Tuesday, 8 March 2022
Edward
Thursday, 2 December 2021
Kippen in de tuin.
Ikzelf ben een katten mens. Maar mijn moeder was een hondenmens. Elke dag nam ze de honden mee naar het park. Of ging ze, als het even kon, met de honden naar het bos. In gedachten zie ik haar binnenkomen. Een frisse bries volgt haar en verspreid zich door de warme woonkamer. Ze heeft haar jas en haar leren handschoenen nog aan. De honden volgen nonchalant. Ze kijken blij. Wist je dat honden blij kunnen kijken?
Eigenlijk was mijn moeder een dierenmens. En een plantenmens. En een mensenmens. Een natuurmens. Mijn moeder hield van alles wat om haar heen bewoog, zong, blafte, bloeide en lachte.
Mijn moeder kende de namen van alle vogels en wist hoe je een plant moest stekken en een appelboom moest snoeien. Zij was het soort mens dat elk hondje op straat begroette. Dat zomaar in verwondering stil kon blijven staan, als ze een vogeltje hoorde ritselen in een struik. Ze registreerde elk torretje en kon, zittend achter het stuur van de auto vaststellen dat er een roofvogel in de lucht hing. Ook wist ze welke paddenstoel giftig was, en welk plantje geschikt was om thee van te trekken. Als (stads) kind vond ik dat allemaal wat overdreven.
Mijn moeder was verpleegkundige, en, wanneer zij dienst had, klampten de patiënten zich vast aan het leven. Mensen voelden zich beter in haar aanwezigheid. En wanneer er mensen overleden, was het meestal, en tot grote frustratie van haar collega's, wanneer zij net de dienst overgedragen had. Mijn moeder droeg een levensenergie bij zich, die aanstekelijk was.
Dieren speelden een belangrijke rol in mijn jeugd. In ons huis in Amsterdam woonden er, naast ons gezin, dat uit vier personen bestond, een steeds wisselend aantal katten, twee honden en om de zoveel tijd een dier in nood; zoals een vleugellamme ekster, een kreupele eend en een zieke duif. Ook hield mijn zus er ooit een kleine verstoten spitsmuis in een schoenendoos. Rond Pasen adopteerden mijn ouders ooit kuikens die in de tuin in een ren werden gezet. Gewoon, in onze stadstuin, waar de balkons van de etagewoningen op uitkeken. Onze stadstuin die bij de vierkamerwoning hoorde en waar je het getoeter van de auto's kon horen. Op een steenworp afstand van het Leidseplein. De kuikens scharrelden er vrolijk op los en groeiden gestaag. Pas toen er een luidruchtige haan tussen bleek te zitten werden ze door mijn vader naar de boerderij gebracht.
Daar, in Groningen, waar we onze vakanties doorbrachten, had ik een geit, mijn zus had er een paard en hield mijn vader nog veel meer kippen. Ook hadden we er ooit ganzen, konijnen en varkens.
Mijn jeugd was niet standaard. Zeker niet voor een Amsterdams meisje. Maar ik ben mijn moeder dankbaar dat ik een stukje van haar levensenergie heb mogen erven. En dat ik, ondanks dat ik een kattenmens ben, van alle levende wezens heb leren houden.
Tuesday, 28 September 2021
Woelmuizen.
Monday, 2 August 2021
Het medaillon
Tuesday, 13 July 2021
Duif
De duif. Ze is er weer. Kwam ze eerst alleen aan het einde van de middag, nu komt ze ook 's ochtends. Ze neemt plaats op het dak van de schuur en fladdert dan omslachtig naar beneden. Ze let wel op maar is duidelijk niet echt bang voor mijn katten. Ze is zelfs zo aan ze gewend, dat ze, met haar kopje alert gedraaid, op korte afstand van het tweetal de graantjes van de voedertafel en de grond pikt. De katten zijn inmiddels ook aan haar gewend. Lui, doch geamuseerd kijken ze toe en trekken soms wat met hun bek zonder dat er geluid uit komt.
Het is een gezonde duif, lekker mollig en puntgaaf. Een heel ander beest dan de sloebers die zich in het Amsterdamse straatbeeld bevinden: verminkte, verpieterde figuren die ook wel vliegende ratten worden genoemd. Mijn duif is mooi en fris. Een onaangetast, blakend wezen. Als dank voor de graantjes roe-koet ze elke dag op de schutting. Ik vind dat een gezellig geluid.
Ik ben me meer dan ooit bewust wat zich bij mij in de tuin afspeelt. Sinds ik met voederen ben begonnen toen het hartje winter was, zijn er nu het zomer is nog altijd een aantal vaste bezoekers: De eerder genoemde duif, die vaak in gezelschap is van een kennis, een stel eksters, kauwtjes, spreeuwen en groene papegaaien. In de kersenboom bij de buren zitten vaak koolmeesjes. Het roodborstje heb ik na het verdwijnen van de nachtvorst niet meer gezien. Aangemoedigd door deze vaste groep bezoekers, strooi ik nu dagelijks voer dat ik speciaal bij de dierenwinkel koop. "Voer voor siervogels", staat er op de verpakking. Ik vraag me af wat dat precies zijn.
Ik heb de planten in de tuin laten woekeren en de vogels aangemoedigd te blijven komen. Elke ochtend voer ik de vissen in de vijver. "Kijk!" Ze weten al dat ik er aankom. Elke ochtend zwemt de hele school licht onder het wateroppervlak op een en dezelfde plek. Hier laat ik een ruisende hand voer neerkomen. Sommige van de fel gekleurde vlokjes worden door de wind meegenomen en belanden op het ongeremde groen in de tuin.
Het is anders, nu ik niet meer de deur uit hoef voor mijn werk. Rustiger, bedaard. Ik slaap langer en heb zelfs de tijd gevonden om een boek uit te lezen. Ik heb weer tijd om uitgebreid te koken, boodschappen te doen en de was te sorteren. Ik eet weer elke dag samen met mijn gezin .Maar het is vreemd. Het is vreemd om na ruim zes jaar niet meer naar mijn werk te hoeven. Niet meer de trein te hoeven nemen naar Amsterdam Centraal en het vaste stukje naar de Wallen te wandelen. Had ik soms geen zin om naar mijn werk te gaan, dat kleine wandelingetje van het Centraal naar de Zeedijk, dat mis ik oprecht. Een kort intiem samenzijn met de stad waar ik geboren ben (en die ik stiekem mis).
Onderweg naar mijn werk groet ik de postbode, de pakketbezorger, de man achter de toonbank van de Chinese elektra winkel en het groepje stoere jongens dat rondhangt bij de hippe modezaak. De buurvrouw van de overkant roept naar mij: "Straks samen koffie"? Dan begint mijn werkdag.
Mijn tuin. Het is een magisch lapje grond waar kleine wondertjes gebeuren. Zo zag ik er gisteren een goudkleurige kikker. Ik was de kat te slim af en collaboreerde met de kikker door hem "hup!" het water in te bonjouren. Met grote slagen zwom hij de diepte in. Tere libellen raakten heel kort het wateroppervlak aan.
Wanneer de zon schijnt, verschijnen er ook ineens, uit het niets, vlinders. Vogels tjilpen en kinderen lachen, iets verderop. Dan trekt er een schaduw over de zon en is het weer rustig. Ook in huis lijkt het ineens stil geworden. Alles staat weer even stil. Afgezien van de duif op het dak van de schuur, die aanstalten maakt om naar beneden te fladderen.
Monday, 1 March 2021
Wolkenland
We waren veertien of vijftien jaar en we zaten in de tweede van het Amsterdams lyceum. Onze klas werd altijd verteld dat we "totaal ongestructureerd en onhandelbaar" zouden zijn. Iets waarvan ik me toen al afvroeg of dat wellicht tegen elke andere tweede klas ook werd gezegd. Maar misschien zat er een kern van waarheid in. Ik kan me wel herinneren dat ons klasseboek vaak verdwenen was, dat er soms met krijtjes door de klas werd gegooid en dat de hele klas een keer op stond om weg te gaan nadat er een populaire jongen uit de klas werd gestuurd. Ook kan ik me herinneren dat onze leraar Frans (een dikke overspannen man) een keer een meisje wilde grijpen in het klaslokaal, waarbij er in een wilde achtervolging (alsof het een spannende film was) tafels en stoelen omver werden gegooid. Ook kan ik me herinneren dat de twee brutaalste kinderen van de klas verschillende briefjes hadden gemaakt met: teksten als: "Ik ben lesbisch" en "ik wil seks" die ze vervolgens met een joviaal armgebaar op de ruggen van de docenten plakten. Het armgebaar ging gepaard met een opmerking als: "toffe peer". Iets dat de docent in kwestie wel wist te waarderen.
Vaag weet ik me nog te herinneren dat een van de docenten ooit de gehele dag met zo'n briefje op de rug door de school heeft gelopen. Misschien durfden haar collega's er niets van te zeggen. Of misschien vonden ze het stiekem erg grappig.
Wanneer we op werkweek gingen naar "Wolkenland", het buitenhuis van de school, werden dit soort practical jokes nog meer geperfectioneerd. Sterker nog, sommige komische talenten uit onze klas waren er weken op aan het oefenen en naar toe aan het werken.
Het was namelijk door bepaalde leraren toegestaan om voordrachten te doen op de Bonte Avond. Deze Bonte Avond avond was het slotstuk van de week, de Apocalyps, waarbij sommige scholieren onbevreesd en heldhaftig het podium durfden te betreden om de meest karakteristieke leraren te imiteren. Dit ging altijd met veel hilariteit gepaard. Er werd soms over de grond gerold van het lachen.
Wanneer we geen les hadden zaten we als klas bij elkaar en draaiden elpees. Twee jongens, Michael en Pieter, hadden een selectie platen mee, waarvan The Commodores de meest gedraaide was. We luisterden keer op keer naar nummers als: "Brick house", "Easy", "Zoom" en "Sweet love". Pieter maakte dan oogcontact met me. Pas op dat moment realiseerde ik me dat ik Pieter een hele leuke jongen vond.
Ik heb dat nooit uit durven spreken. Ik ben van school gegaan en heb een tijdje niet aan Pieter gedacht.
Een paar jaar later is Pieter verongelukt. Samen met een paar andere jongens die ook bij ons op school zaten. Ze waren geslaagd voor hun HAVO diploma en wilden het vieren in Antwerpen. De Jaguar, die van de vader van een van de jongens was, sloeg over de kop, nadat hij met grote snelheid een klapband kreeg.
Telkens wanneer ik nu The Commodores hoor denk ik aan Pieter. Dan denk aan de tijd dat we vijftien waren en oogcontact maakten. En dan denk ik aan Wolkenland.
But I don't care
'Cause I know my happiness is waiting
Out there somewhere
I'm searching for that silver lining
Horizons that I've never seen
Oh, I'd like to take just a moment
And dream my dreams, oh dream my dream
Woah, woah, zoom, I'd like to fly far away, yeah
Where my mind can be fresh and clear
And I'd find the love that I long to see
Where everybody can be what they wanna be
Whoa, I like to greet the sun each mornin'
And walk amongst the stars at night
I'd like to know the taste of honey in my life
In my life
Well, I've shared so many pains
And I played so many games
Ah, but everyone finds the right way
Somehow, some way, some day
Woah, zoom, I'd like to fly far away from here
Where my mind can see fresh and clear
And I'll find the love that I long to see
People can be what they wanna be
Ooh, ooh, ooh, ooh, ooh, ooh, ooh, ooh
Ooh I wish the world were truly happy
Living as one
I wish the word they call freedom
Someday would come, someday would come
Woah, zoom, I'd like to fly far away from here
Where my mind, can be fresh and clear
And I'd find the love that I long to see
Everybody can be what they wanna be
Hey baby
Woo
Ah, zoom, zoom baby, I'd like to fly away
Well I like to fly away, zoom, zoom, well I like to fly away, zoom
Zoom baby, I like to fly away (zoom, zoom)
Well I like to fly away, zoom, zoom, well I like to fly away, zoom
Zoom, baby, I like to fly away
Well I like to fly away, zoom, zoom, well I like to fly away, zoom
Zoom, I, zoom zoom
You and me baby, wild and free
Don't you wanna go, don't you wanna go
Wednesday, 10 February 2021
Hans
Het is mijn vader die belt. "Ja" zegt hij. Ik weet niet of je het al gehoord hebt, maar Hans is overleden. Ik ga even zitten. "Goh "zeg ik, dat is dus sneller gegaan dan we dachten.
"Ja "praat mijn vader, die nogal doof is, onverstoorbaar verder. "Hij had al een tijd Alzheimer. Wist niks meer. Hij lag alleen nog maar in bed. Benen als luciferstokjes' "Ja "dat weet ik, zeg ik. We hebben het er vorige week nog over gehad. Toen heb ik nog tegen je gezegd dat ik wel met je mee wilde rijden als je nog afscheid van hem wilde nemen". Mijn vader praat verder: "Nou ja. Nu is het te laat. Maar eigenlijk had ik ook niet zoveel meer met die man".
Ik vraag hoe ze elkaar eigenlijk hadden leren kennen en hij vertelt: "Ik was zestien jaar. En ik was lid geworden van de Christelijke jeugdvereniging op de Admiraal de Ruijterweg. Niet om het Christelijke aspect hoor, maar omdat ik had gehoord dat er leuke meisjes op zaten. Nou, en toen kwam daar dus een klein roodharig jongetje binnenlopen. En dat was Hans. Hans was veertien jaar en hij kon heel goed tafeltennissen. Hij kon trouwens ook heel goed contrabas en pianospelen en hij kon heel goed drinken! Hij lacht even. Dan is het weer even stil. Eigenlijk was het een onmogelijke man. Vooral als hij gedronken had".
Dan passeren ze allemaal even de revue. Het vriendengroepje van weleer. Ik kan me ze goed herinneren. Want de meesten kwamen jarenlang bij ons over de vloer, toen mijn vader en moeder nog bij elkaar waren, en mijn zus en ik nog kinderen. In onze vierkamerwoning in de Eerste Helmersstraat in Amsterdam: Dolf, de pianostemmer, die mijn vader "een groot artiest" noemt. Artie, de Antilliaanse ladykiller, en Jan Otto, de levenskunstenaar. Ik denk aan de verjaardagsfeestjes waar Dolf en Hans om de beurt piano speelden. Zich ergerend aan elkaar. Dolf, die alles op gevoel deed. En Hans die "op de toetsen zat te rammen". Er werd gerookt en gedronken, gelachen en gediscussieerd. Mijn moeder ging bij deze gelegenheden altijd dansen.
We lachen om de herinneringen. Plotseling zegt mijn vader:" Ik ben de enige die nog over is van dat hele stel". Er valt een stilte.
"Ga je volgende week weer met me mee naar de markt" vraag ik. "Dat is goed, antwoord hij. Als het maar niet gaat ijzelen'.