Saturday, 22 June 2019

De wereld aan je voeten.

Wanneer hij de trap af komt kijk ik op, maar ik moet nogmaals kijken.
Hij is lang, knap en gespierd. Nonchalant gooit hij zijn lange haar in de nek.
"Morge!" Lacht hij mij toe.
Zijn blonde vriendinnetje volgt hem en glimlacht verlegen wanneer ik zeg dat de dag al bijna om is.
Is dit mijn zoon? De jongste van de drie? De Benjamin?
Het kleine tengere jongetje dat altijd bescherming bij mij zocht?
Voor ik het weet zijn ze alweer weg.Het leven wacht. Ze hebben haast. Ze moeten ontdekken, lachen, vrijen, vrienden maken.
Het leven opent haar armen als een kermisattractie.
"Komt dat zien. Komt kijken, ervaren, genieten en voelen".
Maar ook:"Komt struikelen, huilen en jezelf verwonden".
Welkom in de mooiste en gevaarlijkste attractie die je ooit zult beleven:
Jouw leven.
Nergens anders zul je zoveel liefde ervaren, pijn voelen, gemis ervaren. Boos, blij en verdrietig zijn.
In deze rollercoaster die jouw leven is.
Zoon, wat ben je ongelooflijk mooi, onbezorgd, dapper en avontuurlijk.
Wat vind ik het heerlijk om te zien hoe het leven op jou wacht. Hoe jij aan het begin staat. Hoe je popelt. Briest als een paard in het circus.Gromt als een leeuw in de arena.

En ook naar jou, mijn jongste dochter  blijf ik met verbazing en ongeloof kijken.
Mijn kleine blonde knuffelkind. Mijn aankleedpop, mijn zonnestraaltje.
Je bent onderweg naar zelfstandigheid. Struikelend als een jonge hinde in het bos. Maar met zoveel doorzettingsvermogen en kracht.
Je bent lang en rank. Maar ook groot en sterk. Een gedecideerde, wijze, jonge vrouw.
Je hebt je losgerukt van het gezin. Vrij moest je zijn en onder je moeders vleugels vandaan duiken.
Ook al viel dat soms niet mee.
Mijn prachtige fragiele vlinder.
Vond je het raar dat ik je niet durfde te laten gaan? Dat ik je het liefste in een doosje had willen doen zodat je vleugels niet beschadigd zouden raken?
Maar de bloemenzee buiten wachtte. De bloemen en het onkruid en de uitgestrektheid van het onbekende..


Mijn prachtige kinderen. De wereld ligt aan jullie voeten.
Ren, struikel, val, vlieg, huil. Ook al zou ik julie voor altijd bij me willen houden, koesteren en beschermen.
Ik had jullie wel altijd klein willen houden, veilig in moeders schoot. Maar de wereld wacht. Ongeduldig.

Liefs, mama.



Saturday, 25 May 2019

Omgekocht

Omdat zij de oudste was mocht zij meer dan ik. En soms was zij degene die op mij moest letten als mijn moeder even niet in de buurt was. Ze mocht meer, kon meer en was voor mijn gevoel al halverwege volwassenheid: Mijn grote zus Loes.
Zij mocht voorin de auto zitten, Zij mocht bovenin het stapelbed slapen en zij mocht langer op blijven.
Ik was daar allemaal nog "te klein" voor.
Mijn zus droeg strakke jeans, bloesjes van India katoen en lange oorbellen. Zij droeg een beha en gebruikte maandverband. Serieuze grote meisjes dingen.
Maandverband beschouwde ik als iets zeer mysterieus. Meerdere malen haalde ik het, zittend op de wc heimelijk uit de verpakking en onderzocht het.
Toen mijn zus nog ouder was ging zij ook tampons gebruiken. Dat vond ik nog interessanter. Keer op keer las ik de bijsluiter van het doosje OB, waar een tekening van het vrouwelijk lichaam op stond die ik niet kon thuisbrengen.
"Menstrueren"vond ik een raar genant woord en ik had liever niet dat mijn moeder daar met mijn zus over sprak wanneer ik in de buurt was. Maar het klonk gewichtig en ergens intrigeerde het mij.

Wanneer ik iets fout deed had mijn moeder de neiging om "snotneus"tegen mij te zeggen. Tegen mijn zus zei ze:  "rotgriet".
Daar was ik jaloers op. Het klonk heel stoer om een rotgriet te zijn.

Ik keek op tegen mijn zus met haar mooie lange haar en haar hippe kleding, maar ik was ook wel een beetje bang voor haar. Ondanks dat trok ik stiekem haar kleren of schoenen aan, en leende zonder het te vragen haar make up of sieraden.
Daardoor bracht ik mezelf soms lelijk in de problemen.
Een keer leende ik haar prachtige geborduurde cowboy laarzen. (Ik zat toen al in de brugklas). Ze waren me iets te groot en de hak was best hoog. Ik denk dat ik daardoor van de trap af gleed. De hak brak af en ik liep de hele dag voor gek.
Mijn zus was natuurlijk woedend!

Loes was bevriend met Birgit, het buurmeisje van de overkant.
Ik was bevriend met Edgar en Arne, de broertjes van Birgit. Edgar, Arne en ik bouwden hutten en fietsen in het park.
Birgit en Loes deden andere  dingen. Ook dingen die mijn vader en moeder en de buurvrouw, (die wij tante Dinie noemden), absoluut niet mochten weten, zoals naar feestjes gaan, blowen en met jongens zoenen.

Een keer had ik de keuze: Of  mijn moeder vertellen dat Birgit en Loes ongeoorloofd naar een feestje zouden gaan. Of me om laten kopen en mijn mond houden.

Wekenlang heeft mijn moeder zich nog lang afgevraagd hoe ik aan de nieuwste elpee van The Rolling Stones was gekomen.
Het mysterie bleef echter onopgelost.





Tuesday, 5 March 2019

Leef!

Leven.
Dat voelde ik toen jij nog in mijn buik zat. Teder gefladder. 's Avonds lag ik vaak alleen in bed. Stil was het om me heen.
Maar zodra ik mijn handen op mijn buik legde voelde ik me niet meer eenzaam. Ik voelde hoe dicht je bij me was en ik voelde jouw leven in mijn lijf.
De betekenis van "leven" veranderde toen je geboren werd. Ineens kon ik je voelen, ruiken en aanraken.
Ik was zo gelukkig met jou.
Je was mijn alles. Mijn eigen leven leek ineens zoveel minder belangrijk.Vooral toen je na de geboorte ziek bleek te zijn.
In het ziekenhuis zat ik uren naast je bedje en maakte me zorgen.
Maar gelukkig knapte je op.
Ik mocht je meenemen. Mijn kind mocht mee naar huis.
Nu zou het leven pas echt gaan beginnen.
Ik verlangde er zo naar.

Eenmaal thuis sliep je meestal bij mij in bed. dan pas voelde jij je veilig. Dicht tegen me aan. Dan was je niet bang. Als je in je eigen bedje lag legde ik 's nachts heel voorzichtig mijn hand tegen je aan om te controleren of je nog ademde.

Je was een mooie kleuter.
Ik kon er zo van genieten als je lachte. Als je plezier kon maken. Als je zorgeloos kon zijn.
Rennend, met blozende bolle wangen.  Je lange blonde haar waar de wind zo graag mee speelde. Je huid die de zon zo graag verwarmde. De vlinders, vissen en vogels die zo graag jouw aandacht trokken. Katten en honden die door jou geaaid wilden worden. Muziek die voor jou gespeeld werd.  Grapjes die voor jou bedacht waren. Het leven lag in een  grote uitnodigende zilveren schaal op jou te wachten. Het leven was er voor jou.
Om je te doen dansen, stralen, joelen, schreeuwen en groeien, om je te vertederen en je doen huiveren, je te laten huilen om getroost te worden.
Je zou prinses worden. Of archeologe. Of iets anders wat je nog niet wist.

Kind van mij. Voor jou draaide de aarde, kolkten de rivieren, scheen de zon, was de lucht helder en blauw en schitterden de sterren.

Wat ging er mis?
Dat de wind ging liggen, de zon verdween, de dieren zich niet meer lieten zien. Dat het stil werd. IJzig koud en donker. Dat je verdween. En niemand je meer kon vinden. Dat de regen niet meer stopte. Dat het nacht werd. Eindeloze nacht.


Leef. Dat smeek ik je. Dat is het enige dat ik van je verlang.
Gooi de dekens van je af. Open je ogen, adem in en uit.
Kijk om je heen. Wees niet bang.
Begin met leven want je hebt al zoveel moeten missen.
Je hebt genoeg geslapen. Word wakker! Strek je benen en loop.
En als je eenmaal de kracht hebt: Ren dan.
Ren tot je uitgeput bent.
Ren!
Voel dat je niet dood bent.
Voel dat je leeft.
LEEF.



Wednesday, 30 January 2019

Koude regendruppels


Stil is het. In huis en ook buiten, op straat. Het donker van de nacht maakt heel langzaam plaats voor diffuus ochtendlicht. Het  regent zachtjes. De Amsterdamse straat oogt verlaten en als gevolg daarvan enigszins triest.  Wanneer de mensen slapen leeft de stad niet. Het asfalt en de klinkers glimmen van de regen.  Hier en daar rijdt een auto en slentert een eenzame wandelaar. Verkeerslichten gaan automatisch op rood, groen en oranje.

In huis zijn de gordijnen gesloten. De kat des huizes loert door een opening in het gordijn naar de vogels op straat, die brutaal iets van het wegdek pikken. Op de salontafel staan nog wat restanten van de vorige avond. Een asbak met een gedoofde, halfopgerookte filtersigaret en twee glazen, waarvan er een halfleeg is.  De afstandsbediening van de televisie ligt in een fauteuil. De kussens zijn in elkaar gedeukt en er ligt een in elkaar gefrommelde zakdoek. Op de vloer liggen een paar uitgeschopte schoenen. De klok tikt.
Zachtjes loopt ze op haar kousenvoeten de trap af. Haar schoenen houdt ze in haar hand. De kat kijkt op en knipoogt. Ze is niet gewend dat er zo vroeg al volk in de kamer is. Beneden haalt ze haar koffer uit de gangkast.
 Ze loopt naar de keuken en pakt een krentenbol. Als ze de koelkastdeur opent valt er iets op de grond. Het geluid laat haar schrikken en even blijft ze roerloos staan.
Met grote angstige ogen, de krentenbol in haar mond, luistert ze of er iemand wakker is geworden.
Heel zachtjes trippelt ze naar de trap en kijkt naar boven. Gerustgesteld door het zachte gesnurk dat uit haar ouders’ slaapkamer komt pakt ze haar jas.
Ze zet haar koffer bij de voordeur en loopt terug naar de woonkamer. De klok tikt. De kat lijkt haar alweer vergeten. Zij mauwt zachtjes naar de vogels op de stille straat.
Heel eventjes  neemt ze plaats op de bank.  Dan haalt ze een pen en een opschrijfblokje uit haar handtas en schrijft iets op. In gedachten likt ze even aan de pen en legt dan het briefje op tafel, naast de asbak.
Bij het het bureautje staan fotolijstjes opgesteld. Ze tilt ze een voor een op en veegt over haar wang. Ze slikt.
Dan trekt ze resoluut haar schoenen aan, pakt haar koffer en loopt naar buiten. De deur trekt ze achter zich dicht.
Ze heft haar hoofd op en kijkt omhoog. Koude regendruppels vallen op haar gezicht.
Wanneer ze de straat oversteekt vliegen de vogels verschrikt op.
Boven, in de slaapkamer schrikt haar moeder wakker,waarom weet ze niet. Ze stoot haar man aan en rent dan de trap af naar beneden.

De klok tikt. De straatlantaarns gaan uit en heel even, een fractie, is het donker buiten. Dan neemt het daglicht het over van de nacht. Met het briefje in haar hand, barst de moeder in tranen uit.
Ze is weg. Ons kind is weg, snikt ze.



Friday, 4 January 2019

Familie

Mijn moeder groeide op met acht zusjes en drie broers. Als kind kon ik met ongeloof en verbijstering naar de foto's van mijn moeders kinderjaren staren.
Ouderwetse zwart wit foto's op dik, vergeeld papier van mensen die er uit zagen alsof ze uit een museum gestapt waren.
"Kijk, dit ben ik "zei mijn moeder, wijzend op een foto van een een mager, ziekelijk meisje, met een grote strik in het zwarte haar.
Ze groeide op in een reeds lang vervlogen tijd. In een katholiek dorp waar de kerk het dreigende middelpunt vormde. "De klokken beierden de gehele dag" vertelde mijn tante mij. In het grote huis waar ze woonden was het 's winters zo koud was dat de ramen bevroren. Zonder luxe en zonder moderne middelen. Met ouders die het altijd druk hadden en waar weinig tijd was om met de kinderen te spelen, ze voor te lezen of met ze te discussieren.
Als ik de foto's bekeek werd ik altijd een beetje bang. Als stadsmeisje huiverde ik bij de ernstige, sombere sfeer die het dorp vroeger uitstraalde. De ernstig uitziende figuren op de foto's, gekleed in donkere gewaden. De sfeer van orde, hard werken en deugdzaamheid onder het wakende oog van mijnheer pastoor en de Here Jezus.
Het leven leek in die tijd geen lolletje. Althans, dat deden de foto's en de verhalen mij  sterk vermoeden. Mijn moeder vluchtte naar de grote stad toen ze de kans kreeg en bouwde daar een ander leven op. Maar ergens bleef ze haar familie toch missen.
Als Amsterdams meisje was ik gewend aan het rumoer, de drukte maar ook het comfort van de stad, waar de kerk geen enkele rol speelde.
De nuchtere drukke stad was mijn thuis en stond in schril contrast met de ondoorgrondelijke, mystieke sfeer van het dorp.
Met zon- en feestdagen kleedden we ons extra netjes aan en gingen we "terug naar huis", zoals mijn moeder het noemde. Dan viel het mij op hoe gelukkig ze er van werd om haar zusjes weer te zien.  We waren overal welkom en gingen altijd naar huis met tassen vol cadeautjes, stukken vlaai en souvenirs. Soms huilde mijn moeder in de auto.

Van de twaalf broertjes en zusjes zijn er nog drie over. Twee wonen nog altijd in het dorp waar ze geboren zijn.  Kort voor haar dood keerde mijn moeder terug naar de streek waar ze vandaan kwam. De plek die ze ontvluchtte toen ze zestien jaar oud was, maar waar ze vele jaren later weer naar terug verlangde.
Met mijn moeder in gedachten ga ik aanstaande dinsdag naar de begrafenis van haar zusje Annie.
"Je gaat er toch wel heen he" hoorde ik haar zeggen. Anders krijg je er spijt van.
"Ja mam" heb ik in gedachten terug gezegd.
Toen voelde ik dat het goed was.





.

Friday, 21 December 2018

De vader van Joost

Als ik door het donker naar huis fiets zie ik ze opdoemen. De contouren van de nieuwe speeltoestellen die op het grasveld bij ons huis worden geplaatst.
Wanneer ik er bij daglicht opnieuw langs fiets, zie ik pas goed wat er staat. Een wip, een klimrek, een schommelmat, een ton, een ding om overheen te springen en nog veel meer.
En dan gebeurt er iets eigenaardigs. Ik krijg spontaan zin om te gaan spelen.
Binnenin mij voel sterk ik de neiging om mijn fiets neer te gooien en op de schommels af te rennen. Net als vroeger (wanneer ik meestal net te laat was, omdat andere kinderen sneller, sterker en vooral, brutaler waren).
Ik ben geen kind meer. Maar toch.... Wie weet, misschien was het kind nooit helemaal weg en heb ik mezelf alleen wijs gemaakt dat ik geen kind meer mag zijn.
Ik stap even af en kijk naar al die prachtige speeltoestellen. Ze zijn nog nieuw en onaangeraakt. Van prachtig ongeverfd hout. Ze zien er mooi en uitnodigend uit.
Straks zullen ontelbare kinderen zich ermee amuseren. Tot ook zij weer (te) groot zijn. En niet meer onbevangen.
Terwijl ik daar zo sta, met mijn fiets aan de hand, denk ik even terug aan toen. De tijd dat alles zo vanzelfsprekend was.
Ik weet nog hoe het was om heel hoog te schommelen. Met mijn haren in de wind en tranen in mijn ogen.
Ik weet weer hoe het voelde.
Hoe we naar de speeltuin gingen. Of naar het park. Stiekem lachend om volwassenen. Om hun ernstige blik, hun rare manier van lopen of hun eigenaardige gedrag. Hoe we altijd boordevol energie zaten, en een van ons plotseling: "Wedstrijdje!!!!" kon roepen. 
Zomaar uit het niets.
En dat we dan heel hard gingen rennen.Of fietsen. 
En dat we dan buiten adem bij onze voordeur aankwamen en dan "Doeii" riepen en naar binnen gingen.
Ik kan me herinneren hoe ik talloze keren met mijn beste vriendin de Overtoom af ben gewandeld. Kletsend. Zingend. Rennend, Hinkelend. Om ons heen kijkend.
Vaak kwamen we dezelfde enge man tegen met een woeste kop met lang haar en een verwilderde blik in zijn ogen.
"Kijk, dat is Joost zijn vader" fluisterde ik heimelijk tegen mijn vriendin. Joost zat bij ons in de klas en was een stille, beetje mysterieuze jongen.
"Nietes"zei mijn vriendin. ""Ik geloof je niet".
"Welles"zei ik.
En toen deed mijn vriendin iets heel dappers.
Ze liep naar die rare, enge man toe en zei tegen hem: "Meneer, bent u de vader van Joost?"
De man keek ons aan en zei eerst niks.
We stonden op het punt heel hard weg te rennen toen hij ineens zijn hand naar zijn woeste baard bracht. 
Vervolgens zei hij nadenkend: "Niet dat ik weet",  draaide zich peinzend om en liep weg. Mompelend.
Het was een heel gewone vraag. Maar toch was het enorm dapper.

De speeltuin ziet er uitdagend, enigszins verleidelijk uit. Ook al ben ik geen kind meer. Het is vast nog niet te laat om een keer te gaan schommelen.
Maar wie de vader van Joost is zal waarschijnlijk altijd een mysterie blijven.



Saturday, 8 December 2018

Spons

Ons huis in Amsterdam was niet bijzonder groot. De douche bevond zich in de keuken. Daar was hij pas later geplaatst. Voordat ik was geboren waste men zich gewoon aan de wastafel. Of in een teil met heet water.
In de voor-en achterkamer waar het lekker warm was, want in de rest van het huis was het, vooral 's winters, koud.
In de douche had mijn vader een electrisch kacheltje opgehangen. Boven de deur. Als mijn moeder aan het koordje trok, produceerde het een fascinerende warme, rode gloed.
Aangrenzend aan de douche was het toilet.
Wanneer ik onder de douche stond voerde ik hele gesprekken met mijn zus die aan de andere kant de Donald Duck zat te lezen.
Ik nam graag mijn poppen mee onder de douche.Ik vond het fijn om hun haren te wassen en ze in te zepen. Na afloop liet ik ze vaak te lang in de nattigheid liggen Bij sommigen ging na verloop van tijd binnenin iets roesten waardoor ze er griezelig uit gingen zien. Een pop, die slaapogen had, met echte wimpers, huilde eens donkerbruine tranen toen ik haar oppakte.Ik schrok heel erg want ik dacht dat het bloed was.
Mijn zus zei dat het mijn schuld was want ik had de pop helemaal alleen achtergelaten, in de nattigheid en de kou. "Daarom huilt ze".
Ik heb dat heel lang geloofd.
Ik douchte graag lang. Zittend op de granieten vloer. Spelend met de poppen en met halflege shampooflessen. Terwijl mijn moeder in de keuken stond te zingen met de transistorradio aan. Mijn moeder zong of neuriede altijd. 
Toen ik een jaar of vier was waste mijn moeder me eens heel grondig met een grote spons die vol zeepsop zat. Het schuimde enorm. Zingend boende ze mij tot elk plekje van mijn lijf glom. 
Maar na het afdrogen kreeg ik heel erge jeuk. Het jeukte zo erg dat ik er van moest huilen. Bij navraag bleek dat mijn vader de spons gebruikt had om de auto mee te wassen. Met speciale shampoo, om de lak niet te beschadigen.
Het duurde erg lang voor de jeuk over ging.
s' Avonds vertelde mijn vader een extra verhaaltje. Uit zijn hoofd.

Het huis is nu gerenoveerd. Het is centraal verwarmd. De keuken is gemoderniseerd. De douche is opnieuw verplaatst. Het huis is opnieuw verhuurd.
Het is anders geworden.
Anders dan het vroeger was.