Monday, 11 September 2023

Viezigheid


Als kind hapte ik altijd even naar lucht wanneer ze binnen traden: Mijn tantes.

Het was dan net alsof er een kleine storm opstak. Een frisse wind die de gordijnen op liet bollen en de kopjes en schoteltjes in het theekastje deed rinkelen. 

Mijn tantes brachten een zwierige energie met zich mee die voor mij synoniem stond aan frisse neuzen en blozende wangen. Gekleed in brandschone en piekfijn gestoomde en gestreken jurken beschikten mijn tantes stuk voor stuk over een no nonsense mentaliteit, gedecideerde inzet, nuchtere humor en dappere onverschrokkenheid.

Mijn moeder, die het buitenbeentje van de familie was, en op zeer jonge leeftijd het glooiende Limburgse landschap achter zich had gelaten om zich in Amsterdam te vestigen,  was altijd licht opgewonden als haar zusters in aantocht waren. Een tikkeltje nerveus zelfs. Maar ook een beetje geëxalteerd en ongeduldig. Alsof er hoog bezoek kwam.

Het was ook net, alsof er een vreemde soort stilte voor de storm te voelen was. een verwachtingsvolle aanloop, waarvoor mijn moeder zich schrap zette. 

Meestal was mijn moeder al een paar dagen actief, met vloeren dweilen, thee servies afstoffen, groentesoep maken en zich stevig met beide benen op de grond te plaatsen. Alsof ze anders omver geblazen zou worden.

Ook wij kinderen, dat wil zeggen, mijn zus en ik, stonden als het ware in het gelid, met vers gepoetste tanden, geboende wangen en strak gekamde haren. Om het Limburgse comité met gepaste achting binnen te halen.

En als de deur dan eindelijk open zwaaide, werd de kleine huiskamer in Amsterdam aanstonds gevuld met tomeloze energie, blijdschap, geschaterlach, omhelzingen en luid gepraat in Limburgs dialect. Mijn moeder voerde het hoogste woord, opgetogen dat zij zich weer in haar "moederstaal" kon uitdrukken.

Eerst werden er tassen tevoorschijn getoverd, die gevuld waren met ontelbare, vaak nuttige cadeautjes, als zakdoeken, stukken zeep, bussen deodorant, wasknijpers, nieuwe sokken en rollen pepermunt. Vaak zat er dan ergens een tientje of een briefje van vijf tussen gemoffeld. Voor mij en mijn zus.

En, uiteraard, dozen met Limburgse vlaai. Van de beste bakker van Panningen: Broekmans. Want zo'n rijstevlaai moest wel bij de beste vandaan komen.

"ZO" zeiden mijn tantes dan. "Nu lust ik wel een lekkere tas koffie". En dan werd meteen de vlaai aangesneden. Mijn tantes stonden binnen een mum van tijd schoteltjes en taartvorkjes te organiseren, koffie in het koffiefilter te gieten en het aanrecht schoon te vegen. Mijn moeder bedremmeld toekijkend.

En voor je het wist, ging er kort daarop een tornado van schoonmaak activiteiten door het huis. Er werden dingen gedaan die ik nog nooit had gezien; spinrag werd met ragers uit de plinten gejast, ramen werden met krantenproppen schoon geboend en kussens werden in de tuin te luchten gelegd. Vloerkleden werden met een mattenklopper gemept en de hele keuken werd gelapt. Voor sommige hardnekkige richeltjes werd een tandenborstel of -stoker gebruikt.

"Maar, maar! Wat een vettigheid" kirden mijn tantes dan, en ze fronsten hun voorhoofd bij zoveel slonzigheid en wanorde. Maar de frons kwam op mij altijd geveinsd over, alsof ze ergens blij waren, dat mijn moeder zo'n slechte huisvrouw was en zij hun schoonmaak talent konden demonstreren, en er nog plezier in leken te hebben ook! 

Mijn moeder, enigszins ontredderd, deed de radio aan, en als er dan een bekend liedje voorbij kwam,  zongen ze met z'n allen mee. Mijn tantes pakten mijn hand stevig vast om mij rond te zwieren.

Eigenlijk was het altijd een beetje feest als mijn tantes kwamen.

Nu mijn moeder er niet meer is, en de meeste van mijn  tantes helaas ook niet meer, mis ik die heerlijke energieke Limburgse voortvarendheid van deze familiebezoekjes. Ik mis de hardhandige aaien over mijn hoofd, de stevige omhelzingen, de geestdrift en de liefde. En vooral de lach op mijn moeders gezicht, als ze zich weer even "thuis" voelde met haar zusjes.

En ook al ben ik een echt Amsterdams meisje, ik ben trots op dat kleine stukje Limburg dat ook bij mij lijkt te horen.


Wednesday, 21 June 2023

Lyn

Ik mag jou graag. Zegt Lyn. Ze steekt nog een sigaret op en trekt een blikje bier open.    Wil je ook een biertje?  Ik bedank haar. Voor mij is het te vroeg. Ik moet nog lunchen. En bovendien houd ik niet eens van bier. Toch ben ik bijna geneigd om "ja" te zeggen. Omdat ik haar niet wil kwetsen. Lyn legt haar brandende sigaret in de asbak en loopt naar de kleine keuken waar iets staat te pruttelen op het fornuis. 

Ze komt terug met een broodje hamburger en neemt weer plaats op de bank waar ze zich kennelijk al een paar dagen geïnstalleerd heeft. Dan neemt ze om beurten trekjes van de sigaret, hapjes van de hamburger en slokjes van het blikje bier. De asbak zit vol en staat wankel op het grote dekbed wat op de bank gedrapeerd ligt.     Het kleine huis is overvol en de rooklucht veroorzaakt een dichte mist. Overal liggen spullen. Met de bank als het grootste verzamelpunt. Hier liggen een nagelvijl, folders en flyers, strippen van pillen, een badlaken, kledingstukken, een breiwerk, een opschrijfboekje, tijdschriften, en allerlei rommeltjes.     In de hoek van de kamer ligt nog een enorme berg kleding. De televisie staat aan en de rolgordijnen zijn half gesloten. Ik sta even op en kijk uit over de Zeedijk. De straat waar ik vroeger zo vaak kwam. De winkel waar ik werkte en waar we, bij mooi weer, buiten koffie met elkaar dronken.    Het werd een gewoonte. Wanneer ik op zonnige dagen aan kwam lopen stak ze haar hoofd al om de deur; ik ben blij je te zien, drinken we zo samen koffie?

Ik mis je. Zegt Lyn. Wil je echt geen biertje?     Ik vraag hoe het met haar gaat.     Ik heb van die paniekaanvallen hé. Zegt ze. Daarom belde ik jou ook van de week. Ik weet dat jij altijd rustig blijft, dus dan bel ik jou. Mijn andere vrienden maken zich meteen zo druk. Dat vind ik vervelend. Jij blijft rustig, dat helpt.      Daarna was het ook weer over hoor. Maar die paniekaanvallen zijn echt vervelend. Zou het met de overgang te maken hebben? Ik zeg iets over de invloed van hormonen en het belang van beweging.  Kijk eens wat een prachtig weer, probeer ik mijn woorden kracht bij te zetten: Dat scheelt ook hoor, dat de zon schijnt. En buiten zijn helpt. Lekker wandelen, onder de mensen zijn.

Ze schudt haar hoofd en zegt dat ze het niet op kan brengen. Dat ze vanochtend toch maar weer een diazepam heeft genomen. En dan: Je moet me binnenkort echt helpen met opruimen hoor. Ik kan het gewoon niet alleen.     Ik wijs naar de boeken die in de kast staan en vraag haar of ze nog veel leest. dan begint ze te vertellen: Die schrijver, dat is mijn opa. Ik ben namelijk geadopteerd. Ach er is zoveel gebeurt in mijn leven.     Ik heb teveel gezien.Er zijn mensen vermoord.  Ik kom uit een hele rijke familie. Maar er was daar veel mis hoor. Ik vermoed ook dat ik eigenlijk ontvoerd ben. Gestolen van mijn echte familie. Misdadigers zijn het. Slechte mensen.     In de tijd dat ik naar Nederland kwam waren er wel meer ontvoeringen. Als ik alles wat ik gezien heb zou vertellen, dan zouden ze mij waarschijnlijk ook vermoorden. Ik haat ze. weet je dat?

Hoe gaat het eigenlijk met jou? En hoe gaat het met je dochter?  Ik beantwoord haar vraag en dan is het even stil. Muisstil.

Ik mis je echt hoor, zegt Lyn. Je zou een goede hulpverlener zijn. Waarom ga je dat niet doen? Mensen helpen? Dat zou echt iets voor jou zijn.

    



Tuesday, 31 January 2023

Pepper

Mijn moeder bracht jou naar ons toe. Ze vertelde later nog vaak hoe jij, als kleine angstige kitten, naast haar in een hokje had gezeten. Die hele lange weg, van de boerderij waar je geboren was, tot aan ons huis, in de stad.

Een kleine rode kater.  "Pepper" noemde mijn dochter je. Naar de Red Hot Chili Peppers, waar ze fan van was.

Ik dacht, dat het wellicht een goed idee was om een huisdier voor haar te nemen. Een eigen kat, waar ze voor zou kunnen zorgen en van kon houden. Een kat die helemaal van haar zou zijn. Waar ze rust bij zou vinden, gezelschap, en liefde.

Ik moet zeggen, ik wist het niet meer zo goed. Na de verhuizing werd mijn dochter zo erg gepest, dat we haar haast niet meer naar school durfden te laten gaan. Ze was een buitenbeentje. Een kind met gedragsproblemen. 

Ik hoopte dat de kleine rode kat haar iets van troost zou kunnen bieden. En dat ze misschien zou leren om voor hem te zorgen, zodat ze uiteindelijk wat meer vertrouwen in zichzelf zou krijgen.

Maar de kleine rode kat met de puntoren, waarvan we hadden gehoopt dat hij een bron van troost zou zijn, had het zelf moeilijk. Ik had nu niet alleen een kind met een gebruiksaanwijzing, maar ook een kat met een gebruiksaanwijzing. 

Het prachtige rode katertje was overgevoelig en plaste in de gang en in de voorraadkast. Hij verstopte zich onder de bank en sprong soms een meter hoog als er een onverwacht hard geluid klonk.

Ook "zag"  hij dingen, die verder niemand kon zien. En dat veroorzaakte onrust. Vaak probeerde hij een zo hoog mogelijk punt in de woonkamer te beklimmen of bespringen, waar hij dan vervolgens reikhalzend, met grote ogen, "iets" probeerde aan te raken of naderbij te bekijken. "Iets" wat wij in ieder geval niet konden waarnemen.

 Bij deze capriolen verloor hij soms zijn evenwicht, donderde naar beneden, of kwam achter een meubelstuk vast te zitten. Tot grote hilariteit van de rest van het gezin. Het was een komisch en onbegrijpelijk tafereel.      Pepper was "anders". Hij was gevoelig, kwetsbaar en enigszins getroebleerd. Maar bij ons was hij waar hij hoorde te zijn.

Mijn jongste dochter, toen pas negen jaar oud, had een Engelengeduld en was degene die zich over de vreemde kat ontfermde. Ze pakte hem op en droeg hem naar haar kamertje waar hij, bij haar in bed, tot rust kon komen.

Pepper was een aparte figuur, en hij was prachtig om te zien. Hij had iets adellijks met zijn fijne pootjes, zijn sierlijke lijf, zijn scherpe, lange neus, zijn oranje vacht en grote puntoren. Daarmee was hij ons ook opgevallen, in het nestje, lang geleden op die boerderij,  grote oren waar later scheurtjes in zaten, van het vechten met een buur kat.

"Frederik Fluweel" noemde mijn moeder hem. Vanwege zijn fijne, zachte vacht en poezelige voetjes met roze teenkussentjes.

Toen Pluche onderdeel werd van ons gezin was Pepper in zijn element . Met haar zelfverzekerde tred, ietwat nuffige karakter,  en chique pluizige uiterlijk wist zij subiet de weg naar Peppers hart te vinden.     Pepper; de gereserveerde aristocratische heer, met de autistische trekjes, vond in diva Pluche een kameraad en een leidersfiguur, een aanvoerster, een levenspartner.

Onder haar bestiering, durfde hij zo nu en dan in de avond een ommetje te maken. Ze wasten elkaar en sliepen in elkaars armen.  Ze werden een koppel voor het leven. Een "odd couple".

De ouderdom kwam met gebreken. Pepper kreeg medicijnen, die wij hem in de ochtend en avond toedienden met room paté. Inmiddels was hij een heer op leeftijd. Zijn angsten en neuroses leken minder te worden. Hij werd steeds aanhankelijker, knuffeliger en steeds meer gesteld op gezelschap, vooral dat van ons, zijn gezinsleden. 

Elke avond volgde een vast ritueel, waarbij Pepper verwachtte zich tussen ons in te nestelen.     Precies in het midden. Op zijn eigen kussen. Vaste prik. Meestal ging dit ritueel vooraf aan een smekend kijken, onhoorbaar miauwen en gebaren met een poot. Om dan, tenslotte, veilig tussen de baas en het vrouwtje in te kruipen. Daar, waar hij hoorde. Spinnend, op zijn rare zangerige toon. Met zijn achterpoot het liefst uitgestrekt, zodat hij je strelende hand vast kon houden.

En nu Pepper, je bent er ineens niet meer. Het is zo onverwacht.

Gisteren ben je ingeslapen, in de reistas. De dokter heb je niet meer gehaald. En misschien is dat maar beter zo.

Toen ik gisteren thuiskwam, met mijn zoon,  degene waar je mee bent opgegroeid, en waarbij je zo graag op bed lag, waren we even compleet van slag.

Jij in die tas. Wij in tranen. Pluche die wachtte wanneer je nou eruit zou springen. Het was een dag die pijn deed en die koud aanvoelde. 

Ik wilde mijn moeder bellen. Dat wil ik altijd als er iets ergs of juist iets fijns gebeurd.     

Maar toen realiseerde ik me dat ik niet hoefde te bellen. Dat ze al lang haar armen had uitgestoken naar jou. Wachtend aan de andere kant van die brug. Dat jij in haar armen was gesprongen en nu tegen haar aan zou liggen. Met je poot op haar hand.

Spinnend. Zangerig spinnend. 




Friday, 9 December 2022

Het huis aan de overkant.

Telkens, voordat ik ga slapen, loop ik heel even het kleine kamertje in en kijk door het raam. Het is donker en stil buiten. Maar in het huis brandt nog licht. Het is een geruststellend gevoel.

Natuurlijk brandt hier nog licht, het lijkt zo te horen.     Ik kijk en knijp mijn ogen tot spleetjes. Het is net of ik jou zie staan. Ik zie een gedaante in het schijnsel van het licht. Alle andere ramen zijn donker. Behalve dat ene.

Meer dan 15 jaar geleden stond ik hier ook, en was ik net verhuisd. Alles was nieuw voor mij, de stad, de buurt, het nieuwe huis.

Maar het feit dat jij hier al woonde gaf me een veilig gevoel. 's Avonds stond ik hier en wachtte tot mijn zoontje in slaap zou vallen. Hij was pas drie jaar. Het was toen zijn kamertje.

Pas op dat moment realiseerde ik me dat ik jouw huis kon zien. Dat we zo bij elkaar naar binnen konden kijken.

De volgende dag vertelde ik dat ik je in de woonkamer had zien staan. Je moest erom lachen. 

Dat we na al die jaren zo bij elkaar zouden komen, puur door toeval, vonden we geweldig. We pakten onze vriendschap weer op, die immers al vanaf onze lagere schoolperiode bestond.

Kort daarna heb ik afscheid van je moeten nemen, mijn vriendin.

Bijna elke avond kijk ik door het raam naar jouw huis. Denk ik jouw gestalte weer te zien. Denk ik even aan jou.

 Je bent bijna jarig. Die dag is niet te missen, want het is tweede kerstdag.    We vierden onze verjaardag vaak samen omdat we maar twee weken met elkaar scheelden. Ik op 12, jij op 26 december. 

Ik mis je nog vaak. Ik denk nog altijd aan je. Naar mate mijn leven vordert mis ik vaak jouw nuchterheid, je adviezen en je aanwezigheid. Soms snap ik het allemaal niet zo.. het hoe en waarom van dingen.

En dan vraag ik me af hoe jij zou hebben gereageerd.

Maar je bent er niet meer.

Maar ook ergens weer wel. Als ik 's avonds door het raam kijk en ik je zien, in het schijnsel van het licht. 

Dat elke avond brandt.


Monday, 17 October 2022

Goedemiddag

 Wat is het vandaag prachtig weer, zegt de buurvrouw.

Ze maakt met haar hand een stopgebaar. Als een klaar-over die het verkeer tegen probeert te houden. Ik vertraag mijn pas en blijf staan.

Ik wilde even gezellig met je praten, zegt ze. Haar lach is zo breed en zo uitbundig, dat ik er een beetje bang van word. Ze neemt een positie aan, en staat nu voor mij, zodat ik onmogelijk verder kan lopen, zonder haar opzij te duwen.

Jammer he, we wonen naast elkaar, maar we weten bijna niks van elkaar. Zo jammer! Vroeger was dat anders. Tegenwoordig is er te weinig aandacht voor de medemens.

Ik knik en probeer een glimlach te veinzen. 

Ze praat verder: Wat hebben we het toch goed he. Er wordt toch veel te veel geklaagd in Nederland. En waarom? We wonen in een mooie buurt, er is hier geen vandalisme. Kinderen kunnen hier veilig spelen, er is volop groen. We hebben het zo getroffen! En moet je eens kijken wat een fan-tas-tisch weer het vandaag is. Geen wolkje aan de lucht. De zon die schijnt. We boffen toch maar. Vind je niet? dat we ontzettend boffen?

Ze neemt me van onder naar boven op. Ik geloof eigenlijk niet dat ze een antwoord verwacht, want voor ik iets kan zeggen, neemt ze weer het woord: 

Ik woon hier dus al twintig jaar. Mijn kinderen zijn hier opgegroeid. Mijn oudste dochter gaat binnenkort trouwen, en mijn zoon wordt voor de eerste keer vader. En ik kan zo goed met mijn schoondochter overweg! Dat is toch het allerbelangrijkste he, dat je kinderen het goed doen. Dat ze gelukkig zijn en hun plek in de maatschappij vinden! Een goede baan, een leuk huis. Wat wil een mens nog meer!

Ik begin te praten, maar de buurvrouw houdt me tegen door wederom haar hand op te steken.  Dan begint ze fanatiek te zwaaien, naar een man op een fiets.

Maar dan kijkt de buurvrouw me doordringend aan en vraagt: Maar hoe is het nu met jou?

En ik zeg:

Wil je dat echt weten buurvrouw? Hoe het met mij gaat? Nou, ik zal het je vertellen. Ik hoop dat je even de tijd hebt, want het is een heel verhaal. Waar zal ik eens beginnen?

Je weet toch, mijn oudste dochter? Die intelligente blonde meid. Die zo mooi kon zingen en zo opviel vanwege haar leerprestaties en vele talenten? Nou, daar gaat het heel slecht mee. Eigenlijk gaat het al jaren niet goed. maar sinds een jaar of vijf is haar verslaving echt een enorm probleem geworden. Tja, we hebben alles geprobeerd. De ene na de andere afkick kliniek, allerlei methodes en medicatie. Therapie, traumabehandeling, you name it.  We hebben alles geprobeerd. En op een gegeven moment leek het weer even goed te gaan. Maar aan het begin van het jaar is ze gaan samenwonen met haar vriend. Tja, toen bereikten we een nieuw dieptepunt. De deur is ingetrapt door de politie, we dachten dat ze dood waren. En hun hond maar blaffen. Dat arme beest was volledig in paniek.

Want weet je, haar vriend is dus ook verslaafd. En hij heeft zwaar ADHD en borderline. En, o ja, hij heeft ook last van psychoses. 

Weet je, dan wordt hij wel eens agressief. Hij dacht dus dat mijn dochter vreemd was gegaan, tijdens zo'n psychose. En toen heeft hij geprobeerd om haar keel dicht te knijpen. Ja, achteraf schaamde hij zich zo erg, dat hij niet mee met mij durfde te praten. Hij had er enorm veel spijt van. Nooit meer zou hij drinken of gebruiken.

Maar ja, vorige week ging het toch weer mis. Teveel stress of zo. Gek genoeg waren ze net klaar met hun dagbehandeling. Lang verhaal kort: Ze zijn nu weer samen aan het gebruiken. Het huis is een grote puinhoop. Ik weet niet of ze nog in staat zijn om hun hond uit te laten. Dat arme beest zit daar dus in huis en raakt telkens in paniek als een van de twee bewusteloos raakt.

De politie? Die heb ik al gebeld. En de huisarts ook, en de crisisdienst. en verslavingszorg. Maar niemand kan mij helpen.

Het is een vrij land begrijp je. Als je geen direct gevaar voor jezelf vormt kunnen ze niks doen. Ik moet daar bijna om lachen, omdat het zo absurd klinkt, snap je. Dus ergens hopen we nu maar dat het bijna mis gaat, en dat ze dan op tijd komen. 

Zelf er heen gaan en aanbellen? Heeft geen zin, voor ons doen ze de deur niet open. De buren? Ja die hebben ook al regelmatig geklaagd, ze maken zich ook zorgen en er is veel overlast. Maar kennelijk moet het nog verder escaleren. 

Ja, mijn dochter was altijd een apart kind. Ik wist al van heel jongs af aan dat er iets niet in orde was. Borderline zeggen ze nu, en trauma.

Mijn dochter. Herinner je haar nog? Ze was dat blonde meisje met van die mooie losse krullen. Blauwe ogen, en bolle wangetjes. Ze had heel veel knuffelbeesten. en ze spaarde plastic dinosauriërs waar ze alle namen van kon opnoemen. Ja ze was bovengemiddeld intelligent. Ze was heel bijzonder.

Weet je het nu weer buurvrouw? Kun je het nu weer een beetje plaatsen? Ik ben blij dat we even gepraat hebben. Want het is zo verschrikkelijk moeilijk. Niet alleen voor mij, maar voor iedereen die van haar houdt. Iedereen die haar heeft willen helpen. 

Hoe het nu met mij gaat? Ik kan er geen goed antwoord op geven. Ik doe mijn best. Ik heb nog twee andere kinderen, die hebben al genoeg ellende meegemaakt, ik wil ze het zo graag besparen.

Moet je verder buurvrouw? Ja, het is inderdaad al laat. Je moet nog van alles doen. Ik snap het.

Het was fijn om even met je te praten. en ja, het is inderdaad mooi weer vandaag. 

Het is een prachtige dag. Er is geen wolkje aan de lucht.





Thursday, 4 August 2022

Op een mooie Pinksterdag.

Wat is hij oud en wat oogt hij fragiel. Zijn heup is zo slecht dat hij een stok moet gebruiken. 
Hij hoort ook slecht en zet (als niemand kijkt) zijn bril op als hij in de auto stapt. Vervolgens rijdt hij met 60 km per uur de snelweg op.
Soms denk ik terug aan hoe ik me hem herinner. Lang, slank en nonchalant gekleed. Een jonge held met een wilde krullenbos en een baardje. Hij oogt ietwat onverschillig, maar niet ongeïnteresseerd. Mijn moeder is smoorverliefd op hem.     Tot zijn vijftigste blijft hij een jongensachtige uitstraling houden die in de smaak valt bij veel vrouwen.
Als ik een jaar of vijftien ben gaat hij zijn eigen weg. Vanaf dat moment ben ik "groot". 
Een moment blijft me bij. Wanneer hij me 's avonds naar het noodspreekuur brengt met een onstoken kaak.  Ik ben dan al volwassen.
Bij het oversteken pakt hij mijn hand. Het is een flashback naar mijn kinderjaren. In mijn gedachten zing ik dat liedje dat mijn moeder altijd zong: 
"Op een mooie pinkster dag. Als het even kon. Liep ik met mijn dochter aan het handje in het parikie te kuieren in de zon"      Eigenlijk konden mijn vader en ik het altijd goed met elkaar vinden. Hij leerde me van jazzmuziek houden, en van discussiëren. En van Monthy Python en Gerard Reve.
Mijn vader kon heel veel dingen goed; zoals vertellen en piano spelen, grapjes maken en helpen met huiswerk. Ik vond het altijd heerlijk om naar zijn verhalen te luisteren.
Maar hij vond het soms ook moeilijk om vader te zijn, en opa. 
Ik heb hem vaak gemist, zeker toen hij met zijn huidige vrouw naar Frankrijk verhuisde.
"Dat kutwijf" zoals mijn moeder haar noemde, die "het helemaal voor elkaar had". 
Een prachtig huis in de Franse bergen zonder kinderen, kleinkinderen en een zeurende exvrouw.

Maar  ze worden ouder en de situatie wordt alsmaar grimmiger. Het lijkt alsof ze elkaar in de weg zitten.
Ze verblijven een tijdje in Amsterdam. Corona isoleert ze. En dan krijgt zij een ernstig ongeluk.
Daarna besluiten ze echter samen de benen te nemen en wederom naar Frankrijk te gaan.
Ze vertrekken tegen het advies van de doktoren in.
Ze nemen de benen.
 Als een opstandig stel pubers dat er stiekem tussenuit knijpt.
Mopperend, vloekend en verwijtend gaan ze op weg.

Het is 36 graden in Frankrijk. De oude dikke natuurstenen muren van het huis bieden Goddank wat beschutting tegen de nietsontziende hitte. Mijn vader die schuifelend in de moestuin werkt, zo doof als een kwartel.  En zijn vrouw, die steeds harder tegen hem schreeuwt, voortdurend boos is en alles vervolgens vergeet.
Aan de telefoon zegt hij dat het beter gaat. Ik ga er maar niet over met hem in discussie.

Morgen komt mijn zoon met zijn meisje aan in Brassac. dat is zo'n beetje het kleinste treinstation van de Auvergne, vlak voordat je het hooggebergte ingaat waar mijn vaders huis staat.
In the middle of nowhere.
Mijn vader kijkt er enorm naar uit. Hij kan niet wachten om zijn kleinzoon weer te zien. Familie betekent veel voor hem tegenwoordig.
Ik hoop dat het goed gaat. Voor mijn vader en mijn zoon.     Dat het een mooie laatste keer is dat opa zijn kleinzoon over de geschiedenis van het gebied kan vertellen: 
Over de oude Romeinse munt  die hij ooit in het raamkozijn vond.
Over het opstel dat op zolder lag, geschreven rond 1920.
Over de watermolen, de beek, de roofvogels en de wolven die er ooit leefden.
Al die mooie verhalen.

Net zoals vroeger, toen hij mij verhalen vertelde en nog jong en onverschillig was. 


Het liedje "Op een mooie Pinksterdag" , werd geschreven door Annie MG Schmidt en gezongen door Andre van den Heuvel en leen Jongewaard.
 








Wednesday, 20 April 2022

De vrouw van mijn vader

Ze ligt onderuitgezakt in het ziekenhuisbed. Geknakt. Kwetsbaar en hulpeloos als een klein kind. Ik schrik ervan. Omdat mijn vader niet goed lijkt te weten wat hij moet doen, help ik met het opschudden van het kussen en geef haar slokjes drinken. Even opent ze haar ogen en kijkt me op een vreemde doordringende manier aan. Dan zakt ze weer weg. Ik ben bang voor haar. Altijd al geweest. Zelfs nu ze broos en afhankelijk is. Ik breek de chocoladecake die ik voor haar heb gehaald, in kleine stukjes en stop ze in haar mond. In plaats van het zakdoekje, veegt ze haar mond af met een plastic tas die toevallig op het bed ligt. Ik pak hem voorzichtig van haar af.

Op de zaal, waar nog drie andere patiënten scheef in bed hangen, heerst een beklemmende, uitzichtloze sfeer. Een sfeer waarin niemand nog enige hoop lijkt te hebben.  De vreugdeloze, afgematte stemming hangt als een broeierig, klam laken over de aanwezigen. Als een besmettelijke ziekte. 

Ze wil ook wel een chocolaatje, maar als ze er met gesloten ogen eentje neemt blijkt dat ik de verkeerde mee heb genomen. Ze houdt alleen van puur. Ik begin me te verontschuldigen met de opmerking dat ik het doosje zo mooi vond. En dat ze er nog wat aan heeft als het leeg is. "Het is een heel bijzonder doosje" .Niemand lijkt het te horen.

Het is alsof ik het altijd verkeerd doe bij haar. Ik koop de verkeerde chocola, kies juist de bloemen die ze vreselijk vindt, praat te hard, ben te uitgesproken, vraag teveel aandacht van mijn vader, laat haar niet uitpraten, kleed me vreemd, praat te veel.  Eigenlijk wek ik altijd alleen maar irritatie bij haar op.   

Puur mijn aanwezigheid, mijn manier van praten en lachen, mijn rode lippenstift, mijn persoonlijkheid, mijn mening. Het irriteert haar.

Mijn moeder is nu vijf jaar dood. Ze kan het nog steeds niet verdragen wanneer haar naam valt. Dan zucht ze, of ze begint te hoesten. Vaak loopt ze demonstratief de kamer uit. Mijn vader wekt ook voortdurend haar ergernis. Om zijn doofheid, zijn onzekere manier van lopen, zijn geklaag, zijn politieke standpunten, zijn eigenwijze gedrag. Al een paar keer heeft ze tevergeefs geprobeerd de huisarts ervan te overtuigen dat mijn vader aan het dementeren is. Mijn vader geneert zich ervoor. Maar boos wordt hij eigenlijk nooit.

Hij irriteert haar en ze steekt haar ergernis niet onder stoelen of banken. Maar hij koos uiteindelijk altijd voor haar en kocht een huis in Frankrijk om met haar te gaan wonen. Om haar gelukkig te maken. De scheiding tussen mijn ouders was verschrikkelijk. Mijn moeder kwijnde weg. 

Vanwege verbittering, vervlogen hoop, verbolgenheid en ontevredenheid, of, ja wat eigenlijk? drinkt ze al jaren zoveel, dat ze nu speciale medicatie krijgt vanwege de ontwenningsverschijnselen.     Mijn vader houdt vol dat ze toch echt is gaan minderen.    Ook heeft mijn vader haar nooit zover gekregen om met roken te stoppen.  De vreselijke hoestbuien, de kortademigheid, het is ergens een wonder, dat het altijd goed is blijven gegaan.

Altijd. Tot afgelopen donderdag. Toen ze de vuilniszak buiten ging zetten. Ze viel en klapte met haar hoofd tegen de grond. De buren vonden haar. Ze lag tussen de auto's in het donker.

s' Middags had ze met vriendinnen zitten drinken. Het was zo gezellig geweest. En nu gebeurde er dit.

Wanneer ik haar in het ziekenhuisbed zie liggen denk ik, dat het misschien slecht afloopt. Dat de bloeding in haar hoofd haar fataal zal worden. Maar nu lijkt het toch de goede kant op te gaan. Dat denkt de dokter ook, die mij, tijdens het familiegesprek, tot grote hilariteit haar dochter noemt. 

Nee. Het lijkt mee te vallen. Ze komt er wel weer bovenop, de vrouw van mijn vader.     

En alles komt weer goed.