Tuesday, 5 March 2019

Leef!

Leven.
Dat voelde ik toen jij nog in mijn buik zat. Teder gefladder. 's Avonds lag ik vaak alleen in bed. Stil was het om me heen.
Maar zodra ik mijn handen op mijn buik legde voelde ik me niet meer eenzaam. Ik voelde hoe dicht je bij me was en ik voelde jouw leven in mijn lijf.
De betekenis van "leven" veranderde toen je geboren werd. Ineens kon ik je voelen, ruiken en aanraken.
Ik was zo gelukkig met jou.
Je was mijn alles. Mijn eigen leven leek ineens zoveel minder belangrijk.Vooral toen je na de geboorte ziek bleek te zijn.
In het ziekenhuis zat ik uren naast je bedje en maakte me zorgen.
Maar gelukkig knapte je op.
Ik mocht je meenemen. Mijn kind mocht mee naar huis.
Nu zou het leven pas echt gaan beginnen.
Ik verlangde er zo naar.

Eenmaal thuis sliep je meestal bij mij in bed. dan pas voelde jij je veilig. Dicht tegen me aan. Dan was je niet bang. Als je in je eigen bedje lag legde ik 's nachts heel voorzichtig mijn hand tegen je aan om te controleren of je nog ademde.

Je was een mooie kleuter.
Ik kon er zo van genieten als je lachte. Als je plezier kon maken. Als je zorgeloos kon zijn.
Rennend, met blozende bolle wangen.  Je lange blonde haar waar de wind zo graag mee speelde. Je huid die de zon zo graag verwarmde. De vlinders, vissen en vogels die zo graag jouw aandacht trokken. Katten en honden die door jou geaaid wilden worden. Muziek die voor jou gespeeld werd.  Grapjes die voor jou bedacht waren. Het leven lag in een  grote uitnodigende zilveren schaal op jou te wachten. Het leven was er voor jou.
Om je te doen dansen, stralen, joelen, schreeuwen en groeien, om je te vertederen en je doen huiveren, je te laten huilen om getroost te worden.
Je zou prinses worden. Of archeologe. Of iets anders wat je nog niet wist.

Kind van mij. Voor jou draaide de aarde, kolkten de rivieren, scheen de zon, was de lucht helder en blauw en schitterden de sterren.

Wat ging er mis?
Dat de wind ging liggen, de zon verdween, de dieren zich niet meer lieten zien. Dat het stil werd. IJzig koud en donker. Dat je verdween. En niemand je meer kon vinden. Dat de regen niet meer stopte. Dat het nacht werd. Eindeloze nacht.


Leef. Dat smeek ik je. Dat is het enige dat ik van je verlang.
Gooi de dekens van je af. Open je ogen, adem in en uit.
Kijk om je heen. Wees niet bang.
Begin met leven want je hebt al zoveel moeten missen.
Je hebt genoeg geslapen. Word wakker! Strek je benen en loop.
En als je eenmaal de kracht hebt: Ren dan.
Ren tot je uitgeput bent.
Ren!
Voel dat je niet dood bent.
Voel dat je leeft.
LEEF.



Wednesday, 30 January 2019

Koude regendruppels


Stil is het. In huis en ook buiten, op straat. Het donker van de nacht maakt heel langzaam plaats voor diffuus ochtendlicht. Het  regent zachtjes. De Amsterdamse straat oogt verlaten en als gevolg daarvan enigszins triest.  Wanneer de mensen slapen leeft de stad niet. Het asfalt en de klinkers glimmen van de regen.  Hier en daar rijdt een auto en slentert een eenzame wandelaar. Verkeerslichten gaan automatisch op rood, groen en oranje.

In huis zijn de gordijnen gesloten. De kat des huizes loert door een opening in het gordijn naar de vogels op straat, die brutaal iets van het wegdek pikken. Op de salontafel staan nog wat restanten van de vorige avond. Een asbak met een gedoofde, halfopgerookte filtersigaret en twee glazen, waarvan er een halfleeg is.  De afstandsbediening van de televisie ligt in een fauteuil. De kussens zijn in elkaar gedeukt en er ligt een in elkaar gefrommelde zakdoek. Op de vloer liggen een paar uitgeschopte schoenen. De klok tikt.
Zachtjes loopt ze op haar kousenvoeten de trap af. Haar schoenen houdt ze in haar hand. De kat kijkt op en knipoogt. Ze is niet gewend dat er zo vroeg al volk in de kamer is. Beneden haalt ze haar koffer uit de gangkast.
 Ze loopt naar de keuken en pakt een krentenbol. Als ze de koelkastdeur opent valt er iets op de grond. Het geluid laat haar schrikken en even blijft ze roerloos staan.
Met grote angstige ogen, de krentenbol in haar mond, luistert ze of er iemand wakker is geworden.
Heel zachtjes trippelt ze naar de trap en kijkt naar boven. Gerustgesteld door het zachte gesnurk dat uit haar ouders’ slaapkamer komt pakt ze haar jas.
Ze zet haar koffer bij de voordeur en loopt terug naar de woonkamer. De klok tikt. De kat lijkt haar alweer vergeten. Zij mauwt zachtjes naar de vogels op de stille straat.
Heel eventjes  neemt ze plaats op de bank.  Dan haalt ze een pen en een opschrijfblokje uit haar handtas en schrijft iets op. In gedachten likt ze even aan de pen en legt dan het briefje op tafel, naast de asbak.
Bij het het bureautje staan fotolijstjes opgesteld. Ze tilt ze een voor een op en veegt over haar wang. Ze slikt.
Dan trekt ze resoluut haar schoenen aan, pakt haar koffer en loopt naar buiten. De deur trekt ze achter zich dicht.
Ze heft haar hoofd op en kijkt omhoog. Koude regendruppels vallen op haar gezicht.
Wanneer ze de straat oversteekt vliegen de vogels verschrikt op.
Boven, in de slaapkamer schrikt haar moeder wakker,waarom weet ze niet. Ze stoot haar man aan en rent dan de trap af naar beneden.

De klok tikt. De straatlantaarns gaan uit en heel even, een fractie, is het donker buiten. Dan neemt het daglicht het over van de nacht. Met het briefje in haar hand, barst de moeder in tranen uit.
Ze is weg. Ons kind is weg, snikt ze.



Friday, 4 January 2019

Familie

Mijn moeder groeide op met acht zusjes en drie broers. Als kind kon ik met ongeloof en verbijstering naar de foto's van mijn moeders kinderjaren staren.
Ouderwetse zwart wit foto's op dik, vergeeld papier van mensen die er uit zagen alsof ze uit een museum gestapt waren.
"Kijk, dit ben ik "zei mijn moeder, wijzend op een foto van een een mager, ziekelijk meisje, met een grote strik in het zwarte haar.
Ze groeide op in een reeds lang vervlogen tijd. In een katholiek dorp waar de kerk het dreigende middelpunt vormde. "De klokken beierden de gehele dag" vertelde mijn tante mij. In het grote huis waar ze woonden was het 's winters zo koud was dat de ramen bevroren. Zonder luxe en zonder moderne middelen. Met ouders die het altijd druk hadden en waar weinig tijd was om met de kinderen te spelen, ze voor te lezen of met ze te discussieren.
Als ik de foto's bekeek werd ik altijd een beetje bang. Als stadsmeisje huiverde ik bij de ernstige, sombere sfeer die het dorp vroeger uitstraalde. De ernstig uitziende figuren op de foto's, gekleed in donkere gewaden. De sfeer van orde, hard werken en deugdzaamheid onder het wakende oog van mijnheer pastoor en de Here Jezus.
Het leven leek in die tijd geen lolletje. Althans, dat deden de foto's en de verhalen mij  sterk vermoeden. Mijn moeder vluchtte naar de grote stad toen ze de kans kreeg en bouwde daar een ander leven op. Maar ergens bleef ze haar familie toch missen.
Als Amsterdams meisje was ik gewend aan het rumoer, de drukte maar ook het comfort van de stad, waar de kerk geen enkele rol speelde.
De nuchtere drukke stad was mijn thuis en stond in schril contrast met de ondoorgrondelijke, mystieke sfeer van het dorp.
Met zon- en feestdagen kleedden we ons extra netjes aan en gingen we "terug naar huis", zoals mijn moeder het noemde. Dan viel het mij op hoe gelukkig ze er van werd om haar zusjes weer te zien.  We waren overal welkom en gingen altijd naar huis met tassen vol cadeautjes, stukken vlaai en souvenirs. Soms huilde mijn moeder in de auto.

Van de twaalf broertjes en zusjes zijn er nog drie over. Twee wonen nog altijd in het dorp waar ze geboren zijn.  Kort voor haar dood keerde mijn moeder terug naar de streek waar ze vandaan kwam. De plek die ze ontvluchtte toen ze zestien jaar oud was, maar waar ze vele jaren later weer naar terug verlangde.
Met mijn moeder in gedachten ga ik aanstaande dinsdag naar de begrafenis van haar zusje Annie.
"Je gaat er toch wel heen he" hoorde ik haar zeggen. Anders krijg je er spijt van.
"Ja mam" heb ik in gedachten terug gezegd.
Toen voelde ik dat het goed was.





.

Friday, 21 December 2018

De vader van Joost

Als ik door het donker naar huis fiets zie ik ze opdoemen. De contouren van de nieuwe speeltoestellen die op het grasveld bij ons huis worden geplaatst.
Wanneer ik er bij daglicht opnieuw langs fiets, zie ik pas goed wat er staat. Een wip, een klimrek, een schommelmat, een ton, een ding om overheen te springen en nog veel meer.
En dan gebeurt er iets eigenaardigs. Ik krijg spontaan zin om te gaan spelen.
Binnenin mij voel sterk ik de neiging om mijn fiets neer te gooien en op de schommels af te rennen. Net als vroeger (wanneer ik meestal net te laat was, omdat andere kinderen sneller, sterker en vooral, brutaler waren).
Ik ben geen kind meer. Maar toch.... Wie weet, misschien was het kind nooit helemaal weg en heb ik mezelf alleen wijs gemaakt dat ik geen kind meer mag zijn.
Ik stap even af en kijk naar al die prachtige speeltoestellen. Ze zijn nog nieuw en onaangeraakt. Van prachtig ongeverfd hout. Ze zien er mooi en uitnodigend uit.
Straks zullen ontelbare kinderen zich ermee amuseren. Tot ook zij weer (te) groot zijn. En niet meer onbevangen.
Terwijl ik daar zo sta, met mijn fiets aan de hand, denk ik even terug aan toen. De tijd dat alles zo vanzelfsprekend was.
Ik weet nog hoe het was om heel hoog te schommelen. Met mijn haren in de wind en tranen in mijn ogen.
Ik weet weer hoe het voelde.
Hoe we naar de speeltuin gingen. Of naar het park. Stiekem lachend om volwassenen. Om hun ernstige blik, hun rare manier van lopen of hun eigenaardige gedrag. Hoe we altijd boordevol energie zaten, en een van ons plotseling: "Wedstrijdje!!!!" kon roepen. 
Zomaar uit het niets.
En dat we dan heel hard gingen rennen.Of fietsen. 
En dat we dan buiten adem bij onze voordeur aankwamen en dan "Doeii" riepen en naar binnen gingen.
Ik kan me herinneren hoe ik talloze keren met mijn beste vriendin de Overtoom af ben gewandeld. Kletsend. Zingend. Rennend, Hinkelend. Om ons heen kijkend.
Vaak kwamen we dezelfde enge man tegen met een woeste kop met lang haar en een verwilderde blik in zijn ogen.
"Kijk, dat is Joost zijn vader" fluisterde ik heimelijk tegen mijn vriendin. Joost zat bij ons in de klas en was een stille, beetje mysterieuze jongen.
"Nietes"zei mijn vriendin. ""Ik geloof je niet".
"Welles"zei ik.
En toen deed mijn vriendin iets heel dappers.
Ze liep naar die rare, enge man toe en zei tegen hem: "Meneer, bent u de vader van Joost?"
De man keek ons aan en zei eerst niks.
We stonden op het punt heel hard weg te rennen toen hij ineens zijn hand naar zijn woeste baard bracht. 
Vervolgens zei hij nadenkend: "Niet dat ik weet",  draaide zich peinzend om en liep weg. Mompelend.
Het was een heel gewone vraag. Maar toch was het enorm dapper.

De speeltuin ziet er uitdagend, enigszins verleidelijk uit. Ook al ben ik geen kind meer. Het is vast nog niet te laat om een keer te gaan schommelen.
Maar wie de vader van Joost is zal waarschijnlijk altijd een mysterie blijven.



Saturday, 8 December 2018

Spons

Ons huis in Amsterdam was niet bijzonder groot. De douche bevond zich in de keuken. Daar was hij pas later geplaatst. Voordat ik was geboren waste men zich gewoon aan de wastafel. Of in een teil met heet water.
In de voor-en achterkamer waar het lekker warm was, want in de rest van het huis was het, vooral 's winters, koud.
In de douche had mijn vader een electrisch kacheltje opgehangen. Boven de deur. Als mijn moeder aan het koordje trok, produceerde het een fascinerende warme, rode gloed.
Aangrenzend aan de douche was het toilet.
Wanneer ik onder de douche stond voerde ik hele gesprekken met mijn zus die aan de andere kant de Donald Duck zat te lezen.
Ik nam graag mijn poppen mee onder de douche.Ik vond het fijn om hun haren te wassen en ze in te zepen. Na afloop liet ik ze vaak te lang in de nattigheid liggen Bij sommigen ging na verloop van tijd binnenin iets roesten waardoor ze er griezelig uit gingen zien. Een pop, die slaapogen had, met echte wimpers, huilde eens donkerbruine tranen toen ik haar oppakte.Ik schrok heel erg want ik dacht dat het bloed was.
Mijn zus zei dat het mijn schuld was want ik had de pop helemaal alleen achtergelaten, in de nattigheid en de kou. "Daarom huilt ze".
Ik heb dat heel lang geloofd.
Ik douchte graag lang. Zittend op de granieten vloer. Spelend met de poppen en met halflege shampooflessen. Terwijl mijn moeder in de keuken stond te zingen met de transistorradio aan. Mijn moeder zong of neuriede altijd. 
Toen ik een jaar of vier was waste mijn moeder me eens heel grondig met een grote spons die vol zeepsop zat. Het schuimde enorm. Zingend boende ze mij tot elk plekje van mijn lijf glom. 
Maar na het afdrogen kreeg ik heel erge jeuk. Het jeukte zo erg dat ik er van moest huilen. Bij navraag bleek dat mijn vader de spons gebruikt had om de auto mee te wassen. Met speciale shampoo, om de lak niet te beschadigen.
Het duurde erg lang voor de jeuk over ging.
s' Avonds vertelde mijn vader een extra verhaaltje. Uit zijn hoofd.

Het huis is nu gerenoveerd. Het is centraal verwarmd. De keuken is gemoderniseerd. De douche is opnieuw verplaatst. Het huis is opnieuw verhuurd.
Het is anders geworden.
Anders dan het vroeger was.







Tuesday, 20 November 2018

Het voorprogramma

Zaal vier. Dit is waar het gebeurt is. Ik weet het ineens zeker. Terwijl we wachten op het voorprogramma, worden langzaam de lichten gedoofd.
Ik kijk om me heen en in gedachten zie ik ineens hoe het gebeurd is. Vijf jaar geleden toen jij mam, met jouw kleinkinderen, mijn jongste twee, naar de middagvoorstelling ging.
Ik zie hoe alles die dag was. De kinderen in de zaal met grote bakken popcorn en ijsjes. Blije, joelende kinderen, schreeuwende kinderen die toegesproken worden door opvoeders. Stille kinderen die gespannen op de film zitten te wachten.Sommige kinderen zijn zo klein dat ze op een stoelverhoger moeten zitten. Hele kleine exemplaren zitten op een hele stapel stoelverhogers.
Vooraan zit een rijtje kinderen met papieren mutsen. Het kind dat in het midden zit, draagt een muts waar met goudkleurig folie het nummer ZES opgeplakt is. De sfeer is verwachtingsvol.
Wanneer ik naast me kijk zie ik hoe jij met jouw twee kleinkinderen plaats neemt. Precies naast mij. Je draagt een absurd grote, witte wollen jas. Het lijkt alsof je totaal verkleumd bent. 
Ik houd mijn adem in en zie hoe jullie je installeren.Mijn kinderen, wat zien ze er nog jong uit. En mijn moeder.  Mijn moeder die ik erg mis. Vertederd kijk ik naar het kleine groepje.
Was ik er maar bij geweest. dan had ik voor ze kunnen zorgen. Waarom heb ik niet aangevoeld dat er iets niet goed was?
   
Geleidelijk wordt het licht minder fel. Het scherm wordt groter en er klinkt vrolijke muziek.
Sommige kinderen klappen enthousiast in hun handjes.
Het gaat beginnen!
Dan zie ik hoe mijn moeder plotseling naar adem hapt. Haar gezicht krijgt een vreemde kleur. Ze sluit haar ogen en werpt haar hoofd in haar nek. 
Mijn dochter begint om hulp te roepen: Het gaat niet goed met mijn oma!
Even staat alles stil.
Twee mannen schieten te hulp. Binnen een paar seconden wordt mijn moeder op de grond gelegd en begint een van hen met reanimeren.
Kinderen huilen en gillen.  
Intussen wordt het steeds donkerder in de zaal. Het voorprogramma begint. Maar inmiddels is iedereen opgestaan.
Langzaam maar zeker zie ik de beelden vervagen. Vaag zie ik nog hoe mijn moeder op een brancard gelegd wordt. Mijn kinderen staan er verslagen bij.

Wanneer ik weer opkijk ben ik weer in het heden. De film gaat beginnen.
Bohemian Rhapsody, over het leven van Freddy Mercury en de band Queen. Mijn moeder hield niet van popmuziek maar sommige nummers van rockband Queen vond ze mooi.
Wanneer de soundtrack begint pink ik een traantje weg. Omdat de muziek mij onverwacht hard raakt.









Wednesday, 17 October 2018

Diefstal

Het was koud op het schoolplein. Ik had me verstopt in mijn jas, de kraag hoog over mijn ijskoude neus.
Er was niemand om mee te spelen dus hing ik een beetje over het hek en keek omhoog naar het carillon bovenin het gebouw aan de overkant. Het Belfort hotel.
Wanneer het carillon begon te spelen mochten we weer naar binnen, de klas in. Maar dat vooruitzicht sprak mij niet erg aan. Liever bleef ik nog wat op het schoolplein over het hek hangen.
De juffen en meester wandelden druk pratend langs mij. Ik probeerde me onzichtbaar te maken, wat mij ook lukte. Zonder op te kijken liepen ze verder.
Elke dag tijdens het speelkwartier voelde ik me onzeker. Dat maakte dat het op school onveilig aanvoelde. Ik hoorde er niet echt bij.
Af en toe mocht ik meedoen met iets, soms werd ik geplaagd, uitgelachen of uitgedaagd. Meestal werd ik gewoon nergens bij betrokken.
Die eenzaamheid voelde als een schande. ik schaamde me ervoor dat niemand met mij wilde spelen en voelde me een buitenstaander. Daarom probeerde ik me onzichtbaar te maken wanneer de juffen en meester langs liepen. Hoopte ik dat ze in vredesnaam niet met me zouden gaan praten, want dan zou ik me helemaal een buitenbeentje voelen.
Een enkele keer maakten kinderen contact met mij. Zoals vandaag; twee meisjes uit een hogere klas, stapten resoluut op mij af.
De meiden, beste vriendinnen, leken veel op elkaar. Ze droegen dezelfde rode winterjas met dikke das en hadden beiden een lange vlassig blonde paardenstaart met een elastiek met gekleurde balletjes. De meiden waren heel goed in touwtjespringen, klapspelletjes en heel hard gillen en schreeuwen.
Alles, wat ik niet goed kon. Daarom was ik een beetje bang voor ze.
Vastberaden stonden ze ineens voor me en keken me recht in de ogen.
"Heb jij wel eens iets gepikt?"zei de brutaalste.
Ik zag dat ze voortdurend met haar ogen knipperde. Een tic, noemde mijn moeder dat. Ik wilde dat ik ook een tic had.
Omdat ik niet meteen antwoord gaf kwam nu ook het andere meisje recht voor me staan.
"Hey, ben je doof of zo?"
Ik schudde mijn hoofd. Maar ik wist niet of ik de vraag die ze mij gesteld hadden, naar waarheid moest beantwoorden.
Het meisje trok haar handschoen uit en wees naar haar vinger waar een ring omheen zat."Zie je dat, die heb ik gepikt bij de HEMA."
Ik keek geschrokken voor mij uit.
"wat een slome ben jij" zei het andere meisje lachend. Daarop renden ze samen hand in hand weg.
Mijn hart ging tekeer, het bonsde heel hard diep in mijn lijf dat warm was van de dikke winterjas.
Maanden later was ik met mijn vader en moeder en grote zus in het dorp, in de buurt van de boerderij waar we alle weekenden doorbrachten.
Naast de supermarkt was er nog een winkel in het dorp. Hier werden kado- en huishoudelijke artikelen verkocht. Wanneer mijn ouders boodschappen deden hingen mijn zus en ik daar rond.
In de winkel kon je porseleinen beeldjes, kantoorartikelen, bestekcassettes, vazen en mixers vinden. Ook was er een speelgoedafdeling waar mijn zus mij steeds hardhandig vandaan sleurde. Zij nam mij mee naar de glimmende display waar make up stond uitgestald.
Minutenlang stonden we daar te dralen. De winkelmevrouw op enige afstand argwanend toekijkend.

Daar heb ik mijn eerste diefstal gepleegd: Een doosje lichtblauwe oogschaduw.
Ik stopte het zomaar in mijn jaszak en liet mij vervolgens door mijn zus de winkel uit leiden. Ik meen me te herinneren dat zij een doosje rouge in haar hand hield.
Ik was doodsbang en ik schaamde me vreselijk. Tegenover de keurige winkelmevrouw, tegenover mijn  vader en moeder en tegenover de juffen en meester. Ook al wisten die allemaal nergens van.
De oogschaduw heb ik nooit gebruikt. Maar ik heb het doosje heel lang bewaard.
Telkens als ik naar het doosje keek voelde ik een rilling door mijn lijf gaan.
Dan voelde ik mij onoverwinnelijk.