rolstoel en knoop haar jas dicht. Op haar schoot leg ik een dekentje.
Wanneer we de hoek omslaan waait er scherpe, koude wind in ons gezicht. Het maakt ons aan het lachen, zo onaangenaam is het. Maar we gaan voorlopig nog niet terug.
Saturday, 22 August 2020
De adventskalender
De herinnering aan mijn ouders. Ze slapen nog, knus tegen elkaar aan. Het zwarte haar van mijn moeder is verstrengeld met de blonde krullenbos van mijn vader. De rode slaapzak die glad aanvoelt ligt op het bed. De schuifdeuren zijn gesloten. Het is een beeld dat verstopt zit achter een vakje dat ik lang niet open heb gemaakt. Een van de vele vakjes van een eindeloze adventskalender. Telkens ontdek ik weer een nieuw vakje wat ik behoedzaam opendoe. Erachter ligt een herinnering.
Ik beloof mezelf dat ik niet te gretig moet zijn en de vakjes zorgvuldig moet openen. Misschien elke dag een? Tot wanneer? Ik vermoed tot het moment dat ik de kalender overdraag aan mijn kinderen.
Amsterdam. Ik lig in bed in mijn slaapkamertje en hoor de regen in de tuin tikken. Iedereen slaapt want het is nacht .Mijn vader en moeder en mijn zus en ook de honden en de katten. Ze zijn dichtbij. Dit is het veiligste plekje van mijn jeugd.
Het vakje dat hierna komt is uit dezelfde periode: Het is de woonkamer die bezaait ligt met cadeautjes. Dolf is er ook. Hij is jong en lacht. Er ligt een banketstaaf op de kachel.
Wanneer ik weer een vakje open doe zie ik ineens iets uit een hele andere tijd: Mijn moeder loopt voor mij over een smal landweggetje. Ze lacht en ziet er gelukkig uit. De hondjes lopen naast haar, het zijn Jochem en Rakker. Zachte, donzige sneeuwvlokken vallen uit de hemel. Mijn driejarige dochtertje heeft een dikke winterjas aan. We lopen hand in hand. Haar wangen blozen van de kou. Huiverend vangen we met onze open mond de vlokken die smelten op onze tong.
Dan weer een sprong in de tijd. Het is bijna middernacht. We zijn met z'n vieren in Portugal, Jij en ik, en onze twee kinderen. Ondanks het late uur is het nog steeds vreselijk warm. We kijken naar de sterren terwijl we op de rand van het zwembad zitten. Heel in de verte hoor je de golven breken op de rotsen. Geluk overspoelt me.
Ik houd de adventskalender in mijn hand. Zoveel vakjes. Zoveel plaatjes. Zoveel herinneringen. Door een plotselinge windvlaag waaien ze allen open:
Ik zie velden vol lavendel, pasgeboren baby's, chique restaurants, ziekenhuisbedden, hotelkamers, trouwringen, bejaardenhuizen.Ik zie mijn ouders hand in hand lopen en daarna machteloos tegenover elkaar staan. Ik zie mijn zus en mijzelf als kleine meisjes. Ik ben klein en mijn zus lijkt al zo groot en stoer. We hebben zomerjurken aan. Een fractie later zie ik ons als pubers in een discotheek in Schotland.
Ik zie kerktorens, zeewater, lege straten, flikkerende kerstboomlichtjes en fel zonlicht. Ik ruik de zomer, voel de kou van de winter, ondervind de hemelse kriebels van verliefdheid, en proef het zilte zout van tranen. Ik zie verdriet, geluk, pijn, gemis, blijdschap, woede, frustratie, angst en heimwee.
Dan veeg ik met mijn hand de vakjes dicht.
Wednesday, 1 July 2020
Verdorde bloemetjes
-"Als ze er niet ook voor jou zijn, is het geen echte vriendschap".
"Ja mam, ik weet het, je hebt gelijk'.
Friday, 15 May 2020
De poppen aan het dansen.
Tuesday, 21 April 2020
Snoet
Een kleine koningin die de scepter zwaaide over het huishouden. Ongeacht haar kleine postuur was zij dapper en niet erg bang uitgevallen. In de Amsterdamse straat waar zij woonde werd zij met respect bejegend. Tot op hoge leeftijd waren mannen van haar onder de indruk. Daar was zij zich terdege van bewust en ze maakte er ook gebruik van door joviaal te koketteren.
Zij werd door haar echtgenoot, mijn grootvader, op handen gedragen. "Snoet" noemde hij haar.
Mijn vader wist te vertellen dat mijn opa, die een echte heer was, "altijd verliefd" op haar bleef.
Een mooier voorbeeld kon een vader niet geven aan zijn drie zonen.
Binnen het gezin, waarbinnen zij dus de enige vrouw was, was zij de spil.
Mijn oma was een diva. Ze was slim, eigenzinnig, ijdel en enigermate verwend. Ook was ze grappig en origineel, eigenschappen waar toen niet veel waarde aan gehecht werd.
Gevoel voor humor hoorde in die tijd niet bij "echte" dames, maar mijn opa wist dit wel te waarderen.
Binnen de maatschappij en ook in reclames en in de literatuur werd een rechtlijnig beeld geschetst. Van de vrouw werd verwacht dat zij een goede huismoeder was, zorgzaam, plichtsgetrouw, degelijk, zuinig en enigszins saai. Daarnaast diende zij er netjes en verzorgd uitzien maar niet buitensporig of extravagant.
Mijn oma was niet "gewoontjes", ze hield van romantiek, parfums, Franse chansons, chique japonnen en hoge hakken.
Ik ben ervan overtuigd dat mijn enorme liefde voor schoenen hieraan ten grondslag ligt.
Mijn oma ontmoette mijn opa op het werk. "Hij was de knapste jongen van kantoor", vertelde zij vaak trots.
Na hun trouwen werd er van haar verwacht dat zij zou stoppen met werken. Dat was nu eenmaal zo.
Het huis werd nu haar domein maar volgens mijn vader, had ze een rusteloze aard.
's Middags was zij vaak op stap en dan stonden de jongens voor een dichte deur. Reden temeer voor mijn vader om kattenkwaad uit te halen. Soms kwam daar zelfs de politie aan te pas. Maar mijn oma was niet bang uitgevallen en ging met de agenten in discussie.
In mijn herinnering was mijn opa een vage, schimmige figuur. Mijn oma daarentegen was altijd sterk aanwezig.
Toen mijn opa begon te dementeren stond mijn oma er voor het eerst echt alleen voor. Niet lang daarna ging mijn opa dood.
Toen hij er niet meer was ontmoette ze in het bejaardentehuis een zeer vriendelijke gezette heer die zo van haar onder de indruk was dat hij haar ten huwelijk vroeg. Meneer Krepps heette hij. Ik herinner me dat hij cello speelde. Wij noemden hem: "Oom Kees".
En toen ook hij stierf was er weer een andere heer die voor haar charmes viel.
Mijn oma kon niet goed alleen zijn en ze koesterde het gezelschap.
"Weet je", zei ze tegen mij, toen ik haar op een zomerse dag op kwam zoeken: "ook oude mensen kunnen nog gevoelens voor elkaar hebben".
Niet lang daarna is mijn oma ziek geworden en gestorven. De week voor de begrafenis was mijn vader heel stil.
Hij huilde niet, maar op een bepaald moment keek hij me aan en zei: "Ik moet er steeds aan denken hoe oma in de kist ligt. Helemaal alleen.
Ik knikte maar wist niet goed wat ik moest zeggen.
De kleine koningin had ons verlaten.